Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BN7134

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
19-07-2010
Datum publicatie
15-09-2010
Zaaknummer
AR 2341/2007 - H-306/09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Island RX stelt dat zij een huurovereenkomst heeft gesloten met Botica Trupiaal, en vordert nakoming. Subsidiair vordert zij dat de onderhandelingen over de totstandkoming zodanig ver zijn dat Botica Trupiaal zich daaruit niet meer terug mocht trekken. Hof oordeelt dat op Island RX de bewijslast ligt en dat zij niet geslaagd is voldoende bewijs te leveren . Hof bevestigt het vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK: 19 juli 2010 (Curaçao)

ZAAKNRS: AR 2341/2007 - H-306/09

HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE

NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Vonnis in de zaak van:

de naamloze vennootschap

ISLAND RX N.V.,

gevestigd in Aruba,

eerst eiseres, thans appellante,

gemachtigde: mr. D.G. Kock,

tegen

de naamloze vennootschap

BOTICA TRUPIAAL N.V.,

gevestigd in Aruba,

eerst gedaagde, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr W.G.T.M. Kloes.

Partijen worden hierna aangeduid als “Island Rx” en “Botica Trupiaal”.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: GEA), wordt verwezen naar het tussen partijen gewezen vonnis van 3 juni 2009 en het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 2 april 2008.

1.2. Island Rx is in hoger beroep gekomen van het vonnis van 3 juni 2009 door indiening op 14 juli 2009 van een daartoe strekkende akte ter griffie van het GEA. Bij op 25 augustus 2009 ingekomen memorie van grieven heeft zij drie grieven aangevoerd en toegelicht en geconcludeerd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en haar vordering alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Botica Trupiaal in de kosten van beide instanties.

1.3. Botica Trupiaal heeft op 16 oktober 2009 een memorie van antwoord ingediend, waarin zij de grieven heeft bestreden en heeft geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis, kosten rechtens.

1.4. Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities overgelegd en vervolgens vonnis gevraagd. De uitspraak is nader bepaald op heden.

2. Ontvankelijkheid

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Island Rx daarin kan worden ontvangen.

3. Grieven

Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. Beoordeling

4.1. Geen grieven zijn gericht tegen de vaststelling van de feiten door het GEA onder 1 van het tussenvonnis. Die vaststelling komt het Hof bovendien juist voor. Zij dient daarom tot uitgangspunt bij de beoordeling in hoger beroep.

4.2. Island Rx stelt zich in deze procedure primair op het standpunt dat zij met Botica Trupiaal een huurovereenkomst heeft gesloten inzake de verhuur van haar bedrijfspand aan de Katunastraat 3 te Oranjestad, ingaande op 1 december 2006, voor een periode van drie jaar, tegen een huurprijs van Afl. 6.000,- per maand. Zij vordert een verklaring voor recht dienaangaande en nakoming van de overeenkomst. Subsidiair stelt zij dat de onderhandelingen over de totstandkoming van een huurovereenkomst tussen partijen een zodanig stadium hebben bereikt dat het Botica Trupiaal niet meer vrijstond zich daaruit terug te trekken. Op grond daarvan vordert zij subsidiair dat Botica Trupiaal wordt bevolen met haar door te onderhandelen totdat een huurovereenkomst is tot stand gekomen, en meer subsidiair dat Botica Trupiaal wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van Afl. 216.000,-, vermeerderd met wettelijke rente. Het GEA heeft de vorderingen afgewezen en Island Rx veroordeeld in de proceskosten.

4.3. Met grief 1 keert Island Rx zich ertegen dat het GEA (bij het tussenvonnis) haar heeft opgedragen te bewijzen dat tussen partijen een huurovereenkomst is tot stand gekomen en (bij het eindvonnis) heeft geoordeeld dat zij niet in het bewijs is geslaagd.

