Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BM4246

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
H-272/09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt schuldig bevonden aan het medeplegen van afpersing en mishandeling. Gevraagd wordt 12 jaar, wegens de wettelijke regeling betreffende de minimumstraf. Het Hof overweegt dat de strafverzwarende omstandigheid van recidive bij strafoplegging slechts in aanmerking kan worden genomen indien zij aan de verdachte is tenlastegelegd en door middel van wettige bewijsmiddelen is bewezen. Hof oordeelt dat de strafkaart onvoldoende bewijs hiervan oplevert. Hij krijgt 3 1/2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Strafzaken over 2010

Nummer: H-272/09

Parketnummer: 500.00989/09

Uitspraak: 29 april 2010

Tegenspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

S T R A F V O N N I S

gewezen in het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 8 januari 2010

in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [datum] 1986 op Curaçao,

wonende op Curaçao, thans alhier gedetineerd.

<u>Het onderzoek van de zaak</u>

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 18 december 2009, zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal van die terechtzitting, alsmede van dat in hoger beroep van 8 april 2010 op Curaçao.

Het Hof heeft kennis genomen van de vordering van de procureur-generaal,

mr. A.C. van der Schans, en van hetgeen door de verdachte en diens raadman,

mr. A.V.G. Rooijer, naar voren is gebracht. De procureur-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd en, opnieuw rechtdoende, aan de verdachte terzake het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van 12 jaar, met aftrek van voorarrest.

In eerste aanleg is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest.

<u>De tenlastelegging</u>

Aan de verdachte is tenlastegelegd:….

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de procureur-generaal ten aanzien van feit 1 de in artikel 438b van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (hierna: “Sr”) bedoelde strafverzwarende omstandigheid alsnog op de voet van artikel 354 van het Wetboek van Strafvordering mondeling ten laste gelegd.

<u>Het vonnis waarvan beroep</u>

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het Hof zich daarmee niet verenigt.

<u>Vrijspraak </u>

Het Hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1 primair is ten laste gelegd, alsmede de ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid van recidive. Het Hof spreekt de verdachte om die reden daarvan vrij.

Ter toelichting van de vrijspraak van de strafverzwarende omstandigheid van recidive diene het volgende. De procureur-generaal heeft gesteld dat de verdachte in 2004 tot een gevangenisstraf van negen jaar werd veroordeeld en dat tijdens het plegen van het onder 1 ten laste gelegde misdrijf die straf nog niet volledig was ondergaan. Derhalve waren er geen twee jaren verlopen sedert de verdachte een tegen hem uitgesproken gevangenisstraf geheel of ten dele had ondergaan. De procureur-generaal heeft daartoe verwezen naar de strafkaart van de verdachte.

Het Hof overweegt als volgt.

De strafverzwarende omstandigheid van recidive kan bij de strafoplegging slechts in aanmerking worden genomen indien zij aan de verdachte is tenlastegelegd en door middel van wettige bewijsmiddelen is bewezen (HR 5 februari 2002, NJ 2003, 126). De Hoge Raad heeft in het hierboven genoemde arrest overwogen dat artikel 438b, eerste lid, Sr moet worden gelezen in samenhang met artikel 438a Sr. Op grond daarvan is artikel 438b, eerste lid, Sr van toepassing indien de schuldig verklaarde minder dan twee jaar voorafgaand aan het misdrijf is veroordeeld terzake van de artikelen 325, 330 Sr, artikel 11a, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930 of de Wapenverordening 1931, dan wel artikel 11e, eerste lid, van de Opiumlandsverordening 1960.

Het Hof oordeelt dat de strafkaart van de verdachte onvoldoende bewijs oplevert van de ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid. Uit de strafkaart van de verdachte blijkt weliswaar dat de verdachte in 2004 mede terzake overtreding van de Vuurwapen-verordening is veroordeeld, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat deze veroordeling betrekking had op artikel 11a van die verordening. De ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid kan derhalve niet door middel van wettige bewijsmiddelen bewezen worden verklaard, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

<u>De bewezenverklaring</u>

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1 subsidiair en onder feit 2 is tenlastegelegd, met dien verstande:

1. subsidiair

• dat hij, op 30 maart 2009 op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk om zichzelf en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [D.J.] heeft gedwongen tot de afgifte van:

