Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BL7933

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
02-03-2010
Datum publicatie
18-03-2010
Zaaknummer
AR 313/07 - H 160/08
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Docent vecht ontslag aan. Docent was meer dan een jaar arbeidsongeschikt. Hof is van oordeel dat de docent niet de status van ambtenaar heeft verkregen. Naar het voorlopig oordeel van het Hof zijn de bepalingen van Boek 7A BW van toepassing: partijen zijn een arbeidsovereenkomst aangegaan naar burgerlijk recht. Hof oordeelt dat er geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die het Hof voorshands tot het oordeel kunnen leiden dat het ontslag nietig of vernietigbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0274
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienummer: AR 313/07 - H 160/08

Uitspraak: 2 maart 2010

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Vonnis in het kort geding van:

de openbare rechtspersoon

HET EILANDGEBIED CURAÇAO,

zetelend op Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde, thans appellant,

gemachtigde: mr. Z. Metry (voorheen mr. M.C. Dall),

- tegen -

[Geïntimeerde],

wonende op Curaçao,

oorspronkelijk eiser, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. B.G.A. Avontuur.

Partijen worden hierna “het Eilandgebied” en “[geintimeerde]” genoemd.

1. Het verdere verloop van de procedure

Naar aanleiding van het vonnis van het Hof van 5 mei 2009 heeft [geintimeerde] een akte uitlating genomen, waarna het Eilandgebied een antwoordakte heeft genomen. Vonnis is bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Zoals [geintimeerde] naar voren heeft gebracht, volgt uit de uitspraak van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van 25 juni 2009 (RvBAz 2008/27) dat [geintimeerde] niet de status van ambtenaar heeft verkregen. Het Hof acht zich gebonden aan dit oordeel van de hoogste ambtenarenrechter omwille van een doelmatige competentieverdeling tussen de civiele rechter en de ambtenarenrechter. Een en ander brengt mee dat [geintimeerde] ontvankelijk is in zijn vordering bij de civiele rechter.

2.2 Naar het voorlopig oordeel van het Hof zijn de bepalingen van Boek 7A BW ten aanzien van [geintimeerde] van toepassing. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat zij een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht zijn aangegaan, een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7A:1613a BW derhalve. Voorts ligt in de gedragingen van partijen besloten dat zij er vóór of bij aanvang van de dienstbetrekking van uitgegaan zijn dat de bepalingen van Boek 7A BW ten aanzien van [geintimeerde] van toepassing zijn. Een aanwijzing hiervoor vormt het feit dat [geintimeerde] in zijn inleidend verzoekschrift zijn vordering mede heeft gebaseerd op bepalingen van Boek 7A BW, terwijl het Eilandgebied zich op het standpunt stelt dat [geintimeerde] (op goede gronden) is ontslagen, hetgeen erop duidt dat het Eilandgebied van de toepasselijkheid van de opzeggingsbepalingen is uitgegaan. Ook is van betekenis dat in het Informatieboekje 2005-2006 van de Dienst Openbare Scholen in het model contract wordt verwezen naar artikel 7A:1613w BW.

2.3 Mede gelet op de toepasselijkheid van de bepalingen van Boek 7A BW ten aanzien van [geintimeerde] is het Hof voorshands van oordeel dat zijn vordering, die ertoe strekt dat het Eilandgebied wordt veroordeeld om zijn salaris vanaf 1 oktober 2007 te betalen totdat de dienstbetrekking rechtsgeldig is geëindigd, niet toewijsbaar is. Naar het Hof begrijpt, heeft het Eilandgebied bij de brief van 21 september 2007 de arbeidsovereenkomst met [geintimeerde] opgezegd. Nu opzegging niet met terugwerkende kracht kan geschieden, houdt het Hof het ervoor dat het Eilandgebied het dienstverband van [geintimeerde] aldus met onmiddellijke ingang heeft beëindigd (vgl. HR 12 januari 1990, NJ 1990, 662). Van een nietig ontslag op de grond dat het Eilandgebied [geintimeerde] zonder toestemming van de Directeur van de Directie Arbeidszaken heeft ontslagen is geen sprake. De Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomsten (P.B. 1972, no. 111, zoals gewijzigd) is ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, van deze landsverordening niet van toepassing op de arbeidsovereenkomst, nu [geintimeerde] een aanstelling had als docent op een school. Dit betekent dat het het Eilandgebied niet ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomsten verboden was de arbeidsovereenkomst te beëindigen zonder toestemming van de Directeur van de Directie Arbeidszaken, zodat het ontslag niet ingevolge artikel 7, eerste lid, van deze landsverordening nietig kan zijn. Voorts kan het beroep op het ontslagverbod van artikel 7A:1615h, tweede lid, BW [geintimeerde] niet baten, reeds niet omdat hij volgens zijn eigen stellingen vanaf 13 maart 2006 aaneengesloten en volledig arbeidsongeschikt was, derhalve op de datum van de ontslagbrief reeds meer dan een jaar. Het onderhavige ontslagverbod geldt immers niet als de arbeidsongeschiktheid tenminste een jaar heeft geduurd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt in het licht van het vorenoverwogene niet in te zien dat het ontslag, zoals [geintimeerde] heeft betoogd, in strijd is met de goede zeden wegens strijd met de als productie 4 bij het inleidend verzoekschrift overgelegde overeenkomst tussen het Bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao en de SITEK. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die het Hof voorshands tot het oordeel kunnen leiden dat het ontslag van [geintimeerde] nietig of vernietigbaar is. Tot slot merkt het Hof nog op dat een loonvordering als de onderhavige niet kan worden toegewezen op grond van de stelling dat de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk of onregelmatig is beëindigd. Voor toewijzing van een dergelijke vordering is namelijk vereist dat de dienstbetrekking is blijven voortbestaan, terwijl het beroep op kennelijk onredelijk dan wel onregelmatig ontslag veronderstelt dat de dienstbetrekking is geëindigd. Ook onrechtmatige daad biedt geen grondslag voor de vordering van [geintimeerde], nog daargelaten of het handelen van het Eilandgebied als contractspartij van [geintimeerde] al tevens een onrechtmatige daad kan opleveren.

2.4 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd. Het Hof zal opnieuw rechtdoende het gevorderde afwijzen en [geintimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep. Daarbij zal geen gemachtigdensalaris worden geliquideerd aangezien de gemachtigden die voor het Eilandgebied hebben opgetreden hun werkzaamheden in overheidsdienst hebben verricht.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende,

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [geintimeerde] in de proceskosten aan de zijde van het Eilandgebied gevallen en tot op heden begroot op:

- in eerste aanleg: nihil;

- in hoger beroep: NAF. 1.500,- aan griffierechten en NAF. 232,- aan exploitkosten.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, H.L. Wattel en J.P. de Haan, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, en ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao uitgesproken op 2 maart 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.