Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BM5661

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
18-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
EJ-1222/09-H-330/09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Werkneemster heeft nietigheid van het haar gegeven ontslag ingeroepen en verzoekt doorbetaling van loon en wedertewerkstelling. Tijdens rechtszitting in eerste aanleg heeft werkneemster echter verklaard dat zij aan een oproep van werkgever geen gevolg zou hebben gegeven. Daaruit blijkt dat zij niet bereid was om terug te gaan naar arbeid. Het recht biedt niet de mogelijkheid tot succesvolle heroverweging, gevolg zou immers zijn dat werkgever verplicht zou zijn loon te betalen over periode waarin zij geen arbeid heeft verricht en ook niet bereid was dat te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0468
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK: 18 mei 2010

ZAAKNR.: EJ-1222/09-H-330/09

HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE

NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Beschikking in de zaak van:

[appellante],

wonend in Aruba,

voorheen eiseres, thans appellante,

gemachtigde: thans mr. V.A.V. Carlo,

tegen

de naamloze vennootschap EDLEN TOURS N.V. h.o.d.n. Watapana Tours (hierna WT),

gevestigd in Aruba,

voorheen gedaagde, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J.M.R.F. Scheper.

1. Het verloop van de procedure

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: het GEA), wordt verwezen naar de tussen partijen in deze zaak gewezen beschikkingen van 2 juli 2009 en 15 oktober 2009. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

[appellante] is in hoger beroep gekomen van genoemde beschikkingen door indiening op 25 november 2009 van een akte van appel. Op 16 december 2009 heeft zij een memorie houdende de middelen waarop het hoger beroep is gegrond ingediend en heeft zij het beroep toegelicht en gevorderd tot toewijzing van haar in eerste aanleg ingestelde vorderingen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van WT in de proceskosten in beide instanties.

WT heeft geen verweerschrift ingediend.

Op de voor behandeling bepaalde dag zijn verschenen [appellante] met haar gemachtigde en de gemachtigde van WT. Allen hebben hun stellingen toegelicht en vragen beantwoord, waarna is bepaald dat beschikking zal worden gewezen, waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid

2.1 Het beroep is tijdig ingediend, zodat [appellante] ontvankelijk is in het hoger beroep. Het is hierbij niet relevant dat zij dit beroep heeft in gesteld bij een akte van appel in plaats van bij het in art. 429n lid 1 Rv genoemde beroepschrift omdat WT door deze verkeerde naamgeving in geen enkel belang is geschaad.

2.2 [appellante] heeft in deze procedure die in een beschikking eindigt de middelen niet gelijktijdig bij het instellen van het beroep voorgedragen. Zij heeft wel, ongeveer twee maanden na de uitspraak van de eindbeschikking, alsnog een memorie ingediend waarin zij middelen heeft opgenomen. Omdat het beroep tijdig is ingesteld en een appellant in een procedure als de onderhavige niet verplicht is om grieven te dienen, kan deze onjuiste gang van zaken niet leiden tot niet-ontvankelijkheid en ligt de zaak, door het ingestelde hoger beroep, in beginsel in volle omvang aan het Hof voor. De handelwijze van [appellante], waarmee zij een verlenging van de termijn om bezwaren aan te voeren heeft verkregen is, gelet op de verdere procesgang in deze zaak, niet zodanig in strijd met de eisen van een goede procesorde dat geen acht op die bezwaren mag worden geslagen, mede nu hoor en wederhoor in acht is genomen en WT geen enkel bezwaar tegen deze gang van zaken heeft ingebracht en het Hof ambtshalve dergelijke bezwaren niet heeft gezien.

3. De beoordeling

3.1 Gelet op het bij akte van appel overgelegde bewijs van onvermogen zal het Hof [appellante] toestemming geven om kosteloos te procederen.

3.2 [appellante] is sinds 15 oktober 2005 voor onbepaalde tijd in dienst van WT en was ten tijde van het haar op 2 februari 2009 met onmiddellijke ingang gegeven ontslag werkzaam als “tourguide/driver”. WT, stellende dat [appellante] op 9 maart 2007 in haar dienst is getreden in de functie van Tour Guide/Driver, heeft aan dit ontslag een aantal incidenten ten grondslag gelegd, laatstelijk dat zij, kort gezegd, de normale bedrijfsgang heeft verstoord omdat zij het niet eens was met de inhoud van haar salarisslip. [appellante] heeft tijdig de nietigheid van het haar gegeven ontslag ingeroepen en verzoekt doorbetaling van loon vanaf 2 februari 2009 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd met vermeerdering van de wettelijke verhoging ex art. 7A:1614q BW en wedertewerkstelling op verbeurte van een dwangsom, een en ander met veroordeling van WT in de proceskosten.

3.3.1 Voor toewijzing van een verzoek zoals door [appellante] is gedaan, is vereist dat zij bereid en in staat was om na het haar gegeven ontslag de bedongen arbeid te verrichten. Het antwoord op de vraag of [appellante] na het gegeven ontslag bij een ander werkzaamheden is gaan verrichten, is hierbij niet doorslaggevend, omdat dit immers niet zonder meer betekent dat zij desgevraagd niet terstond terug zou kunnen komen bij WT. Relevant is wel het antwoord op de vraag of zij ook bereid zou zijn om terug te keren. Zonder een dergelijke bereidheid kan haar vordering tot, kort gezegd, wedertewerkstelling immers niet worden toegewezen. Wat dit betreft heeft het GEA in zijn uitspraak van 2 juli 2009 vastgesteld dat de op papier beleden bereidheid van [appellante] om de werkzaamheden te hervatten, “… een wassen neus is geweest omdat [appellante] desgevraagd aan de rechter heeft gezegd dat zij ook aan een oproep van Watapana … geen gevolg zou hebben gegeven.”.

Door de middelen is onvoldoende bestreden dat zij dit tegen de rechter heeft gezegd.

3.3.2 Voor zover het tweede en derde middel in onderling verband bezien aanvoeren dat [appellante] de betreffende vraag niet heeft begrepen, is dat onvoldoende onderbouwd. Zij heeft namelijk niet vermeld hoe zij die vraag dan wel heeft begrepen. Hierbij weegt verder mee dat in de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling in eerste aanleg is vermeld dat [appellante] heeft verklaard “… niet bereid om terug te gaan haar arbeid”.

3.4 Het Hof houdt het er daarom voor dat [appellante] destijds niet bereid was om terug te keren. Het feit dat [appellante] nu kennelijk wel wil terugkeren, kan niet leiden tot toewijzing van haar verzoek, omdat het recht niet de mogelijkheid biedt tot een dergelijke succesvolle heroverweging. Gevolg van een dergelijke heroverweging is in beginsel immers dat WT verplicht zou zijn loon te betalen over een periode waarin [appellante] geen arbeid heeft verricht en ook niet bereid was dat te doen.

3.5 Gelet op het bovenstaande moet het beroep worden verworpen zodat de beschikkingen waarvan beroep zullen worden bevestigd. [appellante] heeft te gelden als in het ongelijk gesteld zodat zij veroordeeld zal worden in de aan de zijde van WT gerezen proceskosten.

BESLISSING:

Het Hof:

verleent [appellante] toestemming kosteloos te procederen;

bevestigt de tussen partijen gegeven beschikkingen van 2 juli 2009 en 15 oktober 2009;

veroordeelt [appellante] in de aan de zijde van WT gerezen proceskosten, tot op heden begroot op Afl. 3.400,- voor salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.R. Sijmonsma, G.C.C. Lewin en J.P. de Haan, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 18 mei 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.