Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BM3142

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
20-04-2010
Datum publicatie
03-05-2010
Zaaknummer
EJ 2187/08 – H. 530/08
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op tussenbeschikking van 16 juni 2009 (<i>LJN</i> BM3129). Werknemer heeft sepotvoorstel geaccepteerd, en het hieraan verbonden bedrag betaald. Op basis hiervan en op basis van schriftelijke verklaringen acht het Hof bewezen dat werknemer zijn manager met de dood heeft bedreigd op 31 maart 2007. Op basis van de getuigenverklaringen acht het Hof eveneens bewezen dat werknemer op 21 januari 2008 geagiteerd raakte, ging staan, luid sprak en zich agressief gedroeg jegens zijn supervisor. De werkgeefster is geslaagd in het haar opgedragen bewijs te leveren. De verzoeken van de werknemer moeten worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0408
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienrs. EJ 2187/08 – H. 530/08

Uitspraak: 20 april 2010

BESCHIKKING GEGEVEN DOOR HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

in de zaak van:

de naamloze vennootschap HYATT ARUBA N.V., h.o.d.n. HYATT REGENCY ARUBA RESORT & CASINO,

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk verweerster, thans appellante,

hierna te noemen: de werkgeefster,

gemachtigde: mr. A.E. Barrios,

tegen

[werknemer],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk verzoeker, thans geïntimeerde,

hierna te noemen: de werknemer,

gemachtigde: mr. E. Schwengle.

Verder verloop van de procedure

1.1. Het Hof verwijst naar zijn tussenbeschikking van 16 juni 2009.

1.2. Op 18 augustus 2009 heeft een enquête plaatsgevonden, waarbij acht getuigen zijn gehoord. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. Ter gelegenheid van de enquête is door de werkgeefster een ontbindingsbeschikking van het GEA van 30 oktober 2008, EJ 2579/08 overgelegd, waarin de arbeidsovereenkomst (voor zover mocht blijken dat deze nog bestaat) op verzoek van de werkgeefster is ontbonden wegens gewichtige redenen met ingang van 1 december 2008 en aan de werknemer een vergoeding is toegekend van Afl. 33.530,=.

1.3. Op 22 september 2009 heeft de werkgeefster een akte deponering schriftelijk bewijs genomen, waarbij de schriftelijke verklaring van een beoogde getuige in het geding is gebracht.

1.4. Op 17 november 2009 heeft de contra-enquête plaatsgevonden, waarbij drie getuigen zijn gehoord.

1.5. Bij fax van 3 december 2009 (en brief van 7 december 2009) heeft de werknemer een schriftelijke verklaring van een beoogd getuige in het geding gebracht.

1.6. Op 23 februari 2010 hebben beide partijen een conclusie na enquête en contra-enquête genomen.

1.7. Partijen hebben opnieuw om een beschikking gevraagd waarvan de uitspraak nader bepaald is op heden.

2. Beoordeling

&lt;i&gt;Probandum&lt;/i&gt;

2.1. Ingevolge de tussenbeschikking (dictum in verbinding met rov. 3.2) diende de werkgeefster te bewijzen dat de werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan het op grovelijke wijze beledigen of op ernstige wijze bedreigen van collega’s. Het zou concreet gaan – waarbij in rov. 3.2 wordt verwezen naar een in het Engels gesteld ontslagtelegram van 31 januari 2008, weergegeven in rov. 2.6 – om de volgende verwijtbare gedragingen:

a. het op 31 maart 2007 in het bijzijn van collega’s met de dood bedreigen van zijn manager;

b. het op 21 januari 2008 al vloekend beledigen van zijn supervisor;

c. het in twijfel trekken van de mannelijkheid van zijn supervisor en het maken van andere ongepaste opmerkingen tijdens het gesprek met zijn supervisor en de leidinggevende van de ‘engineer department’ op 21 januari 2008;

d. het vertonen van agressief gedrag tijdens het gesprek met een vertegenwoordiger van personeelszaken en de ‘director of Engineering’ op 24 januari 2008.

&lt;i&gt;Bewijswaardering&lt;/i&gt;

2.2. Ad a. De officier van Justitie heeft terzake aan de werknemer een sepotvoorstel gedaan. Het daaraan verbonden bedrag van Afl. 250,= heeft de werknemer betaald. Op basis hiervan en van de schriftelijke verklaringen van [O.] van 2 april 2007 (productie 2 verweerschrift in eerste aanleg) en 8 oktober 2009 (in hoger beroep door de werkgeefster overgelegd op 22 september 2009) en van [L.] van 2 april 2007 (productie 3 bij verweerschrift in eerste aanleg) acht het Hof bewezen dat [O.] door de werknemer met de dood is bedreigd.

2.3. &lt;i&gt;Ad b&lt;/i&gt;. Op basis van de getuigenverklaringen van [A., D., W., G., B.] acht het Hof bewezen dat de werknemer tegenover zijn supervisor [G.] beledigende scheldwoorden heeft gebruikt.

2.4. &lt;i&gt;Ad c&lt;/i&gt;. Op basis van de getuigenverklaringen van [G.] en [L.] acht het Hof bewezen dat de werknemer niet zonder meer zijn verontschuldigingen heeft aangeboden ter zake van de beledigingen, bedoeld ad b, hetgeen gepast zou zijn, maar daarbij gezegd heeft zelf voldoende mans te zijn om dat te doen en te willen zien of de supervisor [G.] ook voldoende mans was.

2.5. &lt;i&gt;Ad d&lt;/i&gt;. Op basis van de getuigenverklaringen van [L., C., en B.] acht het Hof bewezen dat de werknemer geagiteerd raakte, ging staan, luid sprak en zich agressief gedroeg. Op basis van de verklaring van de getuige [B.] acht het Hof bewezen dat hij haar, zijnde het hoofd van de Human Resource-afdeling, heeft toegevoegd: ‘You are going to fucking pay for this’.

&lt;i&gt;Slotsom&lt;/i&gt;

2.6. De werkgeefster is geslaagd in het haar opgedragen bewijs. De bestreden beschikking moet worden vernietigd en de verzoeken van de werknemer moeten worden afgewezen. De werknemer dient de kosten van deze procedure te dragen.

3. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de bestreden beschikking, en opnieuw rechtdoende:

- wijst het verzochte af;

- veroordeelt de werknemer in de kosten van deze procedure aan de zijde van de werkgever gevallen en tot op heden begroot op in eerste aanleg Afl. 1.500,= aan gemachtigdensalaris en in hoger beroep op Afl. 5.100,= aan gemachtigdensalaris en Afl. 900,= aan griffierecht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, G.E.M. Polkamp en E.M. van der Bunt, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 2010 in Aruba, in tegenwoordigheid van de griffier.