Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BK9378

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
06-01-2010
Datum publicatie
15-01-2010
Zaaknummer
H 119/2009
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medewerkster van de strafgevangenis wordt schuldig bevonden aan het verduisteren van gelden die zij uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder haar beheer had. Wegens het te lang zitten in een politiecel krijgt zij strafvermindering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: H 119/2009

Parketnummer: 07.5.0.0.11.597

Uitspraak: 6 januari 2010

Tegenspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

S T R A F V O N N I S

gewezen in het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, van 26 mei 2009

in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op Aruba op [datum] 1976,

wonend aan de Franse kant van Sint Maarten, Route Nationale, [adres]

<u>Het onderzoek van de zaak</u>

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 5 mei 2009 op Sint Maarten, zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal daarvan, alsmede van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 16 december 2009 op Sint Maarten.

Het Hof heeft kennis genomen van de vordering van de (waarnemend) procureur-generaal, mr. A.C. van der Schans, en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw recht doende, het tenlastegelegde zal bewezen verklaren en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur 30 maanden, waarvan 10 voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarde terugbetaling van het verduisterde geld, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

In eerste aanleg is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met als bijzondere voorwaarde het verrichten van 240 uur dienstverlening.

<u>De tenlastelegging</u>

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen staat vermeld in de dagvaarding in eerste aanleg:

dat zij, in of omstreeks de periode van januari 2005 tot en met 2 mei 2007, althans in of omstreeks de periode van januari 2006 tot en met 2 mei 2007, op het Nederlands Antilliaanse gedeelte van het eiland St. Maarten, opzettelijk geldbedragen van NAF 41.296.03 en/of NAF 201.783.48, althans een of meer geldbedragen van NAF 10.000.00 en/of NAF 5.288.80.00 en/of NAF 1.500.00 en/of NAF 5.741.00 en/of NAF 6.380.00 en/of NAF 79.240.17, althans een of meer geldbedragen, geheel of ten dele toebehorende aan P.C.M. Foundation en/of aan gedetineerden van de strafgevangenis en huis van bewaring Pointe Blanche, in ieder geval aan een ander of aan anderen dan aan verdachte, welk geld verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking, te weten: medewerkster van de strafgevangenis en huis van bewaring Pointe Blanche, onder haar beheer had, in ieder geval anders dan door misdrijf onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;

(artikel 334 en 335 Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen)

Kennelijke schrijffouten in de tenlastelegging worden verbeterd gelezen. De verdachte wordt daardoor niet in haar verdediging geschaad.

<u>Het vonnis waarvan beroep</u>

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het Hof (deels) tot andere beslissingen komt dan het Gerecht in eerste aanleg.

<u>De bewezenverklaring</u>

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, met dien verstande:

dat zij, in de periode van januari 2006 tot en met 2 mei 2007, op het Nederlands Antilliaanse gedeelte van het eiland St. Maarten, opzettelijk geldbedragen tot een totaal van NAF 107.000,-, toebehorende aan P.C.M. Foundation en aan gedetineerden van de strafgevangenis en huis van bewaring Pointe Blanche, welk geld verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking, te weten: medewerkster van de strafgevangenis en huis van bewaring Pointe Blanche, onder haar beheer had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;

Hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

<u>De bewijsmiddelen</u>

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het hierboven omschreven feit heeft begaan op de inhoud van de bewijsmiddelen. Deze zullen ingeval van het instellen van beroep in cassatie aan een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

<u>Kwalificatie en strafbaarheid van het feit</u>

Het bewezenverklaarde levert op:

verduistering gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, strafbaar gesteld bij artikel 335 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen.

<u>Strafbaarheid van de verdachte</u>

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

<u>Normschending</u>

Aannemelijk is geworden dat de verdachte zestien dagen te lang in een politiecel heeft verbleven. Deze termijnoverschrijding levert een normschending op. Het Hof zal overgaan tot compensatie van deze termijnoverschrijding in de vorm van strafvermindering van hierna te noemen duur.

<u>De op te leggen straf of maatregel</u>

Bij de bepaling van de straf heeft het Hof gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Naar het oordeel van het Hof is het door verdachte gepleegde feit dusdanig ernstig en voor de samenleving dusdanig verontrustend dat de door het Gerecht in eerste aanleg opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf daaraan onvoldoende recht doet.

Het Hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder rekening gehouden met het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking. Verdachte was medewerkster van de strafgevangenis en huis van bewaring Pointe Blanche, van januari 2006 tot januari 2007 op de afdeling gedetineerdenzorg. In die hoedanigheid was zij belast met het beheer van de gelden van gedetineerden. In die periode heeft zij maar liefst NAF. 107.000,- van de aan de gedetineerden toekomende gelden verduisterd. Daarvan heeft zij tot op heden slechts NAF. 1.000,- terugbetaald. Verdachte kon de gelden verduisteren omdat zij in haar functie het vertrouwen van haar leidinggevenden genoot, regelmatig alleen werkte en op die manier zelfstandig het beheer had over de bezoekgelden en toegang tot de daarvoor bestemde bankrekening. Verdachte heeft met haar strafbare handelen het in haar gestelde vertrouwen ernstig geschonden en haar ambt in diskrediet gebracht. Daarom zal de bijkomende straf van ontzetting uit het recht om enig ambt bij het land de Nederlandse Antillen te vervullen worden opgelegd. Zodoende wordt bewerkstelligd dat verdachte gedurende de periode van ontzetting niet opnieuw een ambt bekleed waarvan is gebleken dat zij daartoe niet gekwalificeerd is.

In het voordeel van verdachte houdt het Hof er rekening mee dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. Bij de bepaling van de strafmaat zal het Hof verder rekening houden met de omstandigheid dat verdachte zestien dagen te lang in een politiecel heeft doorgebracht. Het Hof acht een vermindering met twee maanden van het onvoorwaardelijk gedeelte van de op te leggen straf passend, in die zin dat dit gedeelte voorwaardelijk zal worden opgelegd.

Daar het Hof, voor wat betreft de op te leggen vrijheidsbenemende straf, overweegt een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan vijftien voorwaardelijk op te leggen, zal het Hof in plaats daarvan een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan zeventien voorwaardelijk opleggen.

Daarnaast zal het Hof de verdachte een geldboete van NAF. 30.000,- opleggen.

<u>De toepasselijke wettelijke voorschriften</u>

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 17a, 17b, 17c, 31, 32 en 34 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP

Het Hof:

Vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, van 26 mei 2009 en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Kwalificeert het bewezene als vorenomschreven.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot zeventien maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij later anders mocht worden gelast op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op drie jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel zich gedurende die proeftijd zich op een andere wijze heeft misdragen.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van NAF. 30.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 180 dagen.

Ontzet de verdachte van het recht om enig ambt te bekleden bij het land de Nederlandse Antillen of rechtsopvolger(s) daarvan voor de duur van vijf jaar.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, J. de Boer en F.J.P. Lock en, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, en ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao uitgesproken op 6 januari 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.