Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BM3736

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
27-04-2010
Datum publicatie
07-05-2010
Zaaknummer
KG 3561/09 - H 89/10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Hof oordeelt dat stichting ontvankelijk is in haar vorderingen gebaseerd op de onrechtmatige daad. Het ondanks het ontbreken van een geldige vergunning exploiteren van een steengroeve in het park is onrechtmatig, ook jegens de stichting als beheerder. Vordering tot staken van de werkzaamheden en tot ontruiming liggen voor toewijzing gereed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienummer: KG 3561/09 - H 89/10

Uitspraak: 27 april 2010 (bij vervroeging, op Curaçao)

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

de stichting FUNDACION PARKE NACIONAL ARIKOK,

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk eiseres, thans appellante,

gemachtigde: mr. E.A.D.M.E.J. Wever,

- tegen -

de naamloze vennootschap PAKINAM CORPORATION N.V.,

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. H.W. Braam en D.G. Kock.

Partijen worden hierna de stichting en Pakinam genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Op 25 november 2009 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna te noemen “GEA”) tussen partijen in kort geding vonnis gewezen. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, de procesgang aldaar en de overwegingen en beslissingen van het GEA wordt verwezen naar dat vonnis.

1.2 De stichting is van het vonnis in hoger beroep gekomen door op 8 december 2009 een akte van appel in te dienen. Bij afzonderlijke memorie van grieven heeft de stichting acht grieven geformuleerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van de stichting alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Pakinam in de proceskosten.

1.3 De stichting heeft vervolgens een incidentele vordering houdende een provisionele eis ingediend. Ter gelegenheid van de behandeling van die vordering op 23 februari 2010 heeft de stichting verzocht de vordering te beschouwen als een verzoek tot verdere verkorting van de termijnen zoals bedoeld in art. 235 Rv. Ter gelegenheid van de behandeling van dat verzoek zijn partijen overeengekomen dat Pakinam binnen twee weken voor antwoord zou dienen en dat partijen op de rol van 23 maart 2010 de gelegenheid zouden krijgen voor schriftelijk pleidooi waarna het Hof zo spoedig mogelijk vonnis zou wijzen. Voorts is overeengekomen dat Pakinam in afwachting van het vonnis van het Hof geen graafwerkzaamheden zal verrichten in het Parke Nacional Arikok (hierna: het park).

1.4 Pakinam heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis en veroordeling van de stichting in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

1.5 Later overleg tussen partijen heeft ertoe geleid dat zij op de rol van 30 maart 2010 op Curaçao pleitaantekeningen hebben overgelegd.

1.6 Vonnis is, bij vervroeging, bepaald op heden.

2. De beoordeling

2.1 Anders dan Pakinam heeft betoogd, is het Hof bevoegd van de zaak kennis te nemen en is de stichting ontvankelijk in haar vorderingen bij de burgerlijke rechter. De stichting heeft haar vorderingen gebaseerd op een jegens haar door Pakinam gepleegde onrechtmatige daad hetgeen de burgerlijke rechter bevoegd maakt om daarvan kennis te nemen. Voor deze rechtstreeks tegen Pakinam gerichte vorderingen staat de stichting geen administratiefrechtelijke of andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open. Gesteld noch gebleken is dat aan de stichting voor het met haar vorderingen beoogde doel - staken van de werkzaamheden en verlaten van het park door Pakinam - dusdanige bestuursrechtelijke (handhavings)mogelijkheden ter beschikking staan dat het instellen van daarop gerichte civielrechtelijke vorderingen bij de burgerlijke rechter een onaanvaardbare doorkruising van de publiekrechtelijke weg zou opleveren. De omstandigheid dat de stichting aan een bevoegd bestuursorgaan zou kunnen verzoeken bestuursdwang jegens Pakinam toe te passen, staat aan ontvankelijkheid van haar tegen Pakinam gerichte vorderingen bij de burgerlijke rechter niet in de weg; dat die mogelijkheid bestaat is overigens evenmin gesteld of gebleken.

2.2 Geen van partijen heeft bezwaar gemaakt tegen de door het GEA vastgestelde feiten. Het Hof acht die ook juist zodat ook bij de beoordeling in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

2.3 Uit de vaststaande feiten volgt dat de Minister van Justitie bij beschikking van 4 november 2009 heeft meegedeeld dat Pakinam geen aanspraak kan maken op de in 1973 aan de heer [J.A.] verleende vergunning en dat het bezwaar tegen de beschikking van 5 november 2007, waarbij Pakinam een (nieuwe) vergunning tot het exploiteren van een steengroeve en steenbrekerij te Cashunti is geweigerd, ongegrond is verklaard. Bij die beschikking is tevens meegedeeld dat de brief van de (vorige) Minister van Justitie van 15 september 2009 als niet geschreven moet worden beschouwd. De beschikking impliceert dat voor de exploitatie van de steengroeve te Cashunti een hindervergunning is vereist.

2.4 Het verweer dat zij de beschikking niet heeft ontvangen, welk verweer Pakinam in hoger beroep overigens niet heeft herhaald, kan haar niet baten nu niet de ontvangst maar de dagtekening beslissend is voor het in werking treden van een beschikking. Dat de beschikking van 4 november 2009 inmiddels is ingetrokken, vernietigd of geschorst, is gesteld noch gebleken. Oordelend in een civielrechtelijk kort geding, moet het Hof daarom vooralsnog van de gelding van de beschikking uitgaan. Op grond daarvan moet er vanuit worden gegaan dat Pakinam niet over een geldige hindervergunning ten behoeve van een steengroeve te Cashunti beschikt. Of Pakinam in het park alleen een steengroeve of ook een steenbrekerij exploiteert kan daarbij in het midden blijven nu naar voorlopig oordeel ervan moet worden uitgegaan dat niet alleen voor de exploitatie van een steenbrekerij maar ook voor de exploitatie van de steengroeve een hindervergunning is vereist.

2.5 Het ondanks het ontbreken van een geldige vergunning exploiteren van een steengroeve (en, mogelijk, een steenbrekerij) in het park is onrechtmatig, ook jegens de stichting als beheerder van het park. Het belang van Pakinam om haar bedrijfsactiviteiten te kunnen voortzetten, weegt niet op tegen het belang van de stichting dat niet in strijd met de Hinderverordening wordt gehandeld en dat aan (de natuurlijke kenmerken en waarden van) het park geen onrechtmatige schade wordt toegebracht. De vordering tot het staken van de werkzaamheden binnen het park ligt daarmee voor toewijzing gereed.

2.6 Dat geldt ook voor de vordering tot ontruiming. Op grond van art. 6 Landsbesluit Parke Nacional Arikok (Landsbesluit) kan de stichting personen de toegang tot het park ontzeggen indien zij in strijd met het Landsbesluit handelen. Dat impliceert ook een bevoegdheid om reeds aanwezige (rechts)personen die in strijd handelen met het Landsbesluit zich uit het park te laten verwijderen. Daarbij heeft de stichting, nu er vanuit wordt gegaan dat Pakinam niet over de juiste vergunning beschikt voor het exploiteren en aanwezig hebben van een steengroeve en/of steenbrekerij en nu vast staat dat Pakinam gesteente en zand uitgraaft en verplaatst, in het geval van Pakinam recht en belang. Art. 13 lid 2 van het Landsbesluit doet daaraan niet af. Deze bepaling beperkt een reeds met toestemming aanwezige partij in haar exploitatiemogelijkheden tot het gebied dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het Landsbesluit reeds uitgegraven was, maar geeft geen vrijbrief om zonder de vereiste vergunning(en) aanwezig te blijven in het park.

2.7 Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De grieven behoeven voor het overige geen bespreking. Ook de vraag of Pakinam over een (geldige) precariovergunning beschikt, kan onbesproken blijven. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vorderingen van de stichting zullen worden toegewezen. De vordering tot het staken van de werkzaamheden zal met onmiddellijke ingang worden toegewezen, voor de ontruiming zal Pakinam een termijn worden gegund. Pakinam zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

BESLISSING

Het Hof:

gelast Pakinam om met onmiddellijke ingang haar werkzaamheden in het park te staken en gestaakt te houden;

gelast Pakinam om zich met al het hare binnen 7x24 uur na betekening van dit vonnis uit het park te verwijderen;

veroordeelt Pakinam in de proceskosten in eerste aanleg aan de zijde van de stichting gevallen en tot op heden begroot op Afl. 450,00 aan griffierechten, Afl. 244,00 aan overige verschotten en Afl. 2.000,00 aan gemachtigdensalaris;

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt Pakinam in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van de stichting gevallen en tot op heden begroot op Afl. 900,00 aan griffierechten, Afl. 242,00 aan overige verschotten en Afl. 5.100,00 aan gemachtigdensalaris;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Sijmonsma, Lock en Schoemaker, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en bij vervroeging ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 27 april 2010.