Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BM2143

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
KG 169/09-H-153/09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Ter beoordeling staat de vraag of er dwangsommen zijn verbeurd. Hof oordeelt dat met inachtneming van de geldende maatstaf de conclusie is dat er niet is voldaan aan de verplichting om de aanbouw/luifel te verwijderen. Het gebod tot verwijdering hiervan kan niet anders worden uitgelegd dan dat de gehele aanbouw/luifel dient te worden verwijderd en niet slechts een gedeelte ervan. Doel en strekking van het gebod, een bebouwingsvrije strook van twee meter vanaf de muur zoals opgenomen in het kettingbeding is op deze wijze niet verwezenlijkt. Hof oordeelt dat dwangsommen zijn verbeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ZAAKNR: KG 169/09-H-153/09

UITSPRAAK: 23 maart 2010

HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE

NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

KORT GEDING

Vonnis in de zaak van:

1. [appellant K.H.],

2. [appellant H.F.],

beiden wonend in Aruba,

appellanten, voorheen eisers,

gemachtigde: mr. H.S. Croes

-tegen-

[geïntimeerde],

wonend in Aruba,

geïntimeerde, voorheen gedaagde,

gemachtigde: mr. G.W. Rep

Appellanten worden hierna aangeduid als [appellanten] c.s. en indien nodig bij de betreffende familienaam. Geïntimeerde wordt hierna aangeduid als [geïntimeerde].

1. Verloop van de procedure

1.1 Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: GEA), wordt verwezen naar het tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van 18 februari 2009.

1.2 [appellanten] c.s. zijn in hoger beroep gekomen van voormeld vonnis door indiening op 11 maart 2009 van een daartoe strekkende akte ter griffie van het GEA. Bij afzonderlijke memorie van grieven, ingediend op 31 maart 2009, hebben [appellanten] c.s. vier grieven aangevoerd, deze toegelicht en geconcludeerd dat het het Hof moge behagen het vonnis waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering alsnog toe te wijzen, kosten rechtens.

1.3 Op 15 juni 2009 heeft [geïntimeerde] een memorie van antwoord ingediend en geconcludeerd dat het Hof [appellanten] c.s. niet-ontvankelijk zal verklaren, althans het vonnis waarvan beroep zal bevestigen en de vordering van [appellanten] c.s. zal afwijzen, kosten rechtens.

1.4 Op de daarvoor bepaalde dag, 17 november 2009, zijn [appellanten] c.s. bij hun gemachtigde verschenen en is [geïntimeerde] in persoon verschenen, vergezeld van zijn gemachtigde. Bij die gelegenheid hebben de gemachtigden mondeling pleidooi gevoerd, waarbij mr. Croes een pleitnota heeft overgelegd en mr. Rep een akte overlegging producties heeft genomen, en zijn vragen van het Hof beantwoord. Aansluitend heeft een gerechtelijke plaatsopneming plaatsgevonden, waar partijen en hun respectieve gemachtigden het woord hebben gevoerd en hun standpunten nader hebben toegelicht. Van de terechtzitting en de gerechtelijke plaatsopneming is proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.

1.5 Vervolgens is de zaak naar de rol van 8 december 2009 verwezen voor uitlating royement dan wel het vragen van vonnis. Op 19 januari 2009 heeft [geïntimeerde] vonnis gevraagd. Vonnis is bepaald op heden.

2. Ontvankelijkheid

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellanten] c.s. daarin kunnen worden ontvangen.

3. Grieven

Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. Beoordeling

4.1 Geen grieven zijn gericht tegen de vaststelling van de feiten door het GEA, onder rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.8 van het bestreden vonnis. Die feitenvaststelling komt het Hof ook juist voor. Het Hof zal dan ook van deze feiten uitgaan. [appellanten] c.s. hebben betoogd (in de eerste grief) dat aan die feitenopsomming zou moeten worden toegevoegd de omstandigheid dat bij notariële akte van 23 december 2008 tussen CB Cas Bon Real Estate N.V. en [appellanten] c.s. de kettingbedingen waarop de veroordeling van 24 september 2008 is gegrond, zijn komen te vervallen. Daarop zal hierna onder 4.9 worden ingegaan.

4.2 Partijen wensen hun geschil in volle omvang aan de beoordeling van het Hof voor te leggen. De grieven zullen daarom niet afzonderlijk worden besproken.

4.3 Het Hof verenigt zich met de maatstaf die het GEA blijkens rechtsoverweging 4.2 van het bestreden vonnis heeft aangelegd bij de beoordeling van de vraag of er dwangsommen zijn verbeurd.

4.4 Tussen partijen is niet in geding dat [appellanten] c.s. hebben voldaan aan de bij het vonnis van 24 september 2008 opgelegde geboden het hondenhok te verplaatsen en de container van hun perceel te verwijderen. Het gaat dus thans nog om 1) het verbod enige commerciële activiteit, waaronder een wasserette of opslag, uit te oefenen, tenzij de hoofdbestemming – van de op de percelen van [appellanten] c.s. opgetrokken gebouwen – wonen is en aan de buitenzijde van dat (die) gebouw(en) niet de indruk wordt gewekt dat aldaar commerciële activiteiten plaatsvinden; en om 2) het gebod de aanbouw/luifel af te breken.

4.5 Wasserette/stomerij

Ter gelegenheid van de plaatsopneming heeft het Hof waargenomen dat de deur van de wasserette/stomerij op slot zit en dat het verlichte reclamebord is weggehaald en op de grond staat. Tevens heeft het Hof waargenomen dat het bord met de geschreven tekst We’re open dry clean & laundromat op een niet functionele plek op de grond staat. Het Hof heeft waargenomen dat de wasserette niet in bedrijf is, maar dat op één van de vele wasmachines wel wasmiddel en waspoeder staat. Op een daartoe strekkende vraag van het Hof heeft mevrouw [H.F.] geantwoord dat zij eenmaal in de week, op vrijdag, de was van haar gezin doet in de wasserette en daarvoor afwisselend één van de wasmachines gebruikt.

Het Hof heeft verder waargenomen dat de zich aan de buitenachterzijde, bij de erfafscheidingsmuur met het perceel van [geïntimeerde], bevindende stomerij niet meer in gebruik is. Het Hof heeft tevens waargenomen dat er een nieuwe ketel staat, onder een zeil. Op een daartoe strekkende vraag van het Hof heeft mevrouw [H.F.] geantwoord dat deze ketel kapot is door waterschade omdat deze na het weghalen van de luifel heeft blootgestaan aan regenwater.

4.6 Opslag

Het Hof heeft ter gelegenheid van de plaatsopneming waargenomen dat de opslagruimte is gevuld met voornamelijk oude materialen in slordig opgestapelde dozen. Op een daartoe strekkende vraag van het Hof heeft mevrouw [H.F.] geantwoord dat dit restanten zijn van een winkeltje dat de familie in het verleden had in Savaneta.

4.7 Aanbouw/luifel

Het Hof heeft ter gelegenheid van de plaatsopneming waargenomen dat de golfplaten bedekking aan de (naar het perceel van [geïntimeerde] gekeerde) zijkant en de bovenkant van de aanbouw/luifel is weggehaald maar dat de ondersteunende constructie er (gedeeltelijk) nog wel staat. Ook maakt nog een ijzeren geraamte deel uit van het bouwsel.

4.8 Met inachtneming van de geldende maatstaf is de conclusie van het bovenstaande dat aan de verplichting om de aanbouw/luifel te verwijderen niet is voldaan. Immers kan het gebod tot verwijdering van de aanbouw/luifel niet anders worden uitgelegd dan dat de gehele aanbouw/luifel dient te worden verwijderd en niet slechts een gedeelte ervan. Het doel en de strekking van het gebod, een bebouwingsvrije strook van twee meter vanaf de muur zoals opgenomen in het kettingbeding, is op deze wijze ook niet verwezenlijkt. Aldus zijn de prestaties waartoe het veroordelend vonnis verplicht niet volledig verricht en zijn de dwangsommen, die zijn verbonden aan het niet voldoen aan één of meer verplichtingen, verbeurd.

4.9 In het onderhavige executiegeschil is geen plaats voor hernieuwd onderzoek naar de burenrechtelijke rechten en verplichtingen. De door [appellanten] c.s. gestelde rectificatieakte moet daarom buiten beschouwing blijven en het dienaangaande gevoerde verweer (dat deze niet de werkelijkheid weergeeft en chicaneus is opgesteld) behoeft geen bespreking meer. De eerste rechter heeft deze omstandigheid dus terecht niet bij de feitenopsomming opgenomen.

4.10 Tenslotte faalt ook het beroep op matiging ex artikel 611d lid 2 van het Wetboek van Rechtsvordering. Deze bepaling is bedoeld voor uitzonderlijke omstandigheden (zoals het uit volledig de hand lopen van een dwangsom bij niet-maximering ervan), die hier niet zijn gesteld en ook niet zijn gebleken.

4.11 Uit het bovenstaande volgt dat het bestreden vonnis dient te worden bevestigd en [appellanten] c.s. in de proceskosten van [geïntimeerde] dienen te worden veroordeeld.

BESLISSING:

Het Hof:

bevestigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellanten] c.s. in de kosten van de procedure in hoger beroep van [geïntimeerde] en begroot deze kosten tot op heden op NAF. 199,- aan betekeningskosten en NAF. 2.200,-aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, G.C.C. Lewin en H. de Doelder, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 23 maart 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.