4.4. Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 129 Rv rust op Island Rx de bewijslast van de door haar gestelde huurovereenkomst, nu zij de partij is die zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept. Uit de eisen van redelijkheid en billijkheid vloeit in dit geval ook geen andere verdeling van de bewijslast voort. Dat tussen partijen een hechte familie- en vertrouwensband bestaat, zoals Island Rx stelt (en Botica Trupiaal overigens betwist), is geen reden voor een andere bewijslastverdeling. De vaststaande feiten - waaronder dat de meerderheidsaandeelhouder in en directeur van Botica Trupiaal bij brieven van 18 oktober 2004 en 7 februari 2006 namens Botica Trupiaal aan de Inspectie voor Geneesmiddelen heeft geschreven dat Botica Trupiaal met grote waarschijnlijkheid zou verhuizen naar een nieuwbouw pand in de omgeving respectievelijk een pand aan de Katunastraat 3 en dat hij een schets voor de indeling van de apotheek heeft gemaakt - rechtvaardigen evenmin een andere bewijslastverdeling. Reden om op grond daarvan het bewijs voorshands geleverd te achten (hetgeen overigens niet tot een andere bewijslastverdeling zou leiden), ziet het Hof daarin ook niet. Het GEA heeft Island Rx dan ook terecht, overeenkomstig haar bewijsaanbod, toegelaten tot het bewijs dat tussen partijen een huurovereenkomst als gesteld is tot stand gekomen.

4.5. Island RX heeft in de enquête [G.F.] (kleindochter van [E.F.]), [G.F. Sr.] (directeur van Island RX en bode van Botica Trupiaal), [R.A.] (inspecteur voor geneesmiddelen), [G.F. Jr.] (apotheker bij directie volksgezondheid) en [E.E.] (40% aandeelhouder van Botica Trupiaal, vader van [G.F. Sr.]) als getuigen doen horen. Botica Trupiaal heeft in de contra-enquête [C.T.] (tot 29 oktober 2007 meerderheidsaandeelhouder van Botica Trupiaal) als getuige voorgebracht.

4.6. [G.F. Sr] verklaard dat hij destijds met zijn vader en [C.T.] - die gezamenlijk eigenaar waren van Botica Trupiaal - heeft gesproken. Hij heeft hen voorgesteld dat Rx een nieuw bedrijfspand zou bouwen en dat Trupiaal dat zou gaan huren tegen een prijs van Afl. 6.000,- voor de eerste drie jaren. Zij hebben hem nooit een negatief antwoord gegeven en daarom is hij ervan uitgegaan dat zij daarmee instemden. [C.T.] was gedurende de bouw bij het bouwproces betrokken. Hij heeft een plattegrond getekend, die [G.F. Sr.] vervolgens naar de inspectie heeft gebracht. De contacten met de inspectie liepen via [G.R. Sr.]. Toen hij in oktober 2006 tegen [C.T.] zei dat het pand in december 2006 opgeleverd zou kunnen worden, zei [C.T.] dat hij pas zou gaan verhuizen als de vader van [G.F. Sr.] zijn aandelen zou hebben gekocht, aldus zijn verklaring. [E.F.] heeft verklaard dat over een huurovereenkomst tussen partijen al overeenstemming is bereikt bij de aankoop van het land waarop het bedrijfspand is gebouwd. Toen is overeengekomen dat Trupiaal een gedeelte van het nog op te trekken pand zou huren voor dezelfde huurprijs als op dat moment werd betaald. Die afspraak is gemaakt tijdens een bespreking tussen [G.F. Jr.], [C.T.] en hemzelf, zo verklaart hij. [C.T.] heeft verklaard dat Trupiaal noch hijzelf in privé bij de aankoop van het terrein Katunastraat 3 betrokken is geweest. Er heeft wel een gesprek plaatsgevonden tussen [G.F. Jr], [E.F.] en hemzelf. [G.F. Jr.] kwam met het voorstel dat hij een pand zou optrekken op voormeld terrein en dat een deel daarvan als apotheek zou worden ingericht. Zijn voorstel was dat Trupiaal naar dat pand zou verhuizen. [C.T.] heeft geen ja en ook geen nee gezegd op dat voorstel. [E.F.] heeft het voorstel aangehoord en verder zijn mond gehouden. Niet zolang daarna heeft [C.T.] apart met [E.F.] gesproken. [C.T.] vond verplaatsing van Trupiaal van een pand aan de hoofdweg met veel exposure naar een pand achteraf geen goed idee. Daarom wilde hij niet op het voorstel van [G.F. Sr.] ingaan. Toen [E.F.] kort daarna op het voorstel terug kwam, heeft [C.T.] gezegd dat, zolang hij directeur en grootaandeelhouder was, Trupiaal zou blijven waar zij was. Toen [E.F.] er later weer op terugkwam, heeft hij gezegd dat hij zijn aandelen voor 1.8 miljoen florin aanbood en dat [E.F.] dan met Trupiaal kon doen wat hij wilde. Tot deze koop is het echter niet gekomen, zo verklaart hij. De andere getuigen hebben over de gemaakte afspraken niet uit eigen wetenschap kunnen verklaren.