• een geldbedrag van f. 800,= in contanten, toebehorende aan (een) ander(en) dan hem, verdachte en/of zijn, verdachte’s, mededaders;

welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit:

• het met een auto klemrijden van de auto, waarin die [D.J.] met voomeld geldbedrag zat en;

• het richten van een op een vuurwapen gelijkend <i>voorwerp</i>, op die [D.J.];

2.

dat hij, op 13 augustus 2009 op het eiland Curacao, opzettelijk, de vrouw genaamd [Z.P.] <i>tegen</i> het lichaam heeft geslagen tengevolge waarvan die [Z.P.] pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd (<i>cursief</i>). Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

<u>Bewijsoverwegingen</u>

De verdediging heeft betoogd dat de verdediging twijfelt aan de getrouwheid van de herkenning van de verdachte door medeverdachte [M.S.] om de volgende redenen: Voor de fotoconfrontatie is een foto van de verdachte gebruikt waarop de verdachte op zeer jonge leeftijd te zien was. Uit de verklaringen van [M.S.] blijkt dat zij de verdachte maar heel kort heeft gezien en de fotoconfrontatie heeft bijna vijf maanden na de overval plaatsgevonden. Bovendien kon [M.S.] zich de naam van de verdachte niet meer herinneren, zodat het onwaarschijnlijk is dat zij de verdachte wel heeft kunnen herkennen.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen op grond van het navolgende.

[M.S.] heeft verklaard dat zij samen met de man die bij Aquarium Pet Shop werkte en die later medeverdachte [E.H.] bleek te zijn, naar de woning van de verdachte is gereden. Op 19 augustus 2009 heeft [M.S.] twee brigadiers van het Korps Politie Curacao de weg gewezen naar de woning van de verdachte te [adres]. [M.S.] heeft verklaard dat dit de woning was waar zij op 29 maart 2009 met medeverdachte [E.H.] naar toe is gereden en waar zij de verdachte heeft ontmoet. Uit het politieonderzoek is gebleken dat de verdachte in augustus 2009 woonachtig was te [adres]. [M.S.] heeft voornoemde brigadiers ook aangewezen waar zij, na de ontmoeting te Kortijn, de medeverdachte [E.H.] heeft afgezet. Uit het politieonderzoek is gebleken dat medeverdachte [E.H.] op dit adres woonachtig was. Vervolgens heeft [M.S.] op 21 augustus 2009 middels een fotoconfrontatie de verdachte aangewezen als de persoon die zij te [adres] heeft ontmoet en waarmee zij de overal heeft gepleegd. [M.S.] heeft voorts op 1 september 2009 de medeverdachte [E.H.] aangewezen als de man die bij Aquarium Pet Shop werkte en die haar in contact heeft gebracht met de verdachte. De medeverdachte [E.H.] heeft verklaard dat de verdachte zijn neef is en dat de verdachte, voor zover hij zich kon herinneren, woonachtig was te Kortijn.

De herkenning van de verdachte door [M.S.] middels de fotoconfrontatie vindt voldoende steun in de verklaringen van [M.S.] in combinatie met de plaatsaanwijzingen en de herkenning van de verdachte door medeverdachte [E.H.] als zijn neef, die voor zover hij zich kon herinneren woonachtig was te Kortijn. Het Hof twijfelt dan ook niet aan de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte door [M.S.]. Dat de fotoconfrontatie bijna vijf maanden na de overval heeft plaatsgevonden doet in het licht van de gebleken omstandigheden niet af aan de betrouwbaarheid van de herkenning. Ook de omstandigheid dat [M.S.] zich de naam van de verdachte niet meer kon herinneren doet aan de betrouwbaarheid van de herkenning niet af. Uit de verklaring van [M.S.] blijkt immers dat zij de verdachte slechts kort voor de overval heeft ontmoet, welk gegeven op zich ook geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de herkenning. Het Hof acht de verklaring van de verdachte ter zitting, dat hij pas na de overval in die woning is gaan wonen, niet aannemelijk geworden. Aan de hand van wat het Hof ter zitting heeft waargenomen, kan ook niet gezegd kan worden dat de verdachte niet meer lijkt op de foto die is gebruikt voor de fotoconfrontatie.

<u>De bewijsmiddelen</u>

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

<b>Feit 1</b>

1. een proces-verbaal van politie d.d. 30 maart 2009, in de wettelijke vorm opge maakt door de opsporingsambtenaar R.V. Martina, agent van politie bij het Korps Politie Nederlandse Antillen, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van aangever [D.J.]:

Vandaag omstreeks 09:30 uur reed ik in een Vanbus op de weg genaamd Mon Repos. Op een gegeven moment zag ik dat een roodgelakte Toyota Tercel vanuit een open terrein achteruit reed en mij klem reed. Terwijl de Tercel nog in beweging was, zag ik dat een man vanuit de bijrijderkant uitstapte. Deze man zal ik vanaf nu dader 1 noemen. Ik zag dat een vrouw achter het stuur zat. Deze vrouw zal ik vanaf nu dader 2 noemen. Ik remde maar doordat de Toyota achteruit bleef rijden, ben ik er tegen gereden. Ik zag dat dader 1 snel naar mij toe liep en geld eiste. Ik zag dat dader 1 naar achteren sprong, een vuurwapen tevoorschijn trok en deze op mij richtte. Ik schrok en voelde mij in mijn leven en veiligheid bedreigd. Dader 1 vroeg mij weer naar geld. Ik had het geld in een bruine papieren zak. Ik pakte deze en gaf dader 1 de bruine papieren zak met inhoud, namelijk Naf. 800,00. Vervolgens zag ik dat dader 1 in de Toyota Tercel stapte en dader 2 met volle vaart wegreed.

2. een proces-verbaal van politie d.d. 10 augustus 2009, in de wettelijke vorm opge maakt door de opsporingsambtenaren S.A. Martis en C.M. Lijde, beiden werk zaam bij het Korps Politie Nederlandse Antillen, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [M.S.]:

Op 29 maart 2009 heeft de mij bekende man, bijgenaamd Outlaw, mij opgebeld. Outlaw vroeg mij om naar Kooyman Sta. Maria te gaan om een mij onbekende man te ontmoeten. Op een gegeven moment werd ik door een mij onbekende man gebeld om elkaar bij Kooyman te ontmoeten. Aldaar vertelde hij mij dat hij bij Aquarium Pet Shop op de Gosieweg werkt. Hij zei dat hij van plan was een beroving te gaan plegen en dat het op maandag of dinsdag moest gebeuren. Dit omdat in de morgenuren geld bij de bank werd gestort. Wij reden vervolgens naar de woonwijk Kortijn. Bij een rozeachtig huis in die buurt moest ik stoppen. Hij stapte uit en liep naar een man die bij dat huis woonde. Na met hem gesproken te hebben kwamen beide mannen naar mij toe. De man die bij Aquarium werkte zei tegen de andere man dat hij mij moest bellen. De man heeft me een plek in de omgeving van Aquarium gewezen waar ik moest gaan parkeren in afwachting van de Vanbus die beroofd moest worden. Hij zei tegen me dat ik de weg moest blokkeren. Hierna reed ik naar de buurt Dein of Kanga, alwaar ik hem thuis heb achtergelaten. Ik kan jullie zijn huis aanwijzen. Dat geldt ook voor het adres in Kortijn. Op 30 maart in de ochtenduren werd ik door de man die bij Aquarium Pet Shop werkt gebeld. Na tien minuten werd ik door de man die in Kortijn woont gebeld. Ik moest hem komen ophalen, hetgeen ik gedaan heb. Op een gegeven moment werden wij door de man van Aquarium Pet Shop gebeld. Hij heeft tegen de man gezegd dat de geldloper van Aquarium Pet Shop op weg was naar Aquarium Pet Shop om geld op te halen. Wij reden direct naar de door hem aan mij aangewezen plek. Toen wij daar aankwamen parkeerde ik de roze/rode Toyota Tercel op de afgesproken plek. Na ongeveer vijf minuten reed bedoelde Vanbus voorbij. Ik weet dat het de Vanbus betrof aangezien de man van Aquarium Pet Shop me verteld had dat deze met verschillende tekeningen en kleuren versierd was. Na ongeveer 10 minuten werden we door de man van Aquarium Pet Shop gebeld en op de hoogte gesteld dat de man met de Vanbus van Aquarium Pet Shop vertrokken was. Ik zag de Vanbus weer in onze richting komen rijden. Op dat moment reed ik achteruit om de weg te blokkeren. Er ontstond een botsing tussen de door mij bestuurde auto en de Vanbus. De man die naast mij zat stapte uit en liep naar de Vanbus. Ik bleef in de auto zitten. Na 3 a 4 minuten stapte de man weer in de auto.

3. een proces-verbaal van politie d.d. 20 augustus 2009, in de wettelijke vorm opge maakt door de opsporingsambtenaren S.A. Martis en C.M. Lijde, beiden werk zaam bij het Korps Politie Nederlandse Antillen, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van bevindingen van de verbalisanten:

Op 19 augustus 2009 begaven wij ons samen met [M.S.] naar de woonwijk Kanga. Op aanwijzing van [M.S.] reden wij naar een gele in beton opgetrok ken woning, zijnde adres [adres 2]. Zij verklaarde dat ze de man die bij Aquarium Pet Shop werkte bij die woning had afgezet. Vervolgens reden wij naar de woonwijk Kortijn. Op aanwijzing van [M.S.] reden wij naar een roze in beton opgetrokken woning, zijnde adres [adres]. Zij verklaarde dat zij samen met de man die bij Aquarium Pet Shop werkte bij deze woning was geweest en dat dit de woning is van de man met wie zij de beroving te Mon Reposweg had gepleegd.

4. een proces-verbaal van politie d.d. 21 augustus 2009, in de wettelijke vorm opge maakt door de opsporingsambtenaren S.A. Martis en L.J. Manuella, beiden werk zaam bij het Korps Politie Nederlandse Antillen, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van bevindingen van de verbalisanten:

Op 21 augustus 2009 hebben wij een fotoconfrontatie gehouden met [M.S.]. Hierbij werd gebruik gemaakt van een meerkeuze fotoconfrontatiekaart. Op bedoelde kaart staan 10 foto’s van verdachten voorkomende in de Cartotheek van de TOHD, genummerd van 1 tot en met 10. Zonder te aarzelen wees [M.S.] op de fotoconfrontatiekaart de foto onder nummer 6 aan en verklaarde dat ze de man onder nummer 6 herkende als de man waarvan ze verklaard had dat hij in Kortijn woonde en dat hij degene was met wie zij de beroving had gepleegd. Opmerking verbalisanten: op de fotokaart staat onder nummer 6 de foto van de verdachte [verdachte].

5. een proces-verbaal van politie d.d. 24 augustus 2009, in de wettelijke vorm opge maakt door de opsporingsambtenaren E.L. Rijnschot en S.J. Burnet, beiden werk zaam bij het Korps Politie Nederlandse Antillen, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van bevindingen van de verbalisanten:

Op het adres [adres] woont [verdachte].

6. een proces-verbaal van politie d.d. 1 september 2009, in de wettelijke vorm opge maakt door de opsporingsambtenaren S.A. Martis en C.M. Lijde, beiden werk zaam bij het Korps Politie Nederlandse Antillen, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van bevindingen van de verbalisanten:

Op 1 september 2009 hebben wij een fotoconfrontatie gehouden met [M.S.]. Hierbij werd gebruik gemaakt van een meerkeuze fotoconfrontatiekaart. Op bedoelde kaart staan 10 foto’s van verdachten voorkomende in de Cartotheek van de TOHD, genummerd van 1 tot en met 10. Zonder te aarzelen wees de getuige op de fotoconfrontatiekaart de foto onder nummer 2 aan en verklaarde dat ze de man onder nummer 2 herkende als de man waarvan ze verklaarde had dat hij degene is die werkte bij Aquarium Pet Shop en die haar heeft opgebeld om de andere man in Kortijn te gaan ophalen om de beroving te gaan plegen. Opmerking verbalisanten: op de fotokaart staat onder nummer 2 de foto van [E.H.].

7. een proces-verbaal van politie d.d. 24 augustus 2009, in de wettelijke vorm opge maakt door de opsporingsambtenaren E.C. Tremus en T.E.A. Lasten, beiden werk zaam bij het Korps Politie Nederlandse Antillen, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van bevindingen van de verbalisanten:

Op 25 augustus 2009 begaven wij ons naar Aquarium Pet Shop teneinde een werknemerslijst op te vragen. Aldaar werd ons door de manager een werknemerslijst overhandigd met daarop de naam van (onder meer) [E.H.]. Uit de gegevens van de Technische Recherche bleek dat [E.H.] woont op het adres [adres 2].

8. een proces-verbaal van politie d.d. 1 september 2009, in de wettelijke vorm opge maakt door de opsporingsambtenaren L.N.M. Privania en J.J.Janzen, beiden werk zaam bij het Korps Politie Nederlandse Antillen, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van bevindingen van de verbalisanten:

Op 1 september 2009 hebben wij een fotoconfrontatie gehouden met [E.H.]. Hierbij werd gebruik gemaakt van een meerkeuze fotoconfrontatiekaart. Op bedoelde kaart staan 10 foto’s van verdachten voorkomende in de Cartotheek van de TOHD, genummerd van 1 tot en met 10. Zonder te aarzelen wees de getuige op de fotoconfrontatiekaart de foto onder nummer 5 aan en verklaarde dat hij de man onder nummer 5 herkende als zijn neef genaamd [verdachte] en dat hij voor zover hij zich kon herinneren woonachtig was te Kortijn. Opmerking verbalisanten: op de fotokaart staat onder nummer 5 de foto van de verdachte [verdachte].

<b>Feit 2</b>

9. een proces-verbaal van politie d.d. 13 augustus 2009, in de wettelijke vorm opge maakt door de opsporingsambtenaar A.S.M. Fecunda, werkzaam bij het Korps Politie Nederlandse Antillen, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van aangever [zus verdachte]:

Heden, omstreeks 8:00 uur, toen ik thuis kwam diende mijn broer, genaamd [verdachte] mij een aantal vuistslagen toe. Ik werd ter hoogte van mijn gezicht en borstkast geraakt.

10. de verklaring van de verdachte ter zitting in hoger beroep, zakelijk weergegeven:

Op 13 augustus 2009 heb ik gevochten met mijn zus [zus verdachte]. Ik heb haar geslagen.

<u>De kwalificatie en strafbaarheid van het feit</u>

Het bewezene levert op:

Feit 1 subsidiair:

medeplegen van afpersing,

strafbaar gesteld bij artikel 330 jo. 47 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen;

Feit 2:

mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 313 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen.

<u>De strafbaarheid van de verdachte</u>

De verdachte is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die deze strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

<u>De op te leggen straf</u>

Bij de bepaling van de straf heeft het Hof gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Meer in het bijzonder overweegt het Hof het volgende.

De verdachte heeft met zijn mededader een voertuig met daarin een geldloper klemgereden en opzettelijk een aanrijding veroorzaakt, nadat hij door een andere mededader was getipt dat deze geldloper zojuist geld had opgehaald bij een winkel. De bestuurder werd onder bedreiging door de verdachte met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gedwongen om geld af te geven. Deze brutale beroving vond plaats op klaarlichte dag, op de openbare weg. Misdrijven als de onderhavige treffen in de eerste plaats het slachtoffer en roepen daarnaast gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij op. De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn zus.

Ten nadele van de verdachte wordt rekening gehouden met het feit dat hij eerder werd veroordeeld ter zake van een ernstig geweldsdelict tot een langdurige gevangenisstraf en dat hij enkele weken nadat het elektronisch toezicht was afgelopen zich wederom schuldig heeft gemaakt aan een ernstig feit. In dit geval wordt een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk geacht, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel moeten voeren, worden niet aanwezig geacht.

<u>De toepasselijke wettelijke voorschriften</u>

De oplegging van de straf is, behalve op de reeds aangehaalde artikelen, gegrond op de artikelen 31 en 59 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen.

RECHTDOENDE IN NAAM DER KONINGIN IN HOGER BEROEP

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 8 januari 2010, en doet opnieuw recht;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1 primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 1 subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezenverklaarde als vorenomschreven;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) jaren en zes (6) maanden;

bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mrs. F.J.P. Lock, E.M. van der Bunt en M. Schoemaker, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, en ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao uitgesproken op 29 april 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.