Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2009:BK1770

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
02-11-2009
Zaaknummer
AR 155/06 - H 524/08
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betreft de vraag of Cupecoy op goede gronden de huurovereenkomst met Cliffhanger heeft beëindigd. Cupecoy heeft termijn gegeven waarin Cliffhanger moest voldoen aan overeenkomst. Na termijn voerde Cliffhanger nog altijd reclame-uitingen in strijd met de overeenkomst en bleef ook nog koken ondanks verbod daartoe. Hof acht deze tekortkomingen ernstig genoeg om ontbinding te rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Registratienummer: AR 155/06 - H 524/08

Uitspraak: 9 oktober 2009

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Vonnis in de zaak van:

de naamloze vennootschap

CLIFFHANGER N.V.,

gevestigd op Sint Maarten,

oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

thans appellante,

gemachtigde: mr. J. Veen,

- tegen -

de stichting

STICHTING CUPECOY MASTER FACILITIES FOUNDATION,

gevestigd op Sint Maarten,

oorspronkelijk eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J.G. Snow.

Partijen worden hierna Cliffhanger en Cupecoy genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Op 6 mei 2008 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, (hierna te noemen “GEA”) tussen partijen vonnis gewezen. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, de procesgang aldaar en de overwegingen en beslissingen van het GEA wordt verwezen naar dat vonnis.

1.2 Cliffhanger is in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis door op 17 juni 2008 een akte van appel in te dienen. Bij afzonderlijke memorie van grieven heeft Cliffhanger vier grieven geformuleerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat de bestreden vonnissen in conventie en in reconventie worden vernietigd, de vordering van Cupecoy alsnog wordt afgewezen en, uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van Cliffhanger alsnog wordt toegewezen, met veroordeling van Cupecoy in de kosten van beide instanties.

1.3 Cupecoy heeft bij memorie van antwoord het hoger beroep bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het bestreden vonnis wordt bevestigd, met veroordeling van Cliffhanger in de kosten van het hoger beroep.

1.4 Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben partijen pleitaantekeningen overgelegd. Vonnis is bepaald op heden.

2. De beoordeling

2.1 De eerste grief treft geen doel. De enkele omstandigheid dat onder de vaststaande feiten niet is vermeld dat Cliffhanger op de klachtbrieven van Cupecoy heeft gereageerd, maakt het oordeel van het GEA niet onjuist. Voor het overige zijn tegen de door het GEA vastgestelde feiten geen grieven gericht. Nu het Hof die vaststelling ook juist acht, zal het bij de beoordeling van de overige grieven die vaststelling tot uitgangspunt nemen.

2.2 De tweede en derde grief lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Bij de beoordeling van die grieven staat de vraag centraal of Cupecoy de overeenkomst met Cliffhanger op goede gronden heeft beëindigd.

2.3 Het Hof verenigt zich met het oordeel van het GEA dat de brief van 5 juli 2006 dient te worden aangemerkt als te zijn gericht op ontbinding van de overeenkomst. Bij de beantwoording van de vraag welke betekenis aan een verklaring dient te worden toegekend, gaat het erom welke zin partijen daaraan onder de gegeven omstandigheden, redelijkerwijze mochten toekennen. Anders dan Cliffhanger stelt, geldt het zogenoemde “Haviltex-criterium” niet alleen voor de uitleg van contractuele bepalingen, maar ook voor de uitleg van wilsverklaringen en mededelingen die contractspartijen elkaar doen (vgl. HR 4 september 2009, NJ 2009, 397, conclusie AG onder 2.6 en de daarin genoemde verwijzingen). De constatering in de brief van diverse tekortkomingen (“violations”), in combinatie met de aanzegging dat de overeenkomst zal zijn “terminated” indien de tekortkomingen voortduren, duidt erop dat deze brief een uiting was van de wil van Cupecoy om de overeenkomst op grond van de gestelde terkortkomingen te ontbinden. Dat Cupecoy het woord “terminate” eerder heeft gebruikt in combinatie met de contractuele bepaling die over opzegging gaat, maakt dit niet anders; “termination” kan immers niet alleen als opzegging maar ook als ontbinding worden vertaald en in die verschillende betekenissen worden gebruikt. Het feit dat in