Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BL2051

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
04-02-2010
Zaaknummer
AR-58/08-H-67/09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betreft wanprestatie van CORC met betrekking tot levering van deugdelijke keuken. Hof oordeelt dat in onderhavige omstandigheden CORC in verzuim is geraakt en schadeplichtig is. Nu CORC niet op het schikkingsvoorstel is ingegaan hebben appellanten recht op vervangende schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ZAAKNR: AR-58/08-H-67/09

UITSPRAAK: 26 januari 2010

HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE

NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Vonnis in de zaak van:

1. [B.V.],

2. [A.M.],

beiden wonend op Curaçao,

voorheen eisers, thans appellanten,

gemachtigde: mr. S.J. Fontein,

- tegen -

de naamloze vennootschap

CURAÇAO OCEAN RESORT CONSTRUCTION N.V.,

gevestigd op Curaçao,

voorheen gedaagde, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. S.C. Limon.

Partijen worden hierna [appellanten]cs en CORC genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, (verder: GEA) wordt verwezen naar het tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis van 10 november 2008.

1.2 [appellanten]cs zijn in hoger beroep gekomen van genoemd vonnis door indiening op 21 november 2008 van een daartoe strekkende akte ter griffie van het GEA. Bij afzonderlijke memorie van grieven, ingediend op 12 december 2008, hebben [appellanten]cs zes grieven aangevoerd, deze toegelicht en geconcludeerd het vonnis waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, in hun vorderingen ontvankelijk te verklaren (het Hof begrijpt: hun vorderingen alsnog toe te wijzen), met veroordeling van CORC in de kosten van beide instanties.

1.3 CORC heeft op 12 maart 2009 een memorie van antwoord ingediend en geconcludeerd het hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, althans het vonnis waarvan beroep, al dan niet onder verbetering van gronden, te bevestigen, met veroordeling van [appellanten]cs in de kosten.

1.4 Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben partijen pleitnotities overgelegd, waarna CORC op 1 december 2009 een akte uitlating producties heeft genomen. Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2. Ontvankelijkheid

[appellanten]cs zijn tijdig en op de juiste wijze in beroep gekomen zodat zij daarin kunnen worden ontvangen.

3. Grieven

Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. Beoordeling

4.1 Geen grieven zijn gericht tegen de feitenvaststelling in het bestreden vonnis, onder rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.7. Die vaststelling komt het Hof ook juist voor, zodat het bij de beoordeling daarvan zal uitgaan.

4.2 Verder staat tussen partijen, als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet dan wel niet voldoende gemotiveerd betwist en/of blijkend uit overgelegde producties, het volgende vast.

a) Op 28 maart 2007 hebben [appellanten]cs aan CORC een brief gestuurd, in reactie op het door CORC bij schrijven van 23 februari 2007 gedane voorstel (het aanbrengen van ventilatiegaten in de onderzijde van de keukenkastjes), die onder meer het volgende inhoudt:

<i>(…)

Als ventilatiegaten zouden worden aangebracht, blijven de bovenkastjes, en de laden zoals ze zijn, en dan zal de stank permanent aanwezig zijn in het hele appartement, waardoor deze niet meer bewoonbaar is.

Na deskundig advies, is gebleken dat deze stank nog zeker 15 jaar zal voortduren, omdat het in het hout zit.

Het aanbrengen van ventilatiegaten is totaal geen optie, omdat wij als wij er niet zijn en dat zijn soms maanden, alle kastjes en laden open zetten en de stank gewoon blijft. U constateerde zelf, dat de stank zo erg is, dat je er hoofdpijn van krijgt. De verwerkte lijm is zelfs kankerverwekkend.

(…)

Bovendien gaat u voorbij aan het gegeven, dat het laminaat, dat op de houten deurtjes en de panelen is aangebracht los begint te laten, waardoor de keuken uiteen zal vallen.

(…)</i>

b) De brief van 12 december 2007 van [appellanten]cs aan CORC houdt, direct na de door GEA in rechtsoverweging 2.7 van het bestreden vonnis opgenomen passages, onder meer het volgende in:

<i>(…) bij gebreke waarvan cliënten mij verzocht hebben u zonder nadere waarschuwing in rechte te betrekken.

Daarbij is eerder genoemd voorstel niet meer van toepassing en zullen cliënten u aansprakelijk stellen voor alle direct en indirecte kosten terzake van de verwijdering van de huidige ondeugdelijke keuken en de levering en installatie van een geheel nieuwe keuken.

(...)</i>

c) Een brief van [C.B.] van 13 december 2008 (onduidelijk aan wie gericht) houdt het volgende in:

<i>Ondergetekende die regelmatig, vanaf de aankoop het appartement van de [appellanten]bezoekt, heeft zelf geconstateerd, dat de keuken niet voldoet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden.

De keuken is geen fabriekskeuken, maar ter plaatste van spaanplaat gemaakt.

Op de eerste plaats verspreidt de keuken een zeer onaangename lucht wat blijkt bij binnenkomst van het appartement, de stank is in de hele woonkamer te ruiken, en uiteraard het ergste in de keuken zelf. Ik heb zelf gezien, dat het servies als die in de keukenkasten staan een doffe aanslag krijgen en alleen gebruikt kan worden als het is afgewassen.

Op de tweede plaats laat op heel veel plaatsen de bedekking van de keukenkastjes, de laden en de deuren los, en scheurt bovendien, waardoor scherpe randen ontstaan, waaraan je je kunt snijden, dit wordt steeds erger.

Ook de sluitingen van de deuren en de geleidingen van de laden werken niet goed.</i>

d) Een brief van [A.H.], van 15 december 2008 (kennelijk gericht aan degene die de keuken geplaatst heeft), houdt onder meer het volgende in:

<i>(…)

Sinds de dag dat u de keuken geplaatst heeft in het appartement geeft deze een nare lucht af. Dit is in het verloop van de tijd niet minder geworden. Hierdoor is het zeer hinderlijk om in de keuken te werken. Daarnaast slaat het servies dat ik de keukenkastjes staat dof uit, waardoor men dit elke keer moet afwassen alvorens men dit kan gebruiken.

Daar dit appartement regelmatig wordt verhuurd aan toeristen, hebben wij meerdere klachten over bovenstaande problemen ontvangen. De heer Vink, eigenaar van het appartement, is zeer slecht te spreken over de keuken en diens gebreken zoals hierboven omschreven.

Naar onze mening is de keuken niet op correcte wijze door u geïnstalleerd, en daar vinden de heer [appellanten]en zijn gasten overlast van. Wij baseren dit mede doordat het laminaat van de keukendeurtjes en laden loslaat waarna het laminaat zo opkrult dat dit niet meer te lijmen valt.

(…) </i>

e) Op 30 september 2009 is door een chemisch analist de formaldehyde concentratie in de keuken en de keukenkasten van het appartement van [appellanten]cs gemeten. Daaruit is gebleken dat de “Richtwaarde Binnenruimte” (volgens de Luchtkwaliteit Richtlijnen voor Europa) in de keukenkast links is overschreden en dat die waarde in de keukenruimte zelf is bereikt of overschreden.

4.3 De grieven beogen het geschil in volle omvang aan het oordeel van het Hof voor te leggen.

4.4 CORC heeft betoogd dat geen waarde gehecht moet worden aan de bij pleidooi door [appellanten]cs ingebrachte producties omdat [appellanten]cs deze eerder in het geding hadden moeten brengen.

Gezien de dagtekeningen van de respectieve producties (zie hierboven onder 4.2 sub c tot en met sub e), die alle van na de memorie van grieven dateren, hebben [appellanten]cs deze niet eerder dan bij pleidooi kunnen inbrengen. Verder heeft CORC de gelegenheid gehad om op deze producties te reageren bij akte uitlating producties en heeft zij van deze mogelijkheid ook gebruik gemaakt. Het betoog faalt.

4.5 [appellanten]cs hebben hun in eerste aanleg aangevoerde, en aldaar onvoldoende onderbouwd geoordeelde, stelling dat de keuken op instorten staat of uit elkaar valt, in hoger beroep nader gespecificeerd en onderbouwd. Zo hebben zij gesteld dat de kunststoflaag op veel plaatsen van de ondergrond loslaat, zodanig dat dit niet meer te herstellen valt en daarbij scherpe randen ontstaan, en dat de deursluitingen en geleidingen niet goed werken. Verder, zo is bij pleidooi gesteld, is er een overmaat van formaldehyde in de keuken aanwezig, hetgeen kankerverwekkend is. Bij memorie van grieven en pleidooi hebben [appellanten]cs producties (waaronder foto’s) in het geding gebracht die deze stellingen ondersteunen.

4.6 Genoemde stellingen zijn door CORC niet weersproken. Aldus staat – naast het vaststaande feit dat de keuken een verf- of lijmlucht verspreid – thans tussen partijen vast dat de kunststoflaag op vele plaatsen op onherstelbare wijze loslaat, de deursluitingen en geleidingen niet goed werken en dat er een te hoge concentratie formaldehyde aanwezig is.

4.7 CORC heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij niet in verzuim is geraakt doordat [appellanten]cs de door CORC aangeboden oplossing (het aanbrengen van ventilatiegaten in de onderzijde van de keukenkastjes) van de hand hebben gewezen, waardoor [appellanten]cs zelf in schuldeisersverzuim verkeren, en CORC geen gelegenheid tot herstel c.q. deugdelijke nakoming hebben gegeven.

4.8 In de brief van 27 maart 2007 hebben [appellanten]cs uitgebreid gemotiveerd en met verwijzing naar deskundig advies aangegeven waarom zij de door CORC aangedragen oplossing geen afdoende herstel achten, en er verder op gewezen dat die aangedragen oplossing niet is gericht op het verhelpen van de andere klacht, te weten het loslaten van de kunststof laag.

In deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat [appellanten]cs met hun weigering in te gaan op het aanbod van CORC, geen medewerking hebben verleend aan een oplossing waardoor zij CORC verhinderen deugdelijk na te komen. Van schuldeisersverzuim is dus geen sprake.

4.9 Met hun brief van 12 december 2007 hebben [appellanten]cs aan CORC meegedeeld dat zij haar in gebreke stellen maar hebben zij daarbij geen redelijke termijn voor herstel geboden.

[appellanten]cs hebben in hoger beroep betoogd (in de toelichting op de vierde grief) dat in de onderhavige omstandigheden het beroep op ontbreken van een ingebrekestelling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dan wel dat een ingebrekestelling achterwege heeft kunnen blijven en CORC zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt. Dit betoog slaagt.

4.10 Gezien de ernst van de vaststaande gebreken; het vaststaande feit dat er van meet af aan klachten over de keuken waren (zowel bij de oplevering als de 2e oplevering); het vaststaande feit dat eerder beproefde oplossingen (het schuren en vernissen van de keukenkasten en toen dat niet hielp het witverven van de binnenzijden ervan) niet hebben gewerkt; en het vaststaande feit dat hierop mondeling en schriftelijk (bij brieven van 20 februari 2006 en 3 maart 2006) door [appellanten]cs is gewezen, wordt geoordeeld dat CORC op het moment van de ontvangst van de brief van 12 december 2007 (de “gebrekkige ingebrekestelling”) reeds in verzuim was ten aanzien van haar prestatieplicht om een deugdelijke keuken te leveren. Met andere woorden: CORC is in de onderhavige omstandigheden, ook indien de brief van 12 december 2007 niet als ingebrekestelling wordt aangemerkt, in verzuim geraakt. Hierdoor is zij schadeplichtig geworden. Het beroep van CORC op het ontbreken van een ingebrekestelling is onder deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

4.11 Middels de brief van 12 december 2007 hebben [appellanten]cs verder – voorwaardelijk, namelijk wanneer niet binnen tien dagen zou worden ingegaan op het voorstel om het in depot verkerend bedrag van NAF. 10.000,- aan [appellanten]cs uit te betalen – vervangende schadevergoeding gevorderd. In de omstandigheid dat CORC niet op het schikkingsvoorstel is ingegaan, hebben [appellanten]cs recht op die vervangende schadevergoeding. Nu CORC de hoogte van de gevorderde schadevergoeding niet, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft bestreden, zal zij tot betaling hiervan veroordeeld worden.

4.12 Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd en CORC veroordeeld zal worden om NAF. 19.963,48, vermeerderd met de wettelijke rente zoals gevorderd, aan [appellanten]cs te betalen, met veroordeling van CORC in de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep.

BESLISSING:

Het Hof:

vernietigt het bestreden vonnis en doet opnieuw recht;

veroordeelt CORC om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellanten]cs te betalen NAF. 19.963,48, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2006;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt CORC in de kosten van het geding aan de zijde van [appellanten]cs, tot op heden begroot op:

- in eerste aanleg: NAF. 750,- aan griffierecht, NAF. 254,08 aan betekeningskosten en NAF. 1.500,- aan gemachtigdensalaris;

- in hoger beroep: NAF. 1.500,- aan griffierecht, NAF. 251,50 aan betekeningskosten en NAF. 3.600,- aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, F.J.P. Lock en E.M. van der Bunt, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao uitgesproken op 26 januari 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.