Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2009:BK2811

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
03-11-2009
Datum publicatie
10-11-2009
Zaaknummer
AR 228/07-H-71/09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De bepaling dat een rechtsgeding door de rechter wordt geschorst na de dood van een partij, is alleen van toepassing indien er sprake is van een lopend rechtsgeding. Indien in de loop van het geding in hoger beroep blijkt dat een geïntimeerde reeds ten tijde van het instellen van het hoger beroep was overleden en de appellant daarvan niet eerder op de hoogt was of kon zijn, moeten in beginsel de rechtsopvolgers worden opgeroepen in het geding. Dit kan in deze zaak achterwege blijven wegens gebrek aan belang. Appellant stelt dat haar rechten in de zin van art. 287 Rv zijn benadeeld door eerder gewezen vonnis AR 584/2005. Het betreft een verkocht huurrecht wat al eerder aan appellant zou zijn verkocht. Hof oordeelt dat de latere verkoop echter appellant niet in haar recht benadeelt, dat blijft immers bestaan en is niet aangetast door de latere verkoop. Vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

UITSPRAAK: 3 november 2009

ZAAKNR.: AR 228/07-H-71/09

HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE

NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Vonnis in de zaak van:

[appellante]

wonende op Curaçao,

voorheen opposante in derdenverzet en gedaagde in reconventie, thans appellante,

gemachtigde: mr. C.A. Peterson,

tegen

1. [geïntimeerde],

wonend op Curaçao,

eiser in de zaak waartegen derdenverzet, voorheen gedaagde in derdenverzet en eiser in reconventie, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mw. Y.J. Americaan,

2. [tweede geïntimeerde],

bij leven wonend op Bonaire,

gedaagde in de zaak waartegen derdenverzet, voorheen gedaagde in derdenverzet, thans geïntimeerde,

in hoger beroep niet verschenen.

1. Het verloop van de procedure

Voor hetgeen in eerste aanleg is gevorderd en gesteld verwijst het Hof naar het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (verder: het GEA) van 3 oktober 2005, gewezen tussen [geintimeerde] als eiser en [tweede geintimeerde] als gedaagde waartegen dit derdenverzet zich richt en naar de in deze zaak door het GEA op 7 januari 2008 en 13 oktober 2008 tussen partijen gewezen vonnissen. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

[appellante] is in hoger beroep gekomen van deze vonnissen door indiening op 24 november 2008 van een daartoe strekkende akte ter griffie van het GEA. Bij op 5 januari 2009 ingediende memorie van grieven heeft zij 1 grief aangevoerd en toegelicht en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep met toewijzing van haar vorderingen, kosten rechtens.

[geintimeerde] heeft een memorie van antwoord genomen waarin hij heeft geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

Op de nader voor het pleidooi bepaalde dag hebben [appellante] en [geintimeerde] schriftelijke pleitnotities overgelegd waarna vonnis is gevraagd. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid

[appellante] is tijdig en op de juiste wijze in beroep gekomen, zodat zij daarin kan worden ontvangen.

3. De grief

Voor de ingediende grief verwijst het Hof naar de memorie van grieven.

4. Beoordeling

4.1 Uit de rolaantekeningen van het GEA blijkt dat in eerste aanleg op 9 juni 2008 de behandeling ter zitting is geëindigd. Op die dag is namelijk bepaald dat vonnis zal worden gewezen op 18 augustus 2008. Dit vonnis is uiteindelijk gewezen op 13 oktober 2008.

[tweede geintimeerde] is op 11 september 2008 overleden en toen had schorsing van het rechtsgeding op grond van art. 186 Rv niet meer plaats. Het vonnis is blijkens bovenstaande gewezen na het overlijden van [tweede geintimeerde].

De bepaling dat een rechtsgeding door de rechter wordt geschorst na de dood van een partij, is alleen van toepassing indien er sprake is van een lopend rechtsgeding. Een partij moet zich immers over dat feit kunnen beraden zonder dat termijnen verstrijken. Dit betekent voor het onderhavige geval dat de rechter op geen moment heeft moeten schorsen. Het GEA niet op grond van art. 186 Rv en het Hof niet omdat [tweede geintimeerde] al ruim twee maanden voor het uitbrengen van de akte van appel was overleden. Indien in de loop van het geding in hoger beroep blijkt dat een geïntimeerde reeds ten tijde van het instellen van het hoger beroep was overleden en de appellant daarvan niet eerder op de hoogte was of kon zijn, moeten in beginsel de rechtsopvolgers van de overleden procespartij in het geding worden opgeroepen. Gelet op de hierna te vermelden uitkomst van de zaak kan dat in dit geval bij gebreke aan belang achterwege blijven.

4.2.1 Uit de toelichting op de grief lijkt te volgen dat [appellante] in elk geval in hoger beroep (ook) onrechtmatige daad aan haar vordering ten grondslag wenst te leggen. Voor zover dat inderdaad zo is, heeft zij hiervoor te weinig feiten aangevoerd om tot een inhoudelijke behandeling te kunnen komen. Nu toewijzing van de vordering op deze grondslag dus niet mogelijk is, bestaat er ook geen belang bij betekening van deze aanvulling van de grondslag van de eis aan de rechtsopvolgers van [tweede geintimeerde]. Het Hof laat dan nog daar dat het recht niet de mogelijkheid biedt om op grond van een gestelde onrechtmatige daad een vonnis te vernietigen of te verbeteren, zoals [appellante] onder meer heeft gevorderd.

4.2.2 [appellante] heeft bij repliek in conventie een wijziging van eis gevorderd en in zijn conclusie van dupliek in conventie heeft [geintimeerde] zich tegen die gevorderde wijziging van eis verzet. Uit niets blijkt dat het GEA over deze vordering wijziging van eis heeft geoordeeld, zodat het ervoor gehouden moet worden dat het GEA slechts heeft geoordeeld over de vordering zoals geformuleerd in het inleidend verzoekschrift. Het Hof vindt voor dit oordeel steun in de wijze waarop het GEA de vordering van [appellante] heeft geformuleerd in het vonnis van 7 januari 2008 onder 3.1. [appellante] heeft niet gegriefd over het feit dat een expliciet oordeel over de gevorderde wijziging van eis ontbreekt, zodat het Hof, dat geen reden ziet voor ambtshalve ingrijpen, recht zal doen op de vordering zoals geformuleerd in het inleidend verzoekschrift.

4.3.1 Al met al is het door [appellante] gevorderde gegrond op de stelling dat het tussen [geintimeerde] en [tweede geintimeerde] op 3 oktober 2005 onder AR 584/2005 gewezen vonnis (hierna het vonnis) haar in een of meer van haar rechten in de zin van art. 287 Rv heeft benadeeld. Het Hof dient dus allereerst te onderzoeken of in het vonnis rechten van [appellante] in de zin van art. 287 Rv aan de orde zijn.

4.3.2 In het vonnis heeft het GEA voor recht verklaard dat [tweede geintimeerde] zijn huurrecht van het perceel grond bekend als deel kavel no. 44 van domeinkaart XXIIa Stenen Koraal ter grootte van ongeveer 5.000 m2 (Stenen Koraal # 89) rechtsgeldig aan [geintimeerde] heeft verkocht en is [tweede geintimeerde] veroordeeld om er aan mee te werken dat de huurrechten van de huurgrond Stenen Koraal #89 op naam van [geintimeerde] komen te staan. Uit het vonnis blijkt dat [tweede geintimeerde] het perceel grond heeft gehuurd van het Eilandgebied. De bedoelde koopovereenkomst is hoogstwaarschijnlijk omstreeks juli 2000 gesloten.

[appellante] stelt, kort gezegd, dat zij dit huurrecht al van [tweede geintimeerde] had gekocht op 20 april 1996, dus voordat [geintimeerde] het huurrecht had gekocht en dat [tweede geintimeerde] haar dit huurrecht ook feitelijk heeft overgedragen althans feitelijk ter beschikking gesteld. De reeds op 20 april 1996 op die grond staande opstallen, werden toen ook al door haar bewoond en zijn eveneens feitelijk aan haar overgedragen.

4.3.3 Uit het onder 4.3.2 weergegevene blijkt dat [geintimeerde] en [appellante] beiden van mening zijn dat zij hetzelfde huurrecht van [tweede geintimeerde] hebben gekocht. [tweede geintimeerde] zou dus twee maal hetzelfde recht hebben verkocht. De tweede latere verkoop aan [geintimeerde] benadeelt [appellante] echter niet in haar recht. Haar recht blijft immers bestaan en is niet aangetast door de latere verkoop door [tweede geintimeerde] en het vonnis van 3 oktober 2005 maakt op dit beweerdelijke recht van [appellante] evenmin inbreuk en benadeelt [appellante] op geen enkele manier in haar recht. Dit betekent dat de vordering van [appellante] terecht is afgewezen door het GEA zodat het vonnis waarvan beroep bevestigd zal worden.

4.4 [appellante] dient, gelet op het bovenstaande, als in het ongelijk gesteld te worden aangemerkt, zodat zij in de proceskosten van geïntimeerden moet worden veroordeeld. De gemachtigde van [geintimeerde] wordt niet aanmerkt als een beroepsmatig optredende gemachtigde, zodat geen gemachtigdensalaris is verschuldigd.

BESLISSING:

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de aan de zijde van geïntimeerden gerezen proceskosten, tot op heden aan de zijde van [geintimeerde] begroot op NAF. 257,15 voor kosten betekening memorie van antwoord en aan de zijde van [tweede geintimeerde] begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.R. Sijmonsma, G.C.C. Lewin en E.M. van der Bunt, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao uitgesproken op 3 november 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.