Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2009:BN6058

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
18-12-2009
Datum publicatie
07-09-2010
Zaaknummer
HLAR 039/09
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Werkgeefster en vreemdeling gaan in hoger beroep tegen uitspraak van het Gerecht. Hof oordeelt dat werkgeefster niet-ontvankelijk had dienen te worden verklaard omdat zij geen belanghebbende is in de zin van de Lar en verklaart beroep door vreemdeling ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 039/09

Datum uitspraak: 18 december 2009

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. de naamloze vennootschap Papagayo Restaurant N.V., gevestigd in Aruba,

2. […],

appellanten,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 4 maart 2009 in zaak nr. 1776 van 2008 in het geding tussen:

appellanten

en

de minister van Vreemdelingenzaken.

1. Procesverloop

Bij beschikking van 2 augustus 2007 heeft de minister van Vreemdelingenzaken (hierna: de minister) een verzoek van appellante sub 1 (hierna: de werkgeefster) om appellante sub 2 (hierna: de vreemdeling) een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen afgewezen.

Bij ongedateerde beschikking heeft de minister het daartegen door de werkgeefster en vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 maart 2009 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) het daartegen door onderscheidenlijk de werkgeefster en de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk, onderscheidenlijk ongegrond, verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de werkgeefster en de vreemdeling bij brief, bij het Hof ingekomen op 19 maart 2009, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2009, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. G.M.N. Maduro, werkzaam in dienst van het land, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De werkgeefster en de vreemdeling betogen dat het Gerecht, door het beroep, voor zover ingesteld door de werkgeefster, niet-ontvankelijk te verklaren, heeft miskend dat zij belanghebbende is bij de weigering de vreemdeling een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen.

2.1.1. Nu het bezwaar mede door de werkgeefster is gemaakt, is haar belang rechtstreeks bij de daarop gegeven beschikking betrokken. Nu daarvoor ook anderszins geen grond bestaat, heeft het Gerecht het beroep, voor zover door de werkgeefster ingesteld, dan ook ten onrechte niet ontvankelijk verklaard.

2.2. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door de werkgeefster, is gegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover het beroep van de werkgeefster daarbij niet-ontvankelijk is verklaard, te worden vernietigd. Het Hof zal de zaak evenwel niet naar het Gerecht terugverwijzen, nu het door de werkgeefster ingestelde beroep kennelijk gegrond is. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2.2.1. Zoals het Hof eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 oktober 2008 in zaak nr. 269 HLAR 41/08; www.rechtspraak.nl), is bij de weigering van een vergunning tot tijdelijk verblijf slechts het belang van de desbetreffende vreemdeling rechtstreeks betrokken.

In dit geval heeft de werkgeefster niet namens de vreemdeling, doch uit eigen hoofde bezwaar tegen de beschikking van 2 augustus 2007 gemaakt. Zij was echter geen belanghebbende in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Lar bij die beschikking en de minister heeft het door haar daartegen gemaakte bezwaar dan ook ten onrechte niet deswege niet-ontvankelijk verklaard.

2.3. De vreemdeling betoogt onder meer dat het Gerecht heeft miskend dat op de aanvraag ten onrechte het door de minister ten aanzien van ongeschoold personeel gevoerde beleid is toegepast.

2.3.1. Ingevolge artikel V van de Landsverordening tot wijziging van de Ltu en de Zegelverordening van 28 juni 2006 worden verzoeken om verlening van een vergunning tot verblijf of tot tijdelijk verblijf die na 1 juli 2006 zijn ingediend, behandeld overeenkomstig de op het tijdstip van indiening geldende voorschriften, bij of krachtens de Ltu gesteld.

Nu het verzoek op 18 april 2007 is ingediend, is de Ltu, zoals die sinds 1 juli 2006 luidt, van toepassing en niet het voorheen ten aanzien van ongeschoold personeel gevoerde beleid. De beroepsgrond kan echter niet tot het beoogde doel leiden. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2.3.2. Ingevolge artikel 7, lid 3, van de Ltu draagt de minister zorg dat de periode waarin een persoon met een andere dan de Nederlandse nationaliteit, die in loondienst op grond van een vergunning tot tijdelijk verblijf werkzaam is, aaneengesloten tot Aruba toegelaten is, ten hoogste drie jaar bedraagt.

2.3.3. Nu niet in geschil is dat de vreemdeling ten tijde van het indienen van het verzoek vier jaar krachtens een vergunning tot tijdelijk verblijf hier te lande voor het verrichten van arbeid in loondienst had verbleven en voormelde bepaling daarom aan haar verdere toelating in de weg staat, heeft het Gerecht het beroep terecht, zij het niet op juiste gronden, ongegrond verklaard.

2.4. Het hoger beroep is, voor zover ingesteld door de vreemdeling, ongegrond en, voor zover ingesteld door de werkgeefster, gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het door werkgeefster ingestelde beroep daarbij niet-ontvankelijk is verklaard en voor het overige, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof het door de werkgeefster ingestelde beroep gegrond verklaren en de ongedateerde beschikking vernietigen, voor zover de minister het door de werkgeefster gemaakte bezwaar daarbij ongegrond heeft verklaard. Nu de minister dat niet-ontvankelijk had dienen te verklaren, ziet het Hof aanleiding om op na te melden wijze zelf in de zaak te voorzien.

2.5. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen. Het Hof ziet aanleiding om daarbij een wegingsfactor van 0,25 toe te passen.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door de vreemdeling, ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door de werkgeefster, gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba, van 4 maart 2009 in zaak nr. 1776 van 2008, voor zover het door de werkgeefster ingestelde beroep daarbij niet-ontvankelijk is verklaard;

IV. bevestigt de uitspraak voor het overige;

V. verklaart het bij het Gerecht in die zaak door de werkgeefster tegen de beschikking van de minister van Vreemdelingenzaken, kenmerk DIMAS 3659/2007, ingestelde beroep gegrond;

VI. vernietigt die beschikking, voor zover het door de werkgeefster tegen de afwijzing gemaakte bezwaar daarbij ongegrond is verklaard;

VII. verklaart het door de werkgeefster tegen de afwijzing gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk;

VIII. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde beschikking;

IX. veroordeelt de minister van Vreemdelingenzaken tot vergoeding van de bij Papagayo Restaurant N.V. opgekomen proceskosten tot een bedrag van Afl. 350,00 (zegge: driehonderd vijftig gulden) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de minister van Vreemdelingenzaken aan Papagayo Restaurant N.V. te worden betaald;

X. gelast dat het land Aruba aan Papagayo Restaurant N.V. het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 100,00 (zegge: honderd gulden) teruggeeft.

Aldus vastgesteld door mr. H.L. Wattel, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Martinez, griffier.

w.g. Wattel

Voorzitter

w.g. Martinez

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2009

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,