Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BM8224

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
18-06-2010
Zaaknummer
EJ 439/09 – H. 26/10
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Man gaat in beroep tegen de vaststelling van de alimentatieverplichting voor kind. Hof oordeelt dat een redelijke wetstoepassing mede brengt dat wanneer iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit meerdere relaties, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om aan die verplichtingen volledig te voldoen het voor onderhoud beschikbare bedrag tussen die kinderen in beginsel gelijkelijk wordt verdeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienrs. EJ 439/09 – H. 26/10

Uitspraak: 11 mei 2010

BESCHIKKING GEGEVEN DOOR HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

in de zaak van:

[man],

wonende op Curaçao,

oorspronkelijk verweerder, thans appellant,

hierna te noemen: de man,

gemachtigde: R.H. Tuur,

tegen

[moeder],

wonende op Curaçao,

oorspronkelijk verzoekster, thans geïntimeerde,

hierna te noemen: de moeder,

zijnde moeder van [kind],

geboren op [datum] 2007,

hierna te noemen: het kind.

Het verloop van de procedure

1.1. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, (GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in de zaak met EJ nummer 439 van 2009 gegeven en 12 november 2009 uitgesproken beschikking. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd.

1.2. De man is bij verzoekschrift, met producties, ingekomen op 16 december 2009, in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking. Hierin heeft hij zijn hoger beroep toegelicht en geconcludeerd dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen en de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind zal bepalen op NAF. 200,= per maand, subsidiair zal bepalen dat hij de verzorging en opvoeding feitelijk op zich zal nemen, met een omgangsregeling voor de moeder.

1.3. De moeder heeft geen verweerschrift ingediend.

1.4. Op 30 maart 2010 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij verschenen zijn de man, vergezeld van zijn gemachtigde, en de moeder met haar kind. De gemachtigde van de man heeft gepleit aan de hand van een overgelegde pleitnota.

1.5. Partijen hebben om een beschikking gevraagd, waarvan de uitspraak bepaald is op heden.

2. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift.

3. Beoordeling

3.1. Het GEA heeft in de bestreden beschikking de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind gesteld op NAF. 400,= per maand met ingang van 1 december 2009. In eerste aanleg was de man niet verschenen.

3.2. De man heeft in hoger beroep onweersproken aangevoerd voor nog zes andere kinderen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van NAF. 200,= te betalen. Hij draagt ook bij aan boeken en schoolgelden. Er wonen nog twee neefjes bij hem in huis. Hij heeft veel maandelijkse lasten waaronder ca. NAF. 1.000,= aan hypotheeklasten. Zijn netto-inkomen is NAF. 4.388,=.

3.3. Een redelijke wetstoepassing brengt mede dat wanneer iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit meerdere relaties, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om aan die verplichtingen volledig te voldoen het voor onderhoud beschikbare bedrag tussen die kinderen wordt verdeeld, in beginsel gelijkelijk tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte. De rechter moet in een voorliggend geval de bijdrage voor een der kinderen vaststellen op het bedrag waarop hij haar met inachtneming van voormelde maatstaf zou hebben vastgesteld indien hij tegelijkertijd, eveneens met inachtneming van die maatstaf, over wijziging van de andere bijdragen te oordelen zou hebben gehad (HR 13 december 1991, NJ 1992, 178).

3.4. Het voorgaande in aanmerking genomen acht het Hof een bijdrage van NAF. 200,= in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Aan het subsidiaire verzoek van de man komt het Hof niet toe.

3.5. Gelet op de beperkte draagkracht van de moeder kan van haar niet gevergd worden dat zij tot terugbetaling van het eventueel teveel ontvangene als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind over de periode van 1 december 2009 tot heden overgaat. Het Hof zal terzake een voorziening treffen.

3.6. De moeder beklaagt zich erover dat de man het kind niet heeft erkend. Indien zij wenst dat tussen de man en het kind familierechtelijke betrekkingen worden gevestigd, dient zij in een aparte procedure een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap te verzoeken (vergelijk het vonnis van dit Hof van 16 juli 2009, LJN: BJ6235, te raadplegen op www.rechtspraak.nl).

3.7. Gelet op de aard van deze procedure en de verhouding tussen partijen worden de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep gecompenseerd.

4. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de bestreden beschikking, en opnieuw rechtdoende:

- bepaalt de door de man ingaande 1 december 2009 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind op NAF. 200,= per maand, bij vooruitbetaling te voldoen aan de Voogdijraad op Curaçao (Raad voor het Welzijn van het Kind), met dien verstande dat voor zover de man over de periode van 1 december 2009 tot heden meer heeft betaald of op hem is verhaald, de bijdrage wordt bepaald op hetgeen hij heeft betaald of op hem is verhaald;

- verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders verzochte;

- compenseert de kosten van deze procedure in zoverre dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, H.L. Wattel en J.P. de Haan, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 mei 2010 op Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.