Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BM4499

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
18-05-2010
Zaaknummer
AR 32/05 - H 141/09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellanten stellen dat zij het betreffende perceel door verjaring hebben verkregen. Appellante krijgt gelegenheid te bewijzen dat zij de enige erfgenaam is van haar vader, en indien dit bewijs niet geleverd kan worden de vordering aan te passen. Hof houdt iedere beslissing aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienummer: AR 32/05 - H 141/09

Uitspraak: 7 mei 2010

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Vonnis in de zaak van:

1. [appellante L. K.-W.],

2. [appellant L. K.],

beiden wonende in Nederland,

oorspronkelijk eisers in conventie, verweerders in reconventie,

thans appellanten,

gemachtigde: mr. M.M. Hofman-Ruigrok,

- tegen -

de naamloze vennootschap

TDKR CORPORATION N.V.,

gevestigd op Sint Maarten,

oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J.G. Bloem.

Partijen worden hierna "[appellanten]" en "TDKR" genoemd. Appellante sub 1 wordt ook "[appellante L. K.-W.]" genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Op 11 oktober 2005, 25 september 2007, 8 april 2008 en 7 oktober 2008 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten (verder: GEA), tussen partijen vonnissen gewezen. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, de procesgang aldaar en de overwegingen en beslissingen van het GEA verwijst het Hof naar die vonnissen.

1.2 [appellanten] zijn in hoger beroep gekomen door 12 november 2008 een akte van hoger beroep in te dienen. Bij op 23 december 2008 ingekomen memorie van grieven hebben zij één grief tegen het vonnis van 7 oktober 2008 aangevoerd en toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof dat vonnis zal vernietigen en hun vorderingen alsnog zal toewijzen en die van TDKR alsnog zal afwijzen, kosten rechtens in beide instanties.

1.3 TDKR heeft bij memorie van antwoord de grief bestreden.

1.4 Op de voor pleidooi nader bepaalde dag hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities overgelegd. Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.

2. De grief

Voor de grief verwijst het Hof naar de memorie van grieven.

3. De beoordeling

3.1 Ingevolge art. 269 Rv neemt het Hof niet alleen kennis van het eindvonnis van het GEA, maar ook van de andere hiervoor in rov. 1.1 genoemde vonnissen en oordeelt het erover.

3.2 [appellanten] stellen zich op het standpunt dat zij het in meetbrief 4/1966 omschreven perceel (hierna: het perceel) door verjaring hebben verkregen. Hiertoe hebben zij - kort gezegd - het volgende aangevoerd. Het perceel behoorde toe aan ene Proctor. Deze overleed ruim veertig jaar voordat het inleidend verzoekschrift werd ingediend. Toen werd duidelijk dat hij geen erfgenamen had. De vader van [appellante L. K.-W.] is het perceel toen voor zichzelf gaan gebruiken. [appellante L. K.-W.] is de enige erfgename van haar vader en heeft samen met haar echtgenoot het gebruik van het perceel voor zichzelf voortgezet.

3.3 Bij gebreke van erfgenamen vervallen de goederen van een erflater aan het Land (art. 860 lid 2 BW). Aangezien de vader van [appellante L. K.-W.] kennelijk wist dat het perceel toebehoorde aan Proctor en dat deze geen erfgenamen had, kan de vader van [appellante L. K.-W.] niet worden aangemerkt als bezitter te goeder trouw. Hij (of [appellanten]) kan daarom naar het oude recht het perceel niet door verjaring hebben verkregen (art. 1982 (oud) BW). Onder het huidige recht, dat op 1 januari 2001 in werking is getreden, kan dat wel op grond van art. 3:105 lid 1 BW.

Gelet op de art. 8 en 50 Landsverordening overgangsbepalingen nieuw Burgerlijk Wetboek, en met inachtneming van de omstandigheid dat onder het oude recht de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit verjaarde na dertig jaar, moet worden aangenomen dat voor het aannemen van verkrijgende verjaring van het perceel door [appellanten] op 1 januari 2001 in elk geval nodig is dat zij een bezit ervan bewijzen dat op 1 januari 1971 bestond en sindsdien tot 1 januari 2001 ononderbroken is gebleven.

Voor het aannemen van verkrijgende verjaring van het perceel door [appellanten] op een datum na 1 januari 2001, maar voor de datum in 2002 waarop het perceel in de openbare registers op naam van Koeiman werd gesteld, is in elk geval nodig dat zij een bezit ervan bewijzen dat op laatstbedoelde datum bestond en tot aan die datum gedurende dertig jaar ononderbroken was gebleven.

3.4 Voorts dragen [appellanten] de bewijslast van de betwiste stelling dat [appellante L. K.-W.] de enige erfgename is van haar vader. Indien dat zo is, geldt het (gestelde) bezit van [appellante L. K.-W.] als een voortzetting van het (gestelde) bezit van haar vader. Voor toewijzing van de vordering is evenwel niet nodig dat komt vast te staan dat [appellante L. K.-W.] de enige erfgename is van [A.V.] en [C.W.].

3.5 Naar aanleiding van de grief overweegt het Hof als volgt. [appellanten] hebben begin 2005 hun vordering ingesteld. De eigendom van het perceel was ook al in 2004 bij het tussen partijen gevoerde kort geding aan de orde geweest. Thans, in 2010, hebben zij nog steeds geen schriftelijk bewijs ingediend van hun stelling dat [appellante L. K.-W.] de enige erfgename is van haar vader (bij voorbeeld door middel van een gezinskaart uit het bevolkingsregister). Het Hof zal [appellanten] een laatste - beperkte - kans daarvoor bieden. Een ruimere kans zou strijd opleveren met de eisen van een goede procesorde.

3.6 TDKR heeft het perceel in 2002 gekocht. Indien de vervreemder onbevoegd was, geniet TDKR geen bescherming als verkrijgster te goeder trouw, nu niet is voldaan aan de in art. 3:88 BW genoemde voorwaarde dat de onbevoegdheid van de vervreemder moet voortvloeien uit een vroegere overdracht. Evenmin kan worden gezegd dat in dit geval [appellanten] redelijkerwijs voor overeenstemming van de registers met de werkelijkheid hadden kunnen zorgdragen als bedoeld in art. 3:26 BW.

3.7 Het Hof geeft [appellanten] in overweging om voor het geval dat zij het hiervoor bedoelde schriftelijk bewijs niet kunnen leveren, hun vordering aan te passen in die zin dat zij optreden ten behoeve van de gemeenschap als bedoeld in art. 3:171 BW (d.w.z. ten behoeve van de onverdeelde nalatenschap van de vader van [appellante L. K.-W.]).

BESLISSING:

Het Hof:

verwijst de zaak naar de rol van vrijdag 25 juni 2010 (P3) om [appellanten] in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten overeenkomstig rov. 3.5 en 3.7;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en E.M. van der Bunt, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof op Sint Maarten uitgesproken op 7 mei 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.