Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BL2916

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
08-02-2010
Zaaknummer
EJ 1379/08– H. 78/09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Het GEA oordeelde dat er eerder sprake was van overeenkomst van opdracht dan van een arbeidsovereenkomst en daarom door appellant een de verkeerde procedure is gevolgd. Hof oordeelt dat het GEA appellant ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat uit advies van de Raad van Advies blijkt dat de rechter in beginsel de rechtszoekende helpt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0159

Uitspraak

Registratienrs. EJ 1379/08– H. 78/09

Uitspraak: 19 januari 2010

BESCHIKKING GEGEVEN DOOR HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

in de zaak van:

[appellant],

domicilie kiezende ten kantore van zijn gemachtigde,

oorspronkelijk verzoeker, thans appellant,

gemachtigde: mr. D.G. Kock,

tegen

de vennootschap naar Venezuelaans recht CAYCO SOCIEDAD ANONIMA (S.A.),

gevestigd en kantoorhoudende aan de Avenida Andres Bello, Centro Comercial Alto Chama, Torre Sur, Piso 3, Oficina TS 3-02, Merida, Venezuela,

oorspronkelijk gerekwestreerde, thans geïntimeerde,

niet verschenen.

Partijen worden hierna aangeduid met [appellant] en Cayco.

Het verloop van de procedure

1.1. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in de zaak met EJ nummer 1379 van 2008 gegeven en op 8 januari 2009 uitgesproken tussenbeschikking en de op 5 maart 2009 uitgesproken eindbeschikking. De inhoud van die beschikkingen geldt als hier ingevoegd.

1.2. [appellant] is bij beroepschrift, ingekomen op 16 april 2009, in hoger beroep gekomen van voornoemde eindbeschikking. Daarin heeft hij zijn beroep toegelicht en geconcludeerd dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, zijn verzoeken alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Cayco in de kosten van beide instanties.

1.3. Cayco heeft geen verweerschrift ingediend.

1.4. Op 8 december 2009 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Enkel mr. E.R. Zeppenfeldt, occuperend voor de gemachtigde van [appellant] is verschenen.

1.5. Het Hof heeft op de zitting bepaald dat heden een beschikking zal worden uitgesproken.

2. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift.

3. Beoordeling

3.1. Het GEA heeft geoordeeld dat uit de stukken en uit hetgeen door [appellant] is aangevoerd niet volgt dat tussen Cayco en [appellant] een arbeidsovereenkomst geldt, maar eerder een overeenkomst van opdracht en dat geschillen over een dergelijke overeenkomst aanhangig dienen te worden gemaakt overeenkomstig de regels van titel 2 van Boek 1 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering van Aruba (Rv). Nu [appellant] heeft gekozen voor de procedure ex artikel 429a e.v. Rv, heeft het GEA hem niet-ontvankelijk verklaard.

3.2. Hiertegen richt zich [appellant]s hoger beroep terecht. Bij de totstandkoming van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Aruba heeft de regering van Aruba naar aanleiding van het advies van de Raad van Advies van Aruba onder meer het volgende opgemerkt:

‘De raad vraagt voorts aandacht voor hetgeen overigens door de Orde van Advocaten is opgemerkt in de paragrafen 2, 3 en 4 van zijn bij het advies van de raad gevoegde schrijven. De Orde vraagt zich af of geen “wisselbepaling” wenselijk is in verband met het bestaan van de twee procedures. Ondergetekende meent van niet, aangezien in het hier te lande vigerende systeem de rechtsingang via de rechter verloopt. Daarbij helpt de rechter in beginsel de rechtzoekende. Voldoet een inleidend verzoekschrift niet aan de eisen, dan wordt deze teruggegeven ter verbetering (artikel 112). Indien een procedure op een verkeerd spoor gezet wordt, kan zulks derhalve in zekere zin aan de rechter worden toegerekend. Tot een niet-ontvankelijkheid van eiser of verzoeker mag zulks in het hier te lande geldende systeem niet leiden.’

3.3. Het Hof sluit zich aan bij dit betoog. Het GEA heeft derhalve [appellant] ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het Hof zal de bestreden beschikking vernietigen en de zaak terugverwijzen naar het GEA, met reservering van de kosten van het hoger beroep.

3.4. Ook overigens is het hoger beroep gegrond. Het GEA had ten minste [appellant] moeten toelaten tot bewijslevering van het bestaan van een arbeidsovereenkomst, ervan uitgaande dat de door [appellant] gestelde (en wegens het niet verschijnen van Cayco onweersproken gebleven) feiten op zichzelf tot het beoogde rechtsgevolg kunnen leiden, maar de inhoud van de gedingstukken niettemin aan de rechtmatigheid of gegrondheid van de vordering op deze grondslag doet twijfelen. In hoger beroep zijn als potentiële getuigen genoemd [E.M. en J.M.], de principalen binnen Cayco, die regelmatig in Aruba verblijven, alsmede kantoorpersoneel van Cayco. In hoger beroep is voorts overgelegd een kopie van een visitekaartje van [appellant] met daarop met betrekking tot het Arubaanse project vermeld ‘Proyect Manager’. [appellant] heeft daarbij gesteld dat hij primair in deze functie is aangesteld, om als lokale representant, in ondergeschiktheid aan deze principalen, het project te leiden.

3.5. Mocht na verwijzing de zaak worden behandeld als zgn. AR-zaak omdat (wederom) het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet komt vast te staan, dan dient [appellant] griffierecht na te betalen (ad Afl. 14.900,=).

4. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de bestreden beschikking, en opnieuw rechtdoende:

- verwijst de zaak naar het GEA voor verdere afdoening;

- reserveert de kosten van het hoger beroep tot de einduitspraak van het GEA na verwijzing.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, H.L. Wattel en J.P. de Haan, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 januari 2010 in Aruba, in tegenwoordigheid van de griffier.