Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BM7488

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
20-05-2010
Datum publicatie
14-06-2010
Zaaknummer
H 13/2010
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft ontuchtige handelingen verricht met minderjarige die aan de zorg van verdachte was toevertrouwd. Ook heeft verdachte teweeggebracht en bevorderd dat slachtoffer met anderen ontucht heeft gepleegd. Volgens rapport van de psycholoog is de kans op recidive hoger dan gemiddeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 20 mei 2010

Zaaknummer: H 13/2010

Parketnummer: 500.00742/09

Tegenspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

VONNIS

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 23 oktober 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] 1988 op Curaçao,

wonende op Curaçao.

<u>Procesgang en onderzoek van de zaak </u>

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 2 oktober 2009, zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal van die terechtzitting, alsmede van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 29 april 2010 op Curaçao.

Het Hof heeft kennis genomen van de vordering van de (waarnemend) procureur-generaal, mr. A.C. van der Schans, en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. A.W.P. Eustatius naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van feit 2 zal vrijspreken en aan de verdachte ter zake van feit 1 primair een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest.

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair cumulatief/alternatief tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld.

<u>Tenlastelegging</u>

Aan de verdachte is, met inachtneming van de in eerste aanleg gevorderde en toegewezen wijziging, ten laste gelegd:…

<u>Vonnis waarvan beroep</u>

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het Hof tot andere beslissingen komt.

<u>Vrijspraak </u>

Het Hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Ter toelichting daarvan dient het volgende.

Voor wat betreft de tenlastegelegde verkrachting heeft het Hof niet de overtuiging bekomen dat er sprake is geweest van dwang. Daarbij is het volgende van belang. Nadat op 15 april 2009 reeds groepsseks had plaatsgevonden tussen het slachtoffer, de verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte], is het slachtoffer op 16 april 2009 opnieuw met de verdachte meegegaan naar het appartement van de medeverdachte. Nadat toen weer groepsseks had plaatsgevonden, is het slachtoffer op 17 april 2009 met de verdachte in de auto gestapt van de medeverdachte, terwijl zij wist dat de verdachte seks met haar wilde hebben. Niet buiten redelijke twijfel staat dat het slachtoffer zich aan het een en ander niet heeft kunnen onttrekken. Onvoldoende om in dit geval aan te nemen dat er sprake is geweest van dwang zijn de afhankelijkheidsrelatie tussen het slachtoffer en de verdachte, het leeftijdsverschil tussen het slachtoffer en de medeverdachte en de numerieke meerderheid van de verdachte met haar medeverdachte en de betrokken derde ten opzichte van het slachtoffer. Uit de verklaring van het slachtoffer dat de medeverdachte haar armen vasthield terwijl de verdachte seksuele handelingen bij haar verrichtte kan voorts niet worden afgeleid dat het slachtoffer gedwongen werd deze seksuele handelingen te ondergaan, mede gelet op de verklaring van de verdachte dat dit slechts in het kader van die seksuele handelingen gebeurde.

Ten aanzien van de tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving acht het Hof niet bewezen dat het slachtoffer, dat uit vrije wil het appartement was binnengegaan, niet de vrijheid had om dit te verlaten wanneer zij dat wilde. Dit geldt ook indien, zoals het slachtoffer heeft verklaard, de medeverdachte de deur van het appartement op slot heeft gedaan. Niet vastgesteld kan worden dat de medeverdachte dit heeft gedaan om haar op te sluiten.

<u>Bewezenverklaring</u>

Het Hof acht bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 subsidiair cumulatief/alternatief is ten laste gelegd, met dien verstande:

dat zij in periode van 15 april 2009 tot en met 17 april 2009 op het eiland Curaçao telkens ontucht heeft gepleegd met de aan haar, verdachte’s zorg toevertrouwde minderjarige, te weten: [minderjarige] (geboren [datum] 1994), immers heeft die [minderjarige] van 13 april 2009 tot en met 17 april 2009 met goedvinden van haar moeder bij verdachte gelogeerd, bestaande die ontucht uit het kussen en/of likken van de vagina van die [minderjarige].