4.7. Op grond van de verklaringen van [G.F. Sr], [E.F.] en [C.T.] kan worden aangenomen dat tussen deze personen een bespreking heeft plaatsgevonden, waarbij [G.F. Sr.] heeft voorgesteld dat Island Rx een bedrijfspand op het terrein aan de Katunastraat 3 zou bouwen en dat Botica Trupiaal dat pand zou gaan huren en naar dat pand zou verhuizen. Uit de verklaringen van [G.F. Sr.] en [C.T.] volgt dat laatstgenoemde noch instemmend, noch afwijzend op het voorstel heeft gereageerd. Aan de verklaring van [E.F.] dat partijen tijdens de bespreking overeenstemming over een huurovereenkomst hebben bereikt, komt minder betekenis toe, nu niet duidelijk is waaruit de getuige dit heeft afgeleid. Over het vervolg van de gebeurtenissen bestaat verder geen onduidelijkheid. Zoals uit de gedingstukken en de diverse getuigenverklaringen blijkt, heeft [C.T.] op verzoek van [G.F. Sr.] een schets voor een in het nieuwe pand te vestigen apotheek gemaakt en bij de reeds genoemde brieven de Inspectie voor Geneesmiddelen geïnformeerd dat Botica Trupiaal met grote waarschijnlijkheid zou verhuizen naar het pand aan de Katunastraat 3. De Inspectie heeft bij brief van 27 november 2006 aan Botica Trupiaal bericht dat zij op 10 november 2006 een controlebezoek had gebracht aan het nieuwe gebouw en dat zij geen bezwaar had tegen de indeling van de ruimtes van de botica. [C.T.] heeft in deze periode voorts de stroomleveringsovereenkomst voor het pand aan de Caya Ernesto Petronia 88C (waar Botica Trupiaal was gevestigd) opgezegd en is namens Botica Trupiaal overeenkomsten voor de aanleg van een veiligheidssysteem ten behoeve van het pand aan de Katunastraat 3 en de aansluiting van kabeltelevisie op dat adres aangegaan. De ver¬huizing is niet doorgegaan, omdat over de overname van de aandelen van [C.T.] in Botica Trupiaal door de familie [G.F.] geen overeenstemming werd bereikt.

4.8. Naar het oordeel van het Hof is, gelet op het voorgaande, geen sprake geweest van verklaringen en/of gedragingen van de zijde van Botica Trupiaal, waaruit Island Rx redelijkerwijs heeft mogen afleiden dat Botica Trupiaal reeds (onvoorwaardelijk) met het voorstel voor de huurovereenkomst had ingestemd. Zoals uit de hiervoor aangehaalde verklaringen blijkt, heeft [C.T.] - degene die naar vaststaat bevoegd was om Botica Trupiaal in deze te vertegenwoordigen - het voorstel nooit uitdrukkelijk aanvaard. Van stilzwijgende aanvaarding kan in de gegeven situatie ook niet worden gesproken. De handelingen van [C.T.], zoals hiervoor beschreven, passen immers ook bij zijn uitleg dat hij slechts de door [G.F.] gewenste verhuizing heeft willen faciliteren voor het geval de onderhandelingen over de overname van zijn aandelen door de familie [G.F.] resultaat zouden hebben, zonder dat hij daarmee zijn standpunt prijsgaf dat, zolang hij meerderheidsaandeelhouder was, er niet werd verhuisd. Die handelingen impliceerden dus ook niet zonder meer dat hij - en daarmee Botica Trupiaal - met het voorstel tot het huren van het nieuwbouwpand had ingestemd, hetgeen ook voor Island Rx (in de persoon van [G.F.]) duidelijk geweest moet zijn. Onder die omstandigheden was het niet aan Botica Trupiaal (c.q. [C.T.]) om Island Rx te laten weten dat Trupiaal slechts zou verhuizen en het pand zou huren indien [E.F.] of zijn familie de aandelen van [C.T.] zou overnemen, maar aan Island Rx om duidelijkheid te vragen aan Botica Trupiaal. Het GEA heeft dan ook terecht geoordeeld dat tussen partijen geen huurovereenkomst is tot stand gekomen, dat Island Rx niet in het bewijs is geslaagd en dat de primaire vordering dus niet toewijsbaar is. Grief 1 faalt.

