Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BM8134

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
25-05-2010
Datum publicatie
17-06-2010
Zaaknummer
H 269/2009
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof bevestigt uitspraak van het GEA. Er is geen sprake van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten dat hij als medepleger kan worden aangemerkt. Wel medeplichtigheid aan diefstal met geweld, de dood ten gevolge hebbend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 25 mei 2010

Zaaknummer: H 269/2009

Parketnummer: 100.00404/09

Tegenspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

VONNIS

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, van 23 december 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] 1979 op Sint Maarten,

wonende op Sint Maarten, [adres].

<u>Procesgang en onderzoek van de zaak </u>

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 18 september 2009 en 14 december 2009, zoals daarvan blijkt uit de processen-verbaal van die terechtzittingen, alsmede van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 5 en 6 mei 2010 op Sint Maarten.

Het Hof heeft kennis genomen van de vordering van de (waarnemend) procureur-generaal, mr. A.C. van der Schans, en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. J.G. Bloem naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof aan de verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde feit een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van zeven jaar, met aftrek van voorarrest. De procureur-generaal heeft voorts geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met hoofdelijke veroordeling van de verdachte tot betaling van het gevorderde bedrag.

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het uiterst subsidiair tenlastegelegde (medeplichtigheid aan diefstal met geweld, de dood ten gevolge hebbend) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, waarvan twee jaren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest. Voorts is de verdachte hoofdelijk veroordeeld tot betaling van USD 9.225,- en NAF 6.207,75 aan de benadeelde partij [benadeelde partij] en tot vergoeding van de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Zowel de verdachte als de officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld.

<u>Tenlastelegging</u>

Aan de verdachte is ten laste gelegd:…

<u>Vonnis waarvan beroep</u>

Het vonnis waarvan beroep zal, onder aanvulling van gronden en behoudens de bewijsmiddelen, worden bevestigd, omdat het Hof zich daarmee verenigt.

<u>Motivering vrijspraak </u>

Evenals het Gerecht acht het Hof niet wettig en overtuigen bewezen hetgeen aan de verdachte primair, subsidiair en meer subsidiair is tenlastegelegd, zodat het zich verenigt met de te dien aanzien gegeven vrijspraak. Ter toelichting dient het volgende.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op verzoek van medeverdachte [medeverdachte] (“[medeverdachte]”) iemand heeft gezocht die bereid zou zijn medewerking te verlenen aan de geplande beroving van [slachtoffer] en een auto heeft geregeld voor het vervoer naar de plaats waar de beroving zou plaatsvinden. Ook is hij bij de ontmoeting bij de Funeral Home geweest, waar de verdere uitvoering van het plan is besproken, al blijkt niet dat hij bij dit overleg verder inbreng heeft gehad. Aan de uitvoering van de beroving zelf, waarbij [slachtoffer] om het leven is gekomen, heeft hij niet deelgenomen.

Wel heeft hij achteraf gedeeld in de buit.

Duidelijk is dat zijn opzet niet, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van het slachtoffer was gericht. Gelet daarop is niet bewezen dat hij zich aan het medeplegen van (gekwalificeerde) doodslag, zoals primair tenlastegelegd, schuldig heeft gemaakt. Hoewel hij bij de voorbereiding van de beroving wel een actieve rol heeft gespeeld, kan gelet op het geheel der gebeurtenissen ook niet worden gezegd dat sprake was van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten bij het plegen van dit feit, dat hij als medepleger daarvan kan worden aangemerkt. Het subsidiair tenlastegelegde is dus evenmin bewezen. Nu het opzet van verdachte niet op de dood van het slachtoffer was gericht, kan medeplichtigheid aan (gekwalificeerde) doodslag, zoals meer subsidiair tenlastegelegd, tenslotte ook niet worden bewezen.

<u>Bewijsmiddelen</u>

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de navolgende bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

1. Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 17 augustus 2009 gesloten en getekend door J.W. Vlaun, brigadier bij het Korps Politie Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius, standplaats Sint Maarten, voor zover inhoudende, als <u>relaas van de verbalisant</u>, - zakelijk weergegeven -:

Op 1 mei 2009, omstreeks 17.15 uur, kwam de melding binnen bij de wachtcommandant dat op [adres] bij perceel nummer 23 een man was neergeschoten en dat de man zwaar gewond was. Onmiddellijk na het ontvangen van dit bericht begaf een eenheid van het Team Zware Criminaliteit Bestrijding zich ter plekke. Ter plaatse trof de patrouille een man aan, knielend voorover gebogen met zijn gezicht in de stoel. Hij had een schotwond in zijn nek. Tevens had de man een zeer zwakke polsslag. In zorgwekkende toestand werd het slachtoffer door de ambulancedienst naar Sint Maarten Medical Center afgevoerd. Diezelfde dag, omstreeks 18.40 uur, constateerde dr. Bekle de dood van bedoelde man, die in leven bleek te zijn genaamd: [slachtoffer], geboren op Curaçao op [datum] 1982.

