Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BM7498

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
20-05-2010
Datum publicatie
14-06-2010
Zaaknummer
H 244/2009
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich met mededaders meermalen schuldig gemaakt aan de grootschalige invoer van drugs d.m.v. aanlandingen op de kust van Curaçao. Hij had een organiserende rol hierbij. Hij krijgt 6 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 20 mei 2010

Zaaknummer: H 244/2009

Parketnummer: 500.00919/09

Tegenspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

VONNIS

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 23 december 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] 1978 op Curaçao,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring op Curaçao.

<u>Procesgang en onderzoek van de zaak </u>

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 27 november 2009 en 2 december 2009, zoals daarvan blijkt uit de processen-verbaal van die terechtzittingen, alsmede van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 29 april 2010 op Curaçao.

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 8 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van voorarrest. Tevens heeft de eerste rechter beslist over inbeslaggenomen voorwerpen.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Het Hof heeft kennis genomen van de vordering van de (waarnemend) procureur-generaal, mr. A.C. van der Schans, en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. M.C. Vaders naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte ter zake van de feiten 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van zeven jaren met aftrek van voorarrest en dat over de inbeslaggenomen voorwerpen wordt beslist zoals in eerste aanleg.

<u>Omvang hoger beroep</u>

Nu alleen de verdachte hoger beroep heeft ingesteld, is het vonnis waarvan beroep uitsluitend aan beoordeling in hoger beroep onderworpen voor zover het betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde.

<u>Tenlastelegging</u>

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep aan de orde, ten laste gelegd:…

<u>Vonnis waarvan beroep</u>

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het Hof tot andere beslissingen komt.

<u>Vrijspraak </u>

Het Hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 5 en 6 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Ter toelichting daarvan dient het volgende. Het Hof acht het onder 5 tenlastegelegde niet bewezen, omdat het Hof aan de hand van de tapverslagen uit de betreffende periode niet wettig bewezen acht hetgeen is tenlastgelegd, terwijl van overig relevant bewijsmateriaal niet is gebleken. Uit deze tapverslagen kan worden afgeleid dat de verdachte betrokken is bij onderhandelingen, maar onvoldoende duidelijk is of deze onderhandelingen betrekking hebben op cocaïne en, zo ja, om welke hoeveelheid cocaïne het gaat. Niet kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk cocaïne is ingevoerd, en evenmin dat deze hier te lande is vervoerd, in bezit of aanwezig is geweest. Het Hof acht het onder 6 tenlastegelegde niet bewezen, omdat er onvoldoende concrete aanwijzingen zijn dat op of omstreeks de bewuste dag ongeveer een kilo cocaïne is verkocht en/of afgeleverd. Daarbij is van belang dat bij de huiszoeking op het adres Kaya Mochilla 26, die betrekkelijk kort nadat de verdachte op dat adres was geweest om, aldus de tenlastelegging, de cocaïne af te leveren heeft plaatsgevonden, bedoelde kilo cocaïne niet is aangetroffen.

<u>Bewezenverklaring</u>

Het Hof acht bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3, 4 en 7 is ten laste gelegd, met dien verstande:

1.

dat hij op of omstreeks 4 of 5 november 2008 op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft ingevoerd (daaronder mede begrepen “invoer” in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 1960), een hoeveelheid cocaïne;

2.

dat hij op of omstreeks 27 november 2008 op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) opzettelijk ter voorbereiding van een feit als bedoeld in artikel 3, eerste lid onderdeel A te weten de invoer van cocaïne, een ander heeft getracht te bewegen om <i>bij dat feit</i> behulpzaam te zijn en zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, hebbende hij, verdachte, en zijn mededaders daartoe/daarover telefoongesprekken gevoerd en afspraken gemaakt met en informatie verstrekt aan mededaders;

3.

dat hij op of omstreeks 29 november 2008, op het eiland Curaçao, althans in de territoriale zee van de Nederlandse Antillen rond het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft ingevoerd 114 pakken met een gewicht van ongeveer 109 kg cocaïne;

4.

dat hij op of omstreeks 10 of 11 januari 2009, op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft ingevoerd ongeveer 148 kg cocaïne;

7.

dat hij in of omstreeks de periode 5 augustus 2009 tot en met 7 augustus 2009, op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk in zijn bezit en aanwezig heeft gehad 4015 gram cocaïne;.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd (<i>cursief</i>). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

