Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BL7875

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
AR-76/07-H-118/09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betreft geschil over huurovereenkomst. Huurder mag bewijzen dat zij een verlenging is aangegaan van drie maanden. De stelling dat de algemene voorwaarden van de NVM hier niet van toepassing zijn omdat verhuurder geen lid is van de NVM faalt, het verbod op het gebruik van die voorwaarden door niet leden van de NVM is niet geschreven om enig belang van huurders te beschermen. Appellante kan geen beroep doen op de verbodsbepaling nu zij door ondertekening akkoord is gegaan met de toepassing van deze voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK: 16 februari 2010

ZAAKNR.: AR-76/07-H-118/09

HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE

NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Vonnis

in de zaak van:

de naamloze vennootschap LA BONAIRE N.V. (hierna La Bonaire),

gevestigd op Bonaire,

voorheen gedaagde in conventie en eiseres in reconventie, thans appellante,

gemachtigde: mr. M.H. Römer,

tegen

[geïntimeerde],

wonend op Bonaire,

voorheen eiser in conventie en gedaagde in reconventie, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mrs. A.C.A. Gonzales en A.D. Juliana.

1. Het verloop van de procedure

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Bonaire (verder: het GEA), wordt verwezen naar het tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis van 24 september 2008. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

La Bonaire is in hoger beroep gekomen van genoemd vonnis door indiening op 3 november 2008 van een daartoe strekkende akte ter griffie van het GEA. Bij op 16 december 2008 ingediende memorie van grieven zijn vijftien grieven aangevoerd en toegelicht en is geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en tot afwijzing van de vordering in conventie en tot toewijzing van de vordering in reconventie, met veroordeling van [geintimeerde] in de kosten van beide instanties.

[geintimeerde] heeft een memorie van antwoord genomen en geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis in eerste aanleg, met veroordeling van appellante in de kosten van het appel.

Op de voor het pleidooi bepaalde dag heeft La Bonaire pleitnotities overgelegd, heeft [geintimeerde] afgezien van pleidooi en is bepaald dat vonnis zal worden gewezen, waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid

La Bonaire is tijdig en op de juiste wijze in beroep gekomen van het door haar bestreden vonnis, zodat zij daarin kan worden ontvangen.

3. De grieven

Voor de opgeworpen grieven verwijst het Hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 Er is niet gegriefd tegen het oordeel van het GEA dat [geintimeerde] de rechtsgeldigheid van de huurovereenkomst met betrekking tot de opslagruimte heeft bekrachtigd door aanvaarding van de maandelijks door La Bonaire betaalde huurpenningen van NAF. 4.400,- met ingang van 1 april 2004. Evenmin is gegriefd tegen het oordeel van het GEA dat La Bonaire op grond van de net genoemde bekrachtiging mocht aannemen dat [W.X.] beschikte over een toereikende volmacht om [geintimeerde] te binden met betrekking tot de huur ter zake de winkelruimte en dat [geintimeerde] daarom gebonden is aan de overeenkomst van 6 juni 2005. Nu ook het Hof ambtshalve geen bezwaren heeft tegen een en ander, wordt daarvan uitgegaan.

4.2 In haar eerste grief stelt La Bonaire dat het GEA niet heeft vermeld en geoordeeld over haar bij repliek in reconventie gewijzigde eis, maar slechts over haar bij antwoord in conventie en conclusie van eis in reconventie ingestelde eis.

Het GEA heeft op de tweede pagina van het vonnis de vordering van La Bonaire weergegeven. In deze weergave is weliswaar niet letterlijk de gevorderde wijzing van eis opgenomen, maar die wijziging is wel afdoende samengevat en wel onder het nummer 2. onvoorwaardelijk sub A. Een en ander was niet vermeld in de bij conclusie van antwoord en eis in reconventie ingestelde vordering.

Het oordeel van het GEA over de rechtmatigheid van de gelegde beslagen is te vinden op de pagina volgend op de pagina waarop met vetgedrukte woorden is vermeld “En voorts in reconventie”.

De eerste grief is aldus feitelijk onjuist en faalt daarom.

4.3 De tweede grief faalt gelet op hetgeen het GEA in het vonnis in de alinea volgend op de in de tweede grief geciteerde alinea heeft vermeld. Daarin wordt immers het bestaan van het optierecht vermeld.