2. Een geschrift, te weten een rapport van het Analytisch Diagnostisch Centrum B.V., opgemaakt en ondertekend door de patholoog G.D. Zielinski, betreffende een op 9 mei 2009 verrichtte <u>obductie</u> van [slachtoffer], overleden op 1 mei 2009, voor zover inhoudende, - zakelijk weergegeven -:

Bij de sectie op [slachtoffer], geboren [datum] 1982 is het navolgende gebleken:

A. Het was het lichaam van een man. Op het lichaam waren er meerdere inschoten.

1. Er waren drie inschoten aan de achterzijde van de hals, met beschadiging van de weke delen in de hals en perforatie van de hersenen. Twee projectielen werden aangetroffen in de weke delen van de hals en de andere in het hersenweefsel.

Schotrichting van de drie projectielen: schuin omhoog en een beetje van links naar rechts.

2. (…)

B. (Microscopie): De bloedingen en/of afsterving in de hersenen kunnen verklaard worden door de hierboven genoemde schotwonden. De afwijkingen in het longweefsel kunnen verklaard worden door kneuzing van het weefsel in de hals en luchtwegen waardoor bloed en vocht in de luchtpijptakken, en vervolgens in de longblaasjes is gekomen.

C. Aan de overige organen waren er geen ziekelijke orgaan afwijkingen van betekenis van het overlijden.

D. (Toxicologie): (…) Aan de hand van de gevonden resultaten in het toxicologisch onderzoek kan niet geconcludeerd worden dat er een toxicologische bijdrage is geweest voor het verklaren van de dood.

(…)

Conclusie:

[slachtoffe], 26 jaar oud geworden, is overleden als gevolg van weefselschade en bloedverlies door meervoudige schotletsels.

3. Een proces-verbaal van technisch onderzoek, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 14 september 2009 gesloten en getekend door W.S. Schoop, brigadier bij het Korps Politie Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius, standplaats Sint Maarten, voor zover inhoudende, als <u>relaas van verbalisant</u>, - zakelijk weergegeven -:

Naar aanleiding van de melding op 1 mei 2009 dat iemand was neergeschoten in perceel [adres] is technisch onderzoek ingesteld. Op 9 mei 2009 is een gerechtelijke sectie gehouden op het lichaam van het slachtoffer, [slachtoffer]. De volgende items werden naar het Nederlands Forensisch Instituut verzonden voor het doen van DNA-, schotresten en munitieonderzoek: (…) het t-shirt dat het slachtoffer aan had.

4. Een geschrift, te weten een <u>deskundigenrapport</u> van het Nederlands Forensisch Instituut, door ing. R.C. Roepnarain opgemaakt op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige en ondertekend op 13 augustus 2009, voor zover inhoudende, - zakelijk weergegeven -:

In het T-shirt dat het slachtoffer [slachtoffer] aan had zijn drie beschadigingen aangetroffen. Deze bevinden zich aan de achterzijde van het T-shirt ter hoogte van de nek en zijn vrijwel zekere inschotbeschadigingen. Gezien de sporen, aangetroffen bij de proefschotenserie, passen de afmetingen van de op loodhoudend materiaal wijzende verkleuringen, de mate van aanwezigheid van beroeting en de hoeveelheid aangetroffen nitrocellulosekruitdeeltjes rond de beschadigingen in het T-shirt bij een schootsafstand tussen 0 en 25 centimeter.

5. Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 3 juni 2009 gesloten en getekend door T.T. Strickx en J.W. Vlaun, beiden brigadier bij het Korps Politie Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius, standplaats Sint Maarten, voor zover inhoudende, als <u>verklaring van [L.W.]</u>, - zakelijk weergegeven -:

On the day [slachtoffer] was shot I was with [R.]. (…) [slachtoffer] called me about the marihuana that I was supposed to buy from him. (…) I arrived at the house where [slachtoffer] was staying in Belvedere. [slachtoffer] came at the drivers side of the car where I was. I gave [slachtoffer] 20 dollars and he gave me the weed. [slachtoffer] asked me if I know anybody who have “the white thing”. He meant cocaine. (…) I told him that I would check and let him know. (…) [R] and I did some errands and then I went by [mededader] where he lives at Over the Bank. (…) When I was there I asked [mededader] if he had anything. (…) When we came back, [mededader] spoke to me and said that he had 2 thing. (…) I can remember [mededader] telling me that [M.] is going along with me. [mededader] then said to meet him with [M] by the funeral home in Suckergarden. I left with [R.] and [M.] in the car. I drove to the funeral home. [mededader] meet us there driving his red Hyundai Accent. [mededader] left Over the Bank before us and was by the funeral home before also. I think I got out of the car. [mededader] said to [M.] that he had to get into a black Yaris that was parked there. [M.] got out of my car and had the black plastic bag in his hand. He then stepped in the car in the passenger front seat. (…) I said to [M.] to meet me at the Tel-Em building in Belvedere to pick up [slachtoffer]. I drove off from there before they did. I then drove to Belvedere to pick up [slachtoffer]. I told [slachtoffer] that I can’t go with him by Glen house, because I have things to do with [R.]. I told [slachtoffer] that the guys were to meet us by Tel-Em. When we got there the black Yaris was waiting at the parking lot from Tel-Em. Before [slachtoffer] came out of the car, the driver of the black Yaris put his window down halfway. [slachtoffer] then saw who it was driving. I saw [M.] in the car and then told him that he knows [M.]. He told me then yes. He got out of the car. (…) The black car drove in the direction of Dutch Quarter and we drove off. (…) [mededader] called me later. (…) He said to come for him. (…) After we picked up [mededader] and the Jamaican guy, he still did not tell me what happened. All he said is to drive to Madame Estate. (…) [mededader] told me to stop at a house. (…) When I got in front of the house, I knew who lives there. I know this guy his name is [J.]. (…) I went inside the house and I saw [J.], a guy who I know by seeing him and [T.M.] in the house. (…) Inside the house [mededader] told me [slachtoffer] is dead. [mededader] also told me that [M.] also got shot and he showed me [M.]. (…) I saw a lot of money on a table in the kitchen. [J.] gave me US$ 2000,-.

6. Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 13 juni 2009 gesloten en getekend door L.R. Rombley, brigadier bij het Korps Politie Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius, standplaats Sint Maarten, voor zover inhoudende, als <u>verklaring van [J.]</u>, - zakelijk weergegeven -:

On the day of the incident [L.] and [R.] came by me. [L.] told me that he had someone that needed two bricks. [L.] asked me to make two false bricks for him. I knew that something would be going down in the sense of robbing the money from the person who wants to buy the bricks. (…) I called [verdachte] asking him to come and check me. (…) A while after calling [verdachte] arrived in my yard. (…) I told [verdachte] that [L.] has a deal to go down for two bricks (two kilo’s) and he wants to know if he can get a car to use. [verdachte] said a car wouldn’t be a problem. [verdachte] left and went to check about the car. In the meantime [L.] and [R.] came back for a second time. In their presence I prepared the two false bricks. (…) I phoned [verdachte] to see how far he was with the car. He asked me to meet him behind of the Funeral Home in Sucker Garden. I told this to [L.]. I jumped in my car and drove to the Funeral Home. [L.] followed behind. Upon reaching the Funeral Home I met [verdachte], [T.M.] and a Spanish guy. The man [H.] was also just arriving in the black Toyota Yaris. [L.], [R.] and [M.] had also arrived in the blue Hyundai Elantra. At the back of the Funeral Home there was a discussion between [verdachte], [T.M.], [L.], [M.], the Spanish guy and myself. [L.] had received a call on his cellphone and I heard him saying “I am on my way”. [L.] said he was going to pick up [slachtoffer] now in Belvedere and had asked [M.] and the Spanish guy to follow him and to wait at Telem in Belvedere. After all was agreed upon, [L.] drove off together with [R.] in the blue car followed by [M.] and the Spanish guy in the black Yaris going in the direction of Sucker Garden. (…) I received a call from [T.M.] . He said to me to come by [verdachte]’s house. I immediately called [L.] and told him that my car was blocked in. [L.] picked us up. We drove directly to [verdachte]’s house. [verdachte] said to us the man, [slachtoffer], get kill. Inside the house [verdachte] said you all partner got shot also. I then saw [M.] sitting in the kitchen, with his right hand wrapped up in a cloth. He was bleeding. (…) I saw several stacks of money placed out on the diningroom table. I got 2000,- dollars for myself. Basically everybody got money, including [verdachte], [T.M.], [L.], [H.], [M.], the Spanish guy and myself.

7. Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 11 juni 2009 gesloten en getekend door L.G. Richardson en T.T. Strickx, beiden brigadier bij het Korps Politie Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius, standplaats Sint Maarten, voor zover in¬hou¬dende, als <u>verklaring van [verdachte]</u>, - zakelijk weergegeven -:

If I am not mistaken the day of the second parade [mededader] called me. (…) When [mededader] called me he told me that he has a job for me. I did not want to talk over the phone, because I know it was a job concerning drugs. I told [mededader] that I was coming by him at his home. (…) [mededader] told me that some people want to buy 2 or 3 bricks and they have money. With 2 or 3 bricks he meant 2 or 3 kilo’s of cocaine. [mededader] wanted me to rob the money. I know that [mededader] did not have the real cocaine, so he would make fake bricks. I asked [mededader] who was the person that he wanted me to rob the money from. [mededader] told me [slachtoffer]. When he told that it was [slachtoffer], I told him no. I told him that I was not going to rob [slachtoffer], because I know him. I do not rob local boys. When I told [mededader] that I was not going to do that job, he told me that he had someone to do it, but he needed somebody else to assist in the rip deal. Then [mededader] asked me if I have anybody to assist him. He wanted a Spanish guy. I told [mededader] that I was going to try to see if I get somebody for him. I decided to go and get a Spanish guy who I know by the name of [S.]. I went in the area of Francis bar where I know where [S.] hangs out. I met [S.] at a bar. (…) I explained [S.] that somebody offers me a job, but I cannot do it and if he wants to do the job and they wanted a Spanish face. I told him that the only thing he had to do is to show his face so that [slachtoffer] could believe that he [S.] is the one who is selling the drugs. [S.] agreed to it. (…) I called [mededader] and I told him that I have someone. I told [mededader] to meet me behind the “Royal Funeral Home” in Sucker Garden. [S.] stepped into the car with us ([T.M.], [H.] and me). [T.M.] drove to the Funeral Home at Sucker Garden. (…) [mededader] came with his car. A few minutes after [L.] came with a few guys in his car. I introduced [S.] to [mededader]. (…) [mededader] told me that they needed a car to meet [slachtoffer]. Before we reached to the Funeral Home we picked up a black rental car belonging to [H.]. [H.] followed me with this car behind the funeral home. I told [mededader] that he could use the rental car that [H.] had. Then [S.] and [M.] got inside the black rental. [S.] was the driver. [L.] drove off first and [S.] followed. (…) [H.], [T.M.] and I drove to my house. Later [S.] called me and told me that he needed to see me. I explained him the directions to reach my house. I saw [S.] and [M.] in the black vehicle. I saw that [M.] was in pain. [S.] went to get peroxide for the wound of [M.]. [M.] followed me inside my house. [S.] came inside also. I called [mededader] and told him please to come and get [M.]. [mededader] came inside my house. [T.M.], [H.] and I got money.

8. Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 27 mei 2009 gesloten en getekend door T.T. Strickx voornoemd, voor zover in¬hou¬dende, als <u>verklaring van [A.H.]</u>, - zakelijk weergegeven -:

When I reached at my house I saw a man stepping out of the car behind of [slachtoffer]. (…) [slachtoffer] told me I must not worry because the man is his friend and that the man insists to come along. I went for the money in my bedroom. The money was in a black plastic sack. I gave [slachtoffer] the plastic sack containing the money. The man, who came out of the car with [slachtoffer], stood at the door. The man had a plastic bag with a shoebox in it. I assumed that the drugs were in the shoebox. [slachtoffer] kneeled down by a small single sofa in the living room, to count the money. Before [slachtoffer] started to count the money, [slachtoffer] called the man who was standing at my front door to come inside so that they can do their thing. (…) [slachtoffer] turns around to start counting the money. When the man saw the money on the chair, he pulled out his gun and rushed up behind of [slachtoffer]. The man rests the nozzle of the gun on the back of [slachtoffer]’s neck. The man said to [slachtoffer]: “Don’t move, don’t try nothing. Give me that”. Meanwhile the man was saying that to [slachtoffer], he leaned over to pick up the money from the chair. At that time I was standing at the doorway of the front door. When I saw what was going on, I ran out the doorway, jump off the steps of the front porch of my house. (…) When I passed the kitchen window of my house I could still hear the man inside the house saying “Don’t try nothing, don’t try nothing”. When I reached the washroom located at the back of my house I hear a gun shot, second after I hear two shots behind each other. When I look at the car that was parket on the open space next to my house, I saw a man with light brown complexion with a gun in his hand. (…) I went on the step on the front porch of my house and I look inside my house. I saw [slachtoffer] leaning over on the chair. I saw that he had a gun shot on the back of his neck.

9. Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 30 juni 2009 gesloten en getekend door L.R. Rombley voornoemd, voor zover in¬hou¬dende, als <u>verklaring van [J.V.]</u>, - zakelijk weergegeven -:

On that particular day I was sitting at Francis Bar. (…) I received a call on my cell phone. I can’t remember whether it was [verdachte], who I call [verdachte] or [H.] that called me. When I received the call I was asked where I was. I told the caller that I was at Francis Bar. I was told over the phone that they have to pick up 6 things; with 6 things the caller meant six kilos of cocaine or what we call bricks. I told the caller toe come and get me. Within five to ten minutes [verdachte], [H.] and [T.M.] arrived at Francis Bar. (…) I was told by [verdachte] that there is a guy who wants to buy two brick but that he has the money for six. [verdachte] told me all that we had to do was to take the money, meaning to rob the guy of his money. (…) Upon reaching the Funeral Home I saw all these vehicles arriving. (…) What I could recall, these are the persons who were there: [mededader], [M.], [L.], [verdachte], [H.], [T.M.] and myself. (…) At the back of the Funeral home there was a sort of meeting taken place between these guys that I mentioned. (…) During the conversation I heard either [mededader] or [L.] say that you have to watch out with the guy because he is always strapped, meaning he always have his gun on him. (…) Someone went to the black car, got the gun and gave it to me. I was told then by one of the guys to get in the black car whereby I got in the drivers seat. I believe [mededader] told the guy [M.] to get into the black car with me. The blue car driven by [L.] drove off in the direction of Sucker Garden and I followed in the black car together with [M.]. [L.] drove straight to Belvedere whereby I followed. When we got to the entrance of Belvedere, [L.] asked me to wait at the building of the housing foundation. [L.] continued into Belvedere whereby he returned in less than five minutes with the guy [slachtoffer]. (…) [slachtoffer] got into the car with us, being [M.] and me. (…) After I stopped the car on the side of [G.]’s house I saw [G.] standing in the door. After [G.] saw the car arrived he went into the house. [slachtoffer] got out of the car quickly. I said to [M.] that I know this dude, meaning [G.]. [M.] then asked me what he must do, if he should take the bricks. (…) [M.] then got out of the car. He was kind of hesitating but then he took the bricks and went into the house. The door was closed after [M.] went into the house. I remained in the car. I saw [G.] come out of the house. (…) [G.] jumped over the fence. At about this time I was hearing a voice in the house saying “Stay down, stay down”. It was then that I heard two shots. (…) I fired a shot through the window and then another shot in the air. At this time [M.] was already coming out of the house. I saw that [M.] was bleeding. [M.] got into the car and then got back out to pick up some money that had fallen by the gate. After getting back into the car I asked [M.] if he had the money and he said yes. [M.] then told me he got shot. I asked [M.] where is the other partner, meaning [slachtoffer]. [M.] said “the man gone”.(…) [M.] told me lets go and I drove off. I found the house of [verdachte]. (…) Both [M.] and I got out of the car and went into the house. I then said to [T.M.], [H.] and [verdachte] that I am going and I left. (…) I returned and brought a bottle of peroxide. (…). [verdacdachte] gave me some money. After I left the house I count the money and saw that it was 2.100,- or 2.200,- dollars.

10. Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 13 mei 2009 gesloten en getekend door L.R. Rombley en T.T. Strickx voornoemd, voor zover in¬hou¬dende, als <u>verklaring van [M]</u>, - zakelijk weergegeven -:

On the day of the shooting [L.] was the one that provided the information to the man [mededader], living over the Bank about the drugdeal that had to go between [slachtoffer] and the man [G.]. Just before the Carnival Parade was about to pass, [mededader] told me that he had a move for me to make. (…) [mededader] told me that I was to rob the money when the deal was going down. [L.] was also aware of the plan.

I had the gun in my pocket. After dropping me off at the entrance of 911, [L.] went and picked up [slachtoffer]. They were back in five minutes. In the house when [slachtoffer] was counting the money I stepped up behind him and pulled out the gun with my left hand. I pointed the gun at [slachtoffer]’s head and demanded that he gave me the money. During this action [slachtoffer] manage to pull out a gun and shoot me. How it happened I can’t explain but I then shot [slachtoffer] twice behind his head. [G.] who was also in the house at the time ran outside. After shooting [slachtoffer] I grabbed some of the money and ran out. (…) When leaving the house I only grabbed what I could of the money.

BESLISSING

Het Hof:

bevestigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, van 23 december 2009, behoudens ten aanzien van de bewijsmiddelen en onder aanvulling van gronden.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.L. Wattel, J.R. Sijmonsma en P.E. de Kort, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao uitgesproken op 25 mei 2010.