Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BM1445

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
16-04-2010
Zaaknummer
EJ 283-284/09 – HAR 6-7/10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kopers van appartementsrechten verzoeken tot faillietverklaring van Aquarius en Sabra. Hof oordeelt dat de contractuele bepaling omtrent de 'closing date' voldoende ruimte lijkt te bieden aan Aquarius, en dat deze zich onvoldoende heeft ingespannen is ook niet aannemelijk geworden. Evenmin is gebleken dat Aquarius en Sabra andere vorderingen onbetaald laten. Het Hof bevestigt de bestreden beschikkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienummer: EJ 283-284/09 – HAR 6-7/10

Uitspraak: 30 maart 2010

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Beschikking in de zaak van (EJ 283/09 – HAR 6/10):

1. [appellant 1 tot en met 6]

2.

3.

4.

5.

6.

allen wonende in de Verenigde Staten van Amerika, te dezer zake domicilie kiezende op Sint Maarten ten kantore van hun gemachtigden,

oorspronkelijk verzoekers, thans appellanten,

gemachtigden: mrs. E.R. de Vries en P.M. Noordhoek,

tegen

de vennootschap naar het recht van Anguilla AQUARIUS COMPANY LTD. h.o.d.n. AQUARIUS CONDO HOTEL EN CASINO,

(mede) kantoor houdende op Sint Maarten,

oorspronkelijk verweerster, thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. M.O. Kortenoever en A.J. Engelsma,

en in de zaak van (EJ 284/09 – HAR 7/10):

1. [appellant 1 tot en met 6],

2.

3.

4.

5.

6.

allen wonende in de Verenigde Staten van Amerika, te dezer zake domicilie kiezende op Sint Maarten ten kantore van hun gemachtigden,

oorspronkelijk verzoekers, thans appellanten,

gemachtigden: mrs. E.R. de Vries en P.M. Noordhoek,

tegen

de naamloze vennootschap SABRA N.V.,

kantoor houdende op Sint Maarten,

oorspronkelijk verweerster, thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. M.O. Kortenoever en A.J. Engelsma,

De beide appellen worden gevoegd behandeld. Partijen worden hierna aangeduid met [appellanten] e.a., Aquarius en Sabra.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Bij op 16 februari 2010 ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, (hierna: GEA) ingediend beroepschrift hebben [appellanten] e.a. hoger beroep ingesteld tegen de twee beschikkingen van het GEA van 8 februari 2010 (EJ 283/09 en EJ 284/09). Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, de procesgang aldaar en de overwegingen en beslissingen van het GEA wordt verwezen naar die beschikkingen.

1.2 Aquarius en Sabra hebben geen verweerschrift ingediend.

1.3 Het hoger beroep is ter zitting van het Hof behandeld op 12 maart 2010. Daarbij zijn verschenen de gemachtigde van [appellanten] e.a., mr. Noordhoek, en de gemachtigden van Aquarius en Sabra. Mr. Noordhoek en mr. Kortenoever hebben gepleit overeenkomstig overgelegde pleitnota’s.

1.4 Uitspraak is bepaald op heden.

2. De beoordeling

1.1. Het gaat hier om verzoeken van [appellanten] e.a. tot faillietverklaring van Aquarius (de projectontwikkelaar) en Sabra (de grondeigenaar). Het GEA heeft in de bestreden beschikkingen geoordeeld dat geen sprake is van een toestand van opgehouden zijn te betalen en deswege de verzoeken afgewezen. Hiertegen richten zich de appellen van [appellanten] e.a.

1.2. De volgende feiten en omstandigheden zijn op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting aannemelijk geworden:

a. [appellanten] e.a. zijn kopers van één of meer appartementsrechten in het Aquariusproject te Gibbs Bay. Het betreft de eerste fase van het project en er zijn ca. 75 kopers.

b. De bouw wordt betaald uit de bijdragen der kopers. Dit heeft voor de kopers financiële voordelen. Lopen de (deel)betalingen van de kopers achter, dan zal ook de bouw vertraging oplopen. Dit heeft zich in dit geval voorgedaan.

c. De bouw heeft niet geheel stilgelegen en is onlangs versneld.

d. Het met de kopers gesloten contract (productie 2 bij inleidend verzoekschrift) spreekt in artikel 7 van een ‘tentative closing date’ van omstreeks november 2008. Voorts is voorzien in verlenging als gevolg van onder meer ‘any other circumstances beyond the control of the SELLER’.

e. Aquarius en Sabra hebben de verwachting uitgesproken dat in het najaar 2010 de eerste opleveringen kunnen plaatsvinden.

1.3. Aquarius en Sabra bestrijden gemotiveerd de gegrondheid van de op ontbinding der overeenkomsten gebaseerde vorderingen van [appellanten] e.a. Het Hof acht het bestaan van deze vorderingen niet summierlijk gebleken. Het is van algemene bekendheid dat projecten als de onderhavige veelal te kampen hebben met aanmerkelijke vertragingen. De contractuele bepaling omtrent de ‘closing date’ lijkt in het onderhavige geval voldoende ruimte aan Aquarius te bieden; dat deze zich onvoldoende heeft ingespannen is niet aannemelijk geworden. Zelfs al zou sprake zijn van een algemene voorwaarde als bedoeld in artikel 6:231 BW, dan acht het Hof op basis van een summier onderzoek deze niet onredelijk bezwarend. De constructie waarvoor [appellanten] e.a. als participanten hebben gekozen impliceert een afhankelijkheid van (deel)betalingen door kopers en het Hof acht de stelling van Aquarius en Sabra aannemelijk dat de financiële crisis die betalingen ongunstig heeft beïnvloed.

1.4. Aangezien niet gebleken is dat Aquarius en Sabra andere vorderingen onbetaald laten, is niet summierlijk gebleken van feiten en omstandigheden welke aantonen dat Aquarius en Sabra in de toestand verkeren dat zij hebben opgehouden te betalen. De bestreden beschikkingen moeten daarom worden bevestigd. [appellanten] e.a. dienen de kosten van het hoger beroep te dragen.

2. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden beschikkingen en veroordeelt [appellanten] e.a. hoofdelijk in de kosten van de procedure in deze hoger beroepen, aan de zijde van Aquarius begroot op NAF. 5.100,= aan salaris van de gemachtigde en aan de zijde van Sabra begroot op NAF. 5.100,= aan salaris van de gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en J.P. de Haan, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, en ter openbare terechtzitting van 30 maart 2010 op Curaçao uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.