4.4 De door partijen op 24 april 2002 getekende huurovereenkomst bepaalt in art. 1.2 dat de overeenkomst “… is an indissoluble entity with the general rules as filed on the 10th of April 1984, at the court of Utrecht, The Netherlands, and registered there …”.

De betreffende “general rules” zijn de algemene voorwaarden van de NVM. De stelling van La Bonaire dat deze voorwaarden alleen door leden van de NVM mogen worden gebruikt en dat [geintimeerde] geen lid is, is niet, in elk geval niet voldoende gemotiveerd, betwist, zodat het Hof daarvan uitgaat.

Alleen al omdat het verbod op gebruik van die voorwaarden niet is geschreven om enig belang van huurders als La Bonaire te beschermen, kan La Bonaire, die blijkens de ondertekening van de huurovereenkomst akkoord is gegaan met de toepassing van deze voorwaarden op de huurovereenkomst, geen beroep doen op die verbodsbepaling.

De stelling van La Bonaire dat de voorwaarden zodanig zijn verbonden met de Nederlandse wetgeving en samenleving dat deze hier niet van toepassing kunnen zijn, faalt alleen al omdat zij niet nader is toegelicht.

Eén en ander betekent dat ook de derde grief wordt verworpen.

4.5 De grieven 4 en 6, waarmee de vraag wordt voorgelegd of de tot 1 augustus 2006 lopende huurovereenkomst al dan niet met drie maanden is verlengd, worden gezamenlijk beoordeeld.

De inhoud van de correspondentie (zie vooral de als productie 5 bij inleidend verzoekschrift overgelegde brief van 13 juli 2006 van La Bonaire aan “mnr. [T.] + mnr. [N].”) op grond waarvan het GEA tot de slotsom is gekomen dat de overeenkomst niet met drie maanden is verlengd, maar met een jaar, is niet zodanig duidelijk dat aan het expliciete aanbod van La Bonaire om te bewijzen dat zij met [W.X.] een verlenging van drie maanden is overeengekomen, voorbij kan worden gegaan. Het Hof laat bij de acceptatie van dit bewijsaanbod ook meewegen de inhoud van de als productie 6 bij inleidend verzoekschrift overgelegde brief van [geintimeerde] waar met de hand als datum 15 juli 2006 is opgeschreven en in welke brief [geintimeerde] nog uitgaat van de oorspronkelijke huurovereenkomst, een uitgangspunt dat onder meer gelet op het hiervoor onder 4.1 vermelde, onjuist is. Dat La Bonaire [W.X.] wat een dergelijke verlenging betreft voor bevoegd mocht houden, volgt uit hetgeen hiervoor onder 4.1 is vermeld. Het Hof zal La Bonaire dan ook in staat stellen om te bewijzen dat zij middels [W.X.] met [geintimeerde] een verlenging van de huurovereenkomst van 6 juni 2005 is overeengekomen van drie maanden, ingaande 1 augustus 2006.

4.6 Om proces-economische redenen zal het Hof de overige grieven, voor zover opportuun alvast beoordelen.

In de vijfde grief wordt geklaagd over de feitelijke vaststelling door het GEA dat de ruimte door [geintimeerde] weer is verhuurd met ingang van 1 december 2007.

La Bonaire heeft geen belang bij een beoordeling van deze grief omdat het GEA aan deze feitenvaststelling geen gevolgen heeft verbonden en La Bonaire zich niet op enig rechtsgevolg in dit verband heeft beroepen .

4.7 Met haar zevende grief klaagt La Bonaire over het feit dat het GEA heeft miskend dat indien niet komt vast te staan dat de huurovereenkomst van 6 juni 2005 met drie maanden is verlengd, die schriftelijke overeenkomst van 6 juni 2005 is geëindigd, maar dat zij, La Bonaire wel in het genot van het gehuurde is gebleven zodat dan krachtens de wet (noot Hof: kennelijk is bedoeld art. 7A: 1590 BW) de bepalingen omtrent de mondelinge huurovereenkomst van toepassing zijn.

Bij de beoordeling van deze grief stelt het Hof het volgende voorop.

- partijen hebben op 24 april 2002 een huurovereenkomst gesloten met als eerste huurtermijn een periode van drie jaar met ingang van 1 augustus 2002;

- art. 2.2 van genoemde huurovereenkomst bepaalt dat de huurder geacht wordt gebruik te hebben gemaakt van de optie op verlenging voor de duur van vijf jaar indien hij niet voor 1 februari 2005 “per registered letter” heeft verklaard geen gebruik van de verlengingsoptie te willen maken en dat aan het eind van de eerste verlenging “… cancellation of this agreement must be accordingly to what is agreed in paragraph 3”;

- par. 3 van art. 2 van de huurovereenkomst houdt in dat de op grond van de optie verlengde overeenkomst een opzegtermijn heeft van zes maanden;

- par. 2.4 van de huurovereenkomst bepaalt dat als de huurovereenkomst niet is opgezegd conform de bepalingen van de overeenkomst, de overeenkomst telkens wordt verlengd voor de duur van vijf jaar;

- productie 8, overgelegd bij het inleidend verzoekschrift, bepaalt dat de tussen partijen gesloten huurovereenkomst die zou eindigen op 31 juli 2005, wordt verlengd met een periode van één jaar en dat die verlengde overeenkomst moet worden opgezegd met een termijn van drie maanden voor de datum van beëindiging, dus voor 30 april 2006. De overeenkomst houdt verder het volgende in:”Based on the economic situation, the original contract will be extended as it is written in the contract, signed February 24 2002 (Het Hof leest als kennelijke schrijffout in plaats van februari “april”, nu alleen hier melding wordt gemaakt van februari).

Uit al deze bepalingen, in onderling verband en samenhang bezien, moet worden afgeleid dat partijen in elk geval voorzieningen hebben getroffen voor verlenging van de overeenkomst, zodat art. 7A:1590 BW niet van toepassing is.

Daarmee vervalt de grondslag aan deze grief, zodat die wordt verworpen. Nu La Bonaire niet, in elk geval niet behoorlijk gemotiveerd, heeft gesteld dat partijen een andere opzeggingstermijn zijn overeengekomen dan op grond van art. 7A:1590 BW zou gelden, kan in het midden blijven welke opzeggingstermijn rechtens wel de juiste is.

4.8 Met haar achtste grief miskent La Bonaire dat waar de wet zegt dat een schriftelijke voor bepaalde tijd aangegane huurovereenkomst van rechtswege zonder dat opzegging is vereist, eindigt, dit een bepaling is van aanvullend recht welke door partijen opzijgezet kan worden, hetgeen partijen in deze zaak, zie hiervoor onder 4.7, ook hebben gedaan.

4.9 De negende grief bouwt voort op de grieven zeven en acht. Nu die niet slagen, faalt grief negen eveneens.

4.10 Voor zover de tiende grief berust op de stelling dat de algemene voorwaarden niet van toepassing zijn, faalt zij gelet op hetgeen hiervoor onder 4.4 is overwogen.

De stelling dat een rente van 1% per maand woekerrente is, is feitelijk onjuist en faalt om die reden.

4.11 Het oordeel over de grieven 11, 12, 13 en 14 kan pas zinvol worden gegeven nadat duidelijk is of La Bonaire al dan niet is geslaagd in haar bewijsopdracht, zodat de beoordeling van die grieven wordt aangehouden.

4.12 De vijftiende grief betreft de proceskostenveroordeling. Het Hof acht termen aanwezig om die grief pas in het eindvonnis te beoordelen.

4.13 Elke verdere beslissing zal worden aangehouden.

BESLISSING:

Het Hof:

alvorens verder te beslissen:

stelt La Bonaire in staat om te bewijzen dat zij middels [W.X.] met [geintimeerde] een verlenging van de huurovereenkomst van 6 juni 2005 met drie maanden, ingaande 1 augustus 2006 is overeengekomen;

bepaalt dat La Bonaire, indien getuigen worden voorgebracht, uiterlijk drie dagen voor het te houden verhoor de griffie van het Hof schriftelijk, met afschrift aan de wederpartij, dient te laten weten dat getuigen worden voorgebracht met opgave van het aantal getuigen en de namen van de getuigen;

bepaalt dat een eventueel getuigenverhoor zal plaatsvinden ten overstaan van mr. J.R. Sijmonsma, lid van dit Hof, in het Stadhuis op Curaçao op 22 maart 2010 om 14.00 uur;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.R. Sijmonsma, H.L. Wattel en J.P. de Haan, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao uitgesproken op 16 februari 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.