4.9. Met grief 2 komt Island Rx op tegen de afwijzing van de subsidiaire vordering. Zij stelt dat uit de hiervoor beschreven handelingen van [C.T.] blijkt dat hij er zelf van uitging dat er een koopovereenkomst met [E.F.] tot stand zou komen, waardoor Botica Trupiaal zou verhuizen naar het pand van Island Rx. Zij meent dat zij er onder deze omstandigheden op mocht vertrouwen dat er een huurovereenkomst tot stand zou komen en de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat zij niet de dupe wordt van het niet doorgaan van de aandelenoverdracht tussen [C.T.] en [E.F.].

4.10. Het GEA heeft terecht als maatstaf voor de beoordeling van deze op afgebroken onderhandelingen gebaseerde vordering genomen dat ieder van de onderhandelende partijen - die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen - vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van het vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan (zie HR 12 augustus 2005, NJ 2005, 467).

4.11. Het Hof constateert allereerst dat, zoals uit de vastgestelde feiten blijkt, van daadwerkelijke onderhandelingen tussen partijen volgend op het voorstel van [G.F. Sr.] dat Island Rx een nieuw bedrijfspand zou bouwen en Botica Trupiaal dit zou gaan huren en de stilzwijgende hierop reactie van [C.T.] geen sprake is geweest. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan ook niet worden gezegd dat Botica Trupiaal, door het verdere stilzwijgen van [C.T.] toen Island Rx ging bouwen en zijn mededelingen jegens derden, duidelijk aan het ontstaan van vertrouwen in het tot stand komen van een huurovereenkomst bij Island Rx heeft bijgedragen. Van belang is verder nog dat niet is niet komen vast te staan dat, pas toen Island Rx had bericht dat het nieuwe pand klaar was om door Botica Trupiaal te worden betrokken, [C.T.] te kennen gaf dat eerst overeenstemming over de verkoop van zijn aandelen in Botica Trupiaal moest worden bereikt en daarmee in de eindfase plotseling met een nieuwe voorwaarde kwam waarmee Island Rx geen rekening behoefde te houden. Hoewel Island Rx er een duidelijk belang bij had dat Botica Trupiaal het door haar gebouwde bedrijfspand zou gaan huren, zeker nu zij het pand voor de vestiging van een apotheek geschikt had gemaakt, kan onder deze omstandigheden niet worden gezegd dat het Botica Trupiaal niet meer vrijstond daarvan af te zien. Met het GEA is het Hof daarom van oordeel dat ook de subsidiaire vordering niet toewijsbaar is. Grief 2 treft dus ook geen doel.

4.12. Grief 3 heeft geen zelfstandige betekenis en kan verder onbesproken blijven.

4.13. Island Rx heeft in hoger beroep haar bewijsaanbod herhaald. Zij heeft dit aanbod echter niet nader gepreciseerd en gespecificeerd, met vermelding van de (nader) te bewijzen feiten en te horen getuigen, terwijl dit wel van haar had mogen worden verwacht, zeker nu zij in eerste aanleg al gelegenheid heeft gehad om getuigen te doen horen. Het Hof gaat aan dit aanbod dan ook voorbij.

4.14. De slotsom is dat, nu de grieven ongegrond zijn en het Hof ambtshalve oordelend geen bezwaren heeft, het bestreden eindvonnis moet worden bevestigd. Island Rx zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

BESLISSING:

Het Hof:

- bevestigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt Island Rx in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Botica Trupiaal gevallen en begroot deze kosten tot op heden op Afl. 212,- aan exploitkosten en Afl. 5.100,- aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.R. Sijmonsma, H.L. Wattel en J..P. de Haan, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao uitgesproken op 19 juli 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.