Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BL0918

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
21-01-2010
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
H-171/09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in eerste aanleg 5 jaar gekregen wegens medeplegen van diefstal met geweld en afpersing. Verdachte komt in appel wegens de strafmaat. Echter in hoger beroep wordt 12 jaar geëist op grond van de minimum straf van art. 438 b Sr. Hof verklaart dat zij niet gebonden is aan de wettelijke minimumstraf, omdat de daar bedoelde strafverzwarende omstandigheid slechts in aanmerking kan worden genomen indien zij aan de verdachte is tenlastegelegd. Verdachte krijgt opnieuw 5 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Nummer: H-171/09

Uitspraak: 21 januari 2010

Tegenspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

S T R A F V O N N I S

gewezen in het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 26 augustus 2009,

in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [datum] 1984 op Curaçao,

wonende op Curaçao,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring op Curaçao.

<u>Het onderzoek van de zaak</u>

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 7 januari 2010 op Curaçao.

Het Hof heeft kennis genomen van de vordering van de waarnemend procureur-generaal, mr. A.C. van der Schans en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw,

mr. T.F. Smeulders, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd, en dat verdachte ter zake van feit 1 subsidiair en feit 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest.

In eerste aanleg is verdachte ter zake van feit 1 subsidiair en feit 2 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.

<u>Omvang hoger beroep</u>

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Dit beroep is niet gericht tegen de vrijspraak van feit 1, primair. Overigens heeft het openbaar ministerie ook te kennen gegeven zich neer te leggen bij deze vrijspraak. In zoverre is derhalve het vonnis waarvan beroep niet aan beoordeling in hoger beroep onderworpen.

<u>De tenlastelegging</u>

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen staat vermeld in de dagvaarding in eerste aanleg. Van deze dagvaarding is een fotokopie aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

<u>Het vonnis waarvan beroep</u>

Het Hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen nu het zich daar niet mee kan verenigen.

<u>Vrijspraak</u>

Het Hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1 subsidiair en meer subsidiair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij. Het Hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte kennis ervan droeg dat de mobiele telefoon van diefstal afkomstig was of dat er sprake is van grove verwaarlozing van de ten deze geboden voorzichtigheid. Over de wijze van verkrijging van de telefoon is immers niets bekend, terwijl het geringe tijdsverloop tussen de overval en de verkrijging van de telefoon door verdachte in dit geval onvoldoende is om een bewezenverklaring op te baseren.

<u>De bewezenverklaring</u>

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 2 is tenlastegelegd, met dien verstande:

dat hij, op 16 april 2009 op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit een woning aan de [adres], heeft weggenomen:

• een game boy toebehorende aan [M.];

• een mobiele telefoon, toebehorende aan [J.];

• een aantal sieraden en een horloge en een aantal zonnebrillen, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan verdachte en zijn medeverdachten;

welke diefstal werd voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen [M.], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en met het oogmerk om zichzelf en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [M.] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestond uit:

• het vastpakken van die [M.] bij de hals en;

• het verbaal aanmanen van die [M.] en haar, die [M.]’s zoon, om op de vloer te gaan liggen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

<u>De bewijsmiddelen</u>

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen ingeval beroep in cassatie wordt ingesteld in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

<u>De kwalificatie en strafbaarheid van het feit</u>

Het bewezene levert op:

feit 2

<b>Medeplegen van diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken</b>, strafbaar gesteld bij artikel 325 jo 323 en artikel 49 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen,

en

<b>medeplegen van afpersing</b>, strafbaar gesteld bij artikel 330 jo artikel 49 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen

Het bewezene is strafbaar, nu geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

<u>Bewijsoverwegingen</u>

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte niet als medepleger van feit 2 kan worden aangemerkt daar er geen nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders kan worden bewezen en dat verdachte derhalve van dit feit dient te worden vrijgesproken.

Het Hof overweegt dienaangaande het volgende.

Uit de als bewijsmiddel gebruikte verklaring van de verdachte blijkt dat de verdachte, voordat de medeverdachten de woning binnengingen, wist dat die medeverdachten een beroving gingen plegen. Op enig moment heeft een medeverdachte een aantal goederen van waarde aan de verdachte overhandigd. Verdachte heeft zich ook toen niet gedistantieerd van de gebeurtenissen, maar de goederen kennelijk bij zich gehouden totdat deze in zijn bezit werden aangetroffen bij zijn aanhouding. Onder die omstandigheden is sprake van voldoende nauwe en bewuste samenwerking om van medeplegen te kunnen spreken.

<u>De strafbaarheid van de verdachte</u>

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

<u>De op te leggen straf</u>

Bij de bepaling van de straf heeft het Hof gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het Hof is niet gebonden aan de in artikel 438b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde minimumstraf, omdat de daar bedoelde strafverzwarende omstandigheid slecht in aanmerking kan worden genomen indien zij aan de verdachte is tenlastegelegd (zie HR 5 februari 2002, LJN AD 6981, NJ 2003,126).

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een overval op personen in hun woning. Tijdens deze overval zijn de slachtoffers door de mededaders van verdachte fysiek en verbaal gedwongen tot medewerking. Het slachtoffer [M.] werd aan de hals gegrepen en zowel [M.] als [J.] werden gedwongen om op de grond te gaan liggen.

Misdrijven zoals deze veroorzaken sterke gevoelens van onveiligheid in de samenleving in het algemeen en meer specifiek moet deze overval voor de slachtoffers zeer beangstigend zijn geweest.

Het Hof heeft kennis genomen van het over de persoon van de verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 6 mei 2009.

In het nadeel van verdachte houdt het Hof houdt rekening met het feit dat verdachte al eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. Verdachte heeft het onderhavige feit gepleegd zeer kort nadat hij voorwaardelijk in vrijheid is gesteld na een veroordeling in 2004 tot een gevangenisstraf van 8 jaren.

Alhoewel het Hof verdachte vrijspreekt van het onder 1 tenlastegelegde feit, ziet het Hof geen aanleiding om een lagere straf op te leggen dan het Gerecht in eerste aanleg heeft gedaan.

<u>De toepasselijke wettelijke voorschriften</u>

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op artikel 31 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen.

RECHTDOENDE IN NAAM DER KONINGIN IN HOGER BEROEP

Het Hof:

Vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao van 26 augustus 2009 en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 subsidiair en meer subsidiair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar.

Kwalificeert het bewezene als voren omschreven.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (VIJF) jaren.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak, in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H. de Doelder, G.C.C. Lewin en H.L. Wattel, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, en ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao, uitgesproken op 21 januari 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.