Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BM2147

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
EJ 547/09 - H 261/09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Betreft vorderingen na ontbinding van een arbeidscontract. Appellant had volgens art. 9 CAO recht op salarisverhoging. De ontbindingsvergoeding heeft geen exclusieve werking dus vervalt het recht op achterstallig salaris niet. De algemene vergadering van aandeelhouders mocht op grond van haar bevoegdheid beslissen dat zij geen tantièmes aan [appellant] toekent. Bij die beslissing om die al dan niet toe te kennen mogen omstandigheden die na het einde van het betreffende boekjaar hebben plaatsgevonden redelijkerwijs worden meegewogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0393
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienummer: EJ 547/09 - H 261/09

Uitspraak: 23 maart 2010

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Beschikking in de zaak van:

[appellant],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk verzoeker,

thans appellant,

gemachtigde: mr. C.B.A. Coffie,

- tegen -

de naamloze vennootschap

NAAMLOZE VENNOOTSCHAP ELECTRICITEIT-MAATSCHAPPIJ "ARUBA",

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk verweerster,

thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. I.R. Giesen-Wever en A.A. Ruiz.

Partijen worden hierna "[appellant]" en "Elmar" genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Op 25 juni 2009 en 8 oktober 2009 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: GEA) tussen partijen beschikkingen gegeven. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, de procesgang aldaar en de overwegingen en beslissingen van het GEA verwijst het Hof naar die beschikkingen.

1.2 [appellant] is in hoger beroep gekomen van die beschikkingen door op 4 november 2009 een beroepschrift in te dienen. Hierbij heeft hij vier grieven tegen de beschikkingen aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof de beschikkingen zal vernietigen en zijn vorderingen alsnog volledig zal toewijzen, met veroordeling van Elmar in de proceskosten in beide instanties.

1.3 Elmar heeft bij verweerschrift, met producties, de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof [appellant] niet zal ontvangen in zijn vordering in appel, althans hem die zal ontzeggen, kosten rechtens.

1.4 Bij de mondelinge behandeling hebben de gemachtigden van partijen ten overstaan van mr. Polkamp hun standpunten toegelicht en gedingstukken overgelegd, respectievelijk getiteld "pleitnota" en "toelichting op het verweerschrift". Aan het gedingstuk van [appellant] is een productie gehecht. Beschikking is aangezegd. De datum van uitspraak is nader bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van [appellant] in het hoger beroep

[appellant] is tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep gekomen, zodat hij daarin ontvankelijk is.

3. De grieven

Voor de grieven verwijst het Hof naar het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1 Geen grieven zijn gericht tegen de door het GEA bij beschikking van 25 juni 2009 onder 2 als vaststaand aangenomen feiten. De vaststelling komt het Hof juist voor.

Het Hof gaat daarom van die vaststelling uit.

4.2 Grief I is gericht tegen het oordeel van het GEA dat [appellant] geen recht heeft op de loonsverhogingen van artikel 9 van de CAO.

4.3 Artikel 2 van de arbeidsovereenkomst (geciteerd in rov. 2.3 van de beschikking van 25 juni 2009) dient te worden uitgelegd volgens de Haviltex-maatstaf.

De bewoordingen "de jaarlijkse salarisverhoging geschiedt ..." in het beding wijzen erop dat er recht bestaat op jaarlijkse salarisverhoging.

In het beding is sprake van normen die voor "werknemer" gebruikelijk zijn. Voor de hand ligt dat hiermee normen bedoeld worden die voor de statutair directeur van Elmar gebruikelijk zijn. Het beding komt in dezelfde bewoordingen voor in de arbeidsovereenkomst met [appellant] van 15 december 1993, toen hij de functie van adjunct-directeur vervulde. In die overeenkomst zullen normen bedoeld zijn die voor de adjunct-directeur van Elmar gebruikelijk zijn.

Als onbetwist moet worden aangenomen dat vóór 2005 het gebruik was ontstaan dat het salaris van de statutair directeur jaarlijks werd verhoogd overeenkomstig de voor de overige werknemers geldende CAO-bepalingen. Ook staat vast dat het salaris van de adjunct-directeur op die wijze werd verhoogd. Andere "gebruikelijke normen" zijn door partijen niet genoemd en van het bestaan daarvan is niet gebleken.