<u>Bewijsmiddelen</u>

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in geval van cassatie in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

<u>Bewijsoverwegingen</u>

Het Hof acht feit 3 (de invoer van ongeveer 109 kilo cocaïne op of omstreeks 29 november 2008) en feit 4 (de invoer van ongeveer 148 kilo cocaïne op of omstreeks 10 of 11 januari 2009) bewezen mede gelet op de tapverslagen van de telefoongesprekken van de verdachte. In beide gevallen is de cocaïne ook in beslag genomen. Naar het oordeel van het Hof kan het niet anders zijn dan dat de verdachte ook betrokken was op of omstreeks 4 en 5 november 2008 bij de invoer van cocaïne (feit 1) en op of omstreeks 27 november 2008 bij de voorbereiding van de invoer van cocaïne (feit 2), waarbij de cocaïne in beide gevallen niet in beslag is genomen. Bij dit oordeel heeft het Hof mede in aanmerking genomen de overeenkomsten naar aard en inhoud tussen de voor het bewijs van feit 3 en feit 4 gebruikte telefoongesprekken van de verdachte en de telefoongesprekken van de verdachte ter zake van feit 1 en feit 2. Van belang is ook dat de gesprekspartners van de verdachte bij deze gesprekken overwegend dezelfde zijn. Voorts gaat het hier om soortgelijke feiten die in een vergelijkbare context plaatsvonden, te weten de (voorbereiding van) invoer van cocaïne door middel van aanlandingen op de kust van Curaçao. Niet aannemelijk is geworden dat de telefoongesprekken van de verdachte niet betrekking hebben op de invoer van cocaïne, maar in plaats daarvan, zoals de verdachte naar voren heeft gebracht, op geldhandel.

<u>Strafbaarheid van het bewezenverklaarde</u>

Het bewezenverklaarde levert op:

1

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onderdeel A, van de Opiumlandsverordening 1960,

strafbaar gesteld bij artikel 11, eerste lid, van deze landsverordening in verbinding met artikel 49 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen;

2

medeplegen van een feit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel A, van de Opiumlandsverordening 1960, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn en zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen,

strafbaar gesteld bij artikel 11a, onder a en onder b, van deze landsverordening in verbinding met artikel 49 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen;

3

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onderdeel A, van de Opiumlandsverordening 1960,

strafbaar gesteld bij artikel 11, eerste lid, van deze landsverordening in verbinding met artikel 49 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen;

4

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onderdeel A, van de Opiumlandsverordening 1960,

strafbaar gesteld bij artikel 11, eerste lid, van deze landsverordening in verbinding met artikel 49 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen;

7.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onderdeel C, van de Opiumlandsverordening 1960,

strafbaar gesteld bij artikel 11, eerste lid, van deze landsverordening in verbinding met artikel 49 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen.

Het bewezenverklaarde is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

<u>Strafbaarheid van de verdachte</u>

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

<u>Oplegging van straf</u>

Bij de bepaling van de straf heeft het Hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Meer in het bijzonder heeft het Hof daarbij het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich met mededaders meermalen schuldig gemaakt aan de grootschalige invoer van cocaïne door middel van aanlandingen op de kust van Curaçao. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen daartoe. De verdachte had bij deze feiten een organiserende rol. Voorts heeft hij zich schuldig gemaakt aan het bezit van ruim vier kilo cocaïne die op de dag van zijn aanhouding is aangetroffen. Door aldus betrokken te zijn bij de internationale handel in cocaïne heeft de verdachte ernstige feiten gepleegd. Het gebruik van cocaïne, waarop de handel in cocaïne is gericht, is schadelijk voor de volksgezondheid. Ook brengt de handel in cocaïne andere vormen van criminaliteit met zich. Door het gebruik van en de handel in cocaïne wordt de samenleving schade berokkend. In het voordeel van de verdachte houdt het Hof er rekening mee dat hij feit 7 ter terechtzitting in hoger beroep heeft bekend en er daarbij blijk van heeft gegeven inzicht te hebben in het feit dat hij fout heeft gehandeld.

Op grond van het voorgaande acht het Hof na te melden straf passend en geboden. Met een andere of lichtere straf zou de ernst van de gepleegde feiten worden miskend.