en

dat zij in de periode van 15 april 2009 tot en met 17 april 2009 op het eiland Curaçao, telkens opzettelijk het plegen van ontucht door een minderjarige die aan haar, verdachte’s zorg was toevertrouwd en wiens minderjarigheid zij, verdachte kende te weten [minderjarige] (geboren [datum] 1994) met derden, te weten: [medeverdachte] en een manspersoon, heeft teweeggebracht en bevorderd, hebbende zij, verdachte, die [minderjarige] naar appartementen gebracht voor het plegen van ontucht met die [medeverdachte] en die voormelde manspersoon, bestaande die ontucht uit het kussen en/of likken van de vagina van die [minderjarige] en het vaginaal penetreren van die [minderjarige].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd (<i>cursief</i>). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

<u>Bewijsmiddelen</u>

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in geval van cassatie in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

<u>Bewijsoverwegingen</u>

De verdachte heeft seksuele handelingen met het slachtoffer verricht die in de gegeven omstandigheden zijn aan te merken als ontuchtige handelingen. Het slachtoffer was destijds onlangs vijftien jaar geworden. Zij logeerde in de paasvakantie bij de verdachte met goedvinden van haar moeder, waarbij een rol heeft gespeeld dat de verdachte als student stage liep op de school van het slachtoffer en daar ook les gaf aan het slachtoffer. Aldus was het slachtoffer aan de zorg van de verdachte toevertrouwd. Het feit dat het slachtoffer seksueel niet geheel onervaren was doet aan het ontuchtige karakter van de handelingen niet af. Hetzelfde geldt voor zover, zoals de verdachte heeft verklaard, het slachtoffer ook zelf seks met de verdachte wilde.

Ook heeft de verdachte teweeggebracht en bevorderd dat haar medeverdachte [medeverdachte] en een andere man ontucht met het aan haar zorg toevertrouwde minderjarige slachtoffer hebben gepleegd. De eerste twee dagen is de verdachte met het slachtoffer bij haar medeverdachte langsgegaan, waarna deze seksuele handelingen met het slachtoffer heeft verricht. De derde dag is de verdachte, nadat zij haar medeverdachte eerst had gevraagd om ervoor te zorgen dat nog een andere man aanwezig zou zijn, met het slachtoffer in de auto van haar medeverdachte gestapt. Vervolgens zijn zij allen naar een appartement gereden, waar haar medeverdachte en de andere man het slachtoffer vaginaal hebben gepenetreerd.

<u>Strafbaarheid van het bewezenverklaarde</u>

Het bewezenverklaarde levert op:

ontucht plegen met een aan haar zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 257 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen,

en

opzettelijk teweegbrengen en bevorderen van het plegen van ontucht door een aan haar zorg toevertrouwde minderjarige met een derde, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 258 lid 1 onder 1º van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen.

Het bewezenverklaarde is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

<u>Strafbaarheid van de verdachte</u>

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

<u>Oplegging van straf</u>

Bij de bepaling van de straf heeft het Hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Meer in het bijzonder heeft het Hof daarbij het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een aan haar zorg toevertrouwde minderjarige. Het slachtoffer was destijds onlangs vijftien jaar geworden. Voorts heeft zij zich meermalen schuldig gemaakt aan het teweegbrengen en bevorderen dat haar medeverdachte [medeverdachte] en een andere man ontucht met het aan haar zorg toevertrouwde minderjarige slachtoffer hebben gepleegd. Niet is gebleken dat het slachtoffer zelf seksueel contact met deze mannen wilde hebben. Door te handelen zoals zij heeft gedaan, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan ernstige feiten. De verdachte heeft een van haar afhankelijk minderjarig kind ontuchtige handelingen doen ondergaan, waarbij zij het vertrouwen dat in haar was gesteld door de moeder van het slachtoffer heeft misbruikt. Ten nadele van de verdachte geldt dat volgens het rapport van de psycholoog de kans op recidive bij haar duidelijk hoger dan gemiddeld is.

Op grond van het voorgaande acht het Hof na te melden straf passend en geboden, waarbij het Hof gelet op de kans op recidive met eenparigheid van stemmen de proeftijd zal bepalen op de maximale duur.

<u>Toepasselijke wettelijke voorschriften</u>

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 17a, 17b, 17c, 31 en 59 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 23 oktober 2009 en doet opnieuw recht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en 2 is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden;

beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot zes (6) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij later anders mocht worden gelast op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op drie (3) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.R. Sijmonsma, H.L. Wattel en J.P. de Haan, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao uitgesproken op 20 mei 2010.