Gelet hierop mocht [appellant] redelijkerwijs verwachten en moest Elmar redelijkerwijs begrijpen dat artikel 2 van de arbeidsovereenkomst van 25 mei 2005 aldus moet worden uitgelegd dat [appellant] recht had op salarisverhogingen overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van de CAO.

4.4 Artikel 14 van de statuten van de vennootschap (in overeenstemming met artikel 112 van het Wetboek van Koophandel van Aruba) bepaalt:

<small>"De jaarwedden der directie en de overige voorwaarden harer aanstelling worden vastgesteld en zo nodig herzien door de vergadering van houders van aandelen A."</small>

Dit artikel staat er niet aan in de weg dat [appellant] op grond van artikel 2 van de arbeidsovereenkomst van 25 mei 2005 recht heeft op salarisverhogingen overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van de CAO. Niet is immers gesteld of gebleken dat deze arbeidsovereenkomst niet geacht kan worden door de vergadering van houders van aandelen A te zijn vastgesteld.

4.5 Elmar heeft betoogd dat [appellant] afstand heeft gedaan van zijn recht op salarisverhogingen overeenkomstig artikel 9 van de CAO. Uit zijn brief van

29 november 2007 kan dit niet worden afgeleid. De zinsnede

<small>"... heb ik besloten na mijn benoeming in 2005 als Directeur de algemene salarisverhogingen conform C.A.O. in januari 2006 (4%) niet toe te passen." </small>

kan redelijkerwijs niet begrepen worden als een afstand van het recht aanspraak te maken op de salarisverhogingen in de periode na januari 2006, en al zeker niet indien men het vervolg van die brief in aanmerking neemt. Uit de door Elmar overgelegde beëdigde verklaringen van stafleden kan evenmin een afstand van recht worden afgeleid. Daarin wordt in de vragen en antwoorden geen onderscheid gemaakt tussen de salarisverhoging van 2006 en de salarisverhogingen van daarna. Om te kunnen aannemen dat [appellant] afstand heeft gedaan van zijn recht op aanspraak op het onderhavige loonbestanddeel is een voldoende ondubbelzinnige verklaring, gericht aan de vergadering van houders van aandelen A vereist. Niet gebleken is dat die bestaat.

Het beroep op afstand van recht dient mitsdien te worden verworpen.

4.6 Elmar heeft betoogd dat [appellant] geen recht heeft op salarisverhogingen overeenkomstig artikel 9 van de CAO, omdat de ontbindingsvergoeding exclusieve werking heeft. Dit betoog faalt. De exclusiviteit van de ontbindingsvergoeding geldt niet ten aanzien van aanspraken van de werkgever die zijn ontstaan tijdens de dienstbetrekking, hun grondslag vinden in de periode vóór de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en geen verband houden met de (wijze van) beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de gevolgen van die beëindiging, zoals de onderhavige aanspraak.

4.7 Op grond van het voorgaande slaagt grief 1 en is de vordering ter zake van loonsverhogingen toewijsbaar. [appellant] heeft deze vordering becijferd op

Afl. 103.412,83 (inclusief het door het GEA toegewezen bedrag). Hiertegen heeft Elmar geen verweer gevoerd, zodat het Hof uitgaat van de juistheid van deze berekening.

4.8 Grief II keert zich tegen de afwijzing van de gevorderde tantièmes.

In het algemeen geldt dat de statutair directeur die tevens werknemer is, een bijzondere positie heeft die afwijkt van die van andere werknemers. Zijn hoedanigheid van statutair directeur brengt een bijzondere relatie met de vergadering van aandeelhouders mee.

In dit geval is het vaststellen van tantièmes voor de statutair directeur ingevolge artikel 29 van de statuten een bevoegdheid van de vergadering van aandeelhouders. Deze bevoegdheid blijkt ook uit artikel 5 van de arbeidsovereenkomst van 25 mei 2005, waarop [appellant] zich overigens niet heeft beroepen. [appellant] heeft niet gesteld dat de vergadering van aandeelhouders ook de tantièmes voor de adjunct-directeur vaststelt. Gelet hierop kan de enkele omstandigheid dat [appellant] jarenlang als adjunct-directeur tantièmes heeft ontvangen niet tot het oordeel leiden dat deze tantièmes een vast bestanddeel zijn geworden van zijn loon als statutair directeur. Indien [appellant] reeds vanaf 1 januari 2005 de facto als directeur fungeerde en/of de vergadering van aandeelhouders bemoeienis heeft gehad met de toekenning van tantièmes aan hem over 2005 en/of voorgaande jaren, leidt dat niet tot een ander oordeel.

De enkele omstandigheid dat [appellant] als adjunct-directeur jarenlang ieder jaar tantièmes ontving, brengt ook niet mee dat de algemene vergadering van aandeelhouders gehouden was [appellant] als statutair directeur jaarlijks tantièmes toe te kennen.

4.9 De algemene vergadering van aandeelhouders diende wel (kennelijk overeenkomstig hetgeen is overwogen in HR 26 januari 1983, nr. 21480, en waarvan in NJ 1983, 565 slechts één overweging is opgenomen) haar bevoegdheid om tantièmes toe te kennen uit te oefenen overeenkomstig het gebruik en de billijkheid.

In de tweede helft van 2007 is de verhouding tussen [appellant] enerzijds en de aandeelhouders en raad van commissarissen van Elmar anderzijds verstoord geraakt. Gelet op rov. 4.3-4.5 van de ontbindingsbeschikking moet worden aangenomen dat dit in elk geval deels te wijten is aan [appellant]. In dit geding is niets gesteld of gebleken dat aanleiding geeft voor een ander oordeel. Bij die beschikking heeft het GEA een ontbindingsvergoeding aan [appellant] toegekend.

Deze omstandigheden brengen mee dat de billijkheid zich er niet tegen verzet dat de algemene vergadering van aandeelhouders haar in artikel 29 van de statuten verleende bevoegdheid aldus uitoefent dat zij geen tantièmes meer aan [appellant] toekent. Aan dit oordeel doet niet af dat [appellant] geen tantième heeft ontvangen over de boekjaren 2006 en 2007, en dus deels over een periode waarin nog geen arbeidsgeschil bestond. De tantièmes worden weliswaar gerelateerd aan de winst over een bepaald boekjaar, maar bij de beslissing om die al dan niet toe te kennen, mogen omstandigheden die na het einde van het betreffende boekjaar hebben plaatsgevonden, redelijkerwijs worden meegewogen. In elk geval is hierbij geen sprake van willekeur. Grief II faalt daarom.

De vordering ter zake van de tantièmes is terecht afgewezen.

4.10 Grief III stelt de afwijzing van de wettelijke verhoging aan de orde. In zijn brief van 29 november 2007 (eerste pagina, onderaan) heeft [appellant] zich op het standpunt gesteld dat hij gerechtigd was de indexering toe te passen. Dit standpunt heeft het GEA in

rov. 2.1 van zijn beschikking van 8 oktober 2009 overgenomen door te overwegen dat [appellant] de indexering zonder bezwaar had kunnen laten uitvoeren. In hoger beroep heeft [appellant] dat op zichzelf niet bestreden. Bovendien acht het Hof een cumulatie van wettelijke rente en wettelijke verhoging in dit geval onredelijk. Daarom verenigt het Hof zich met het oordeel van het GEA dat er geen redenen van billijkheid zijn om de wettelijke verhoging toe te wijzen en mist grief III dus doel.

4.8 Grief IV heeft geen zelfstandige betekenis.

4.9 Nu partijen over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld, zal het Hof de proceskosten in beide instanties compenseren. Omwille van de duidelijkheid zullen de bestreden beschikkingen worden vernietigd.

BESLISSING:

Het Hof:

vernietigt de bestreden beschikkingen;

veroordeelt Elmar om aan [appellant] Afl. 103.412,83 bruto te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2007 over het sindsdien periodiek te weinig betaalde salaris;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de proceskosten in beide instanties aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.E.M. Polkamp, G.C.C. Lewin en H.L. Wattel, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 23 maart 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.