<u>Inbeslaggenomen voorwerpen</u>

De inbeslaggenomen tas “Lacoste” inhoudende 4 zakken met geld ad ANG 5.835,50 en USD 94,- dient te worden verbeurd verklaard, omdat het voorwerpen betreft die door misdrijf zijn verkregen.

De inbeslaggenomen plastic zak inhoudende divers vuurwerk, kartonnen doos inhoudende 18 stuks Lifesmoke MK3 klein en 20 Hand Flare Red MK 7, kartonnen doos bevattende 11 lifesmoke MK 3 groot en luchtdrukgeweer van het merk Sheridan met serienummer WI.53403 dienen te worden onttrokken aan het verkeer, omdat deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen 3 telefoons, paspoort ten name van verdachte, RBTT opnamebewijs, aankoopnota zeekaart, sleutelbos en papiertjes met telefoonnummers zal de teruggave worden gelast aan de verdachte, nu het Hof geen aanleiding ziet de verbeurdverklaring van deze voorwerpen als bijkomende straf op te leggen, voor zover die daar al vatbaar voor zijn.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen Mitsubishi Lancer F 91-22 zal de teruggave worden gelast aan de eigenaar van die auto [eigenaar], geboren op [datum] 1980 op Curaçao, wonende op Curaçao, [adres], nu het Hof geen aanleiding ziet de verbeurdverklaring van dit voorwerp als bijkomende straf op te leggen, voor zover dat daar al vatbaar voor is.

Ten aanzien van het inbeslaggenomen geld ad ANG 5.621,50 zal de teruggave worden gelast aan de eigenaar van dit geld de (voormalige) werkgever van de verdachte Wever Marine & Agency Services, gevestigd op Curaçao, Gosieweg 34, unit 6, nu het Hof geen aanleiding ziet de verbeurdverklaring van dat geld als bijkomende straf op te leggen, voor zover dat daar al vatbaar voor is.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen semi-automatisch enkelloop jachtgeweer, merk Harrington & Richardson (440), serienummer 90075, kaliber .16, en 13 bijbehorende scherpe patronen kaliber 16 Saga zal de teruggave worden gelast aan de eigenaar van dat wapen [eigenaar], geboren op [datum] 1983 op Curaçao, wonende op Curaçao, [adres], nu ten aanzien van deze voorwerpen niet is gebleken van enig misdrijf.

Met inachtneming van artikel 397 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering acht het Hof zich niet in staat te beslissen omtrent de inbeslaggenomen zak met geld ad ANG 2.064 en USD 2,-.

<u>Toepasselijke wettelijke voorschriften</u>

De op te leggen straffen en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 31, 35, 38b, 38d, 58, 59 en 96 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 23 december 2009 voor zover aan hoger beroep onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 5 en 6 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 7 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) jaren;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

verklaart verbeurd de inbeslaggenomen tas “Lacoste” inhoudende 4 zakken met geld ad ANG 5.835,50 en USD 94,-;

gelast onttrekking aan het verkeer van een plastic zak inhoudende divers vuurwerk, een kartonnen doos inhoudende 18 stuks Lifesmoke MK3 klein en 20 Hand Flare Red MK 7, een kartonnen doos bevattende 11 lifesmoke MK 3 groot en een luchtdrukgeweer van het merk Sheridan met serienummer WI.53403;

gelast de teruggave van 3 telefoons, paspoort ten name van verdachte, RBTT opnamebewijs, aankoopnota zeekaart, sleutelbos en papiertjes met telefoonnummers aan de verdachte;

gelast de teruggave van de inbeslaggenomen Mitsubishi Lancer F 91-22 aan [eigenaar], geboren op [datum] 1980 op Curaçao, wonende op Curaçao, [adres];

gelast de teruggave van het inbeslaggenomen geld ad ANG 5.621,50 aan Wever Marine & Agency Services, gevestigd op Curaçao, Gosieweg 34, unit 6;

gelast de teruggave van de inbeslaggenomen semi-automatisch enkelloop jachtgeweer, merk Harrington & Richardson (440), serienummer 90075, kaliber .16, en 13 bijbehorende scherpe patronen kaliber 16 Saga aan [eigenaar], geboren op [datum] 1983 op Curaçao, wonende op Curaçao, [adres];

verklaart zich niet in staat te beslissen omtrent de inbeslaggenomen zak met geld ad ANG 2.064 en USD 2,-.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.L. Wattel, J.R. Sijmonsma en J.P. de Haan, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao uitgesproken op 20 mei 2010.