Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2009:BM9978

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
18-12-2009
Datum publicatie
01-07-2010
Zaaknummer
HLAR 007/09
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De SVB heeft een verzoek van belanghebbende om tegemoetkoming in de kosten van geneeskundige behandeling en verpleging van wijlen zijn echtgenote afgewezen. Het Gerecht heeft het ingestelde beroep hiertegen gegrond verklaard. Betoog van SVB dat een geldige Seguro-card vereist is faalt. Beroep op vervallen van verleende verblijfsvergunning faalt ook, aannemelijk is dat indien zij verlenging tijdig had aangevraagd, tot die verlenging zou zijn besloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 007/09

Datum uitspraak: 18 december 2009

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Sociale Verzekeringsbank,

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, van 18 december 2008 in zaak

nr. 2006/142 in het geding tussen:

[belanghebbende]

en

appellante.

1. Procesverloop

Bij beschikking van 29 november 2007 heeft appellante (hierna: de SVB) een verzoek van [belanghebbende] (hierna: [belanghebbende]) om tegemoetkoming in de kosten van geneeskundige behandeling en verpleging van wijlen zijn echtgenote afgewezen.

Bij uitspraak van 18 december 2008 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, (hierna: het Gerecht) het door [belanghebbende] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, die beschikking vernietigd en bepaald dat de SVB opnieuw op het verzoek beslist met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de SVB bij brief, bij het Hof ingekomen op

29 januari 2009, hoger beroep ingesteld.

[belanghebbende] heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2009, waar de SVB, vertegenwoordigd door mr. M. Bonafasia, werkzaam in haar dienst, bijgestaan door mr. R.A.P.H. Pols, advocaat, en [belanghebbende], bijgestaan door mr. M.A. Hoeve, advocaat, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1 van de Landsverordening Ziekteverzekering (hierna: de LvZv), voor zover thans van belang, wordt onder gezinsleden verstaan: de echtgenote of echtgenoot van een als kostwinner aangemerkte werknemer of gewezen werknemer, alsmede diens kinderen en indien voornoemde personen ingezetenen zijn.

Ingevolge die bepaling wordt onder verzekerde een ieder verstaan die krachtens deze landsverordening tegenover de bank aanspraak heeft op tegemoetkoming, bestaande uit geneeskundige behandeling en verpleging, alsook voor wat betreft de werknemer op uitkeringen in geld.

Ingevolge artikel 3 hebben de gezinsleden van een werknemer in geval van ziekte krachtens de bepalingen van deze landsverordening aanspraak op tegemoetkoming, bestaande uit geneeskundige behandeling en verpleging.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Verordening basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Vbp) wordt in deze verordening en de daarop berustende bepalingen onder ingeschrevene degene verstaan, ten aanzien van wie een persoonslijst is opgenomen in de basisadministratie of een andere basisadministratie.

Ingevolge de aanhef en onder e wordt in deze verordening en de daarop berustende bepalingen onder ingezetene de ingeschrevene verstaan, op wiens persoonslijst niet het gegeven van zijn overlijden of zijn vertrek uit het eilandgebied naar een ander land dan de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel zijn uitschrijving naar een andere basisadministratie, is opgenomen.

Ingevolge artikel 5, derde lid, worden alleen personen die beschikken over een geldige verblijfstitel ingeschreven.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, geschiedt uitschrijving uitsluitend op grond van een mededeling van de houder van een andere basisadministratie dat hij heeft besloten tot inschrijving van de betrokken persoon in zijn administratie. De uitschrijving geschiedt terstond na ontvangst van de mededeling.

Ingevolge artikel 12 van het Uitvoeringsbesluit basisadministratie persoonsgegevens worden gegevens over de verblijfstitel aan een krachtens de Landsverordening Toelating en Uitzetting afgegeven geschrift ontleend.

Ingevolge artikel 20 worden met betrekking tot de ingeschrevene die geen ingezetene is, geen nieuwe algemene gegevens opgenomen, tenzij het feiten betreft, die zich hebben voorgedaan in de tijd dat hij nog ingezetene was.

2.2. De SVB betoogt dat het Gerecht heeft miskend dat voor toepasselijkheid van de LvZv een geldige zogenoemde Seguro-card is vereist. Volgens haar was de echtgenote van [belanghebbende] ten tijde van de genoten geneeskundige behandeling en verpleging geen verzekerde, als bedoeld in artikel 1 van die landsverordening, omdat haar Seguro-card op dat moment was verlopen en zij daartegen geen rechtsmiddel had aangewend.

2.2.1. Dit betoog faalt. In de LvZv is de kring van personen en de aanspraken waarop deze landsverordening betrekking heeft geregeld. Het niet beschikken over een geldige Seguro-card staat aan deze aanspraken niet in de weg. Dat tegen het verlopen ervan, als gesteld, geen rechtsmiddel is aangewend, heeft dus niet de betekenis die de SVB daaraan gehecht wil zien.

2.3. De SVB betoogt voorts dat het Gerecht heeft miskend dat de SVB de echtgenote van [belanghebbende] terecht niet als ingezetene, als bedoeld in artikel 1 van de LvZv, heeft aangemerkt, omdat zij ten tijde van belang geen rechtmatig verblijf op Sint Maarten had.

2.3.1. De betekenis van de term "ingezetene" is in de LvZv niet nader bepaald. Het Gerecht heeft voor die betekenis onder die omstandigheden niet ten onrechte het normale spraakgebruik als uitgangspunt genomen en eronder begrepen dat iemand zijn werkelijke woonplaats in een van de eilandgebieden van de Nederlandse Antillen moet hebben om als zodanig te kunnen worden aangemerkt. Geen grond bestaat evenwel voor het oordeel dat de SVB, bij de toepassing van de bepaling, niet mede betekenis mag toekennen aan de omstandigheid dat betrokkene niet rechtmatig op

Sint Maarten verblijft, zulks teneinde te voorkomen dat aanspraak op verstrekkingen ingevolge de LvZv ontstaat, zonder dat betrokkene is toegelaten. Gelet op hetgeen hierna onder 2.3.2 wordt overwogen, leidt dit evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.3.2. De echtgenote van [belanghebbende] heeft op 31 december 2006 en van 8 tot en met 10 januari 2007 geneeskundige behandeling en verpleging in het Sint Maarten Medical Center genoten. Op 10 januari 2007 is zij overleden. Blijkens onderscheiden aan haar verleende vergunningen tot tijdelijk verblijf, waarvan de laatste tot 16 december 2006 geldig was, was zij tot twee weken voorafgaand aan de genoten geneeskundige behandeling en verpleging onafgebroken voor onbepaalde tijd op Sint Maarten toegelaten voor verblijf bij echtgenoot. De geldigheidsduur van de haar laatstelijk verleende vergunning tot verblijf hing niet samen met beëindiging van haar toelating. Aannemelijk is dat, indien tijdig, dat wil zeggen vóór de afloop van de geldigheidsduur, verlenging ervan was aangevraagd, tot die verlenging zou zijn besloten. Verder kan uit het uittreksel uit de basisadministratie persoonsgegevens van 19 november 2007 worden afgeleid dat de echtgenote tot aan haar overlijden, en derhalve ook ten tijde van de genoten geneeskundige behandeling en verpleging, onafgebroken in de basisadministratie persoonsgegevens van Sint Maarten was ingeschreven en derhalve ingezetene, als bedoeld in de Vbp, was.

Onder deze omstandigheden heeft de SVB de echtgenote van [belanghebbende] ten onrechte, omdat zij ten tijde van de genoten geneeskundige behandeling en verpleging geen rechtmatig verblijf op Sint Maarten had, niet als ingezetene, als bedoeld in artikel 1 van de LvZv, aangemerkt. Gelet hierop, behoeft het betoog van de SVB dat het Gerecht ten onrechte heeft aangenomen dat de echtgenote van [belanghebbende] haar hoofdverblijf op Sint Maarten had, geen bespreking.

2.4. De SVB betoogt verder dat het Gerecht heeft miskend dat zij [belanghebbende] ten onrechte in zijn verzoek om tegemoetkoming heeft ontvangen, aangezien dit verzoek, in strijd met het Landsbesluit, houdende algemene maatregelen, van de 21e april 1966 (P.B. 1966, no. 89) niet tijdig is ingediend.

2.4.1. Ook dat betoog faalt. Bij Landsbesluit, houdende algemene maatregelen van de 15de mei 1996, is voormeld Landsbesluit van 1966 ingetrokken. Voorts volgt uit de LvZv, noch uit enig ander verbindend voorschrift, dat een verzoek om tegemoetkoming op straffe van

niet-ontvankelijkheid binnen zes maanden moet worden ingediend .

2.5. De SVB betoogt ten slotte dat het Gerecht haar ten onrechte heeft veroordeeld tot vergoeding van de bij [belanghebbende] opgekomen proceskosten, aangezien deze verlof had om kosteloos te procederen.

2.5.1. Dat betoog faalt evenzeer. Uit de Landsverordening administratieve rechtspraak, noch uit het Landsbesluit Kosteloze Rechtskundige Bijstand (hierna: het LbKRB) of enig ander verbindend voorschrift, vloeit voort dat een bestuursorgaan niet tot vergoeding van de bij een partij, aan wie op grond van het LbKRB kosteloze rechtskundige bijstand wordt verleend, opgekomen proceskosten kan worden veroordeeld.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.L. Wattel, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. P. van Dijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Martinez, griffier.

w.g. Wattel

Voorzitter

w.g. Martinez

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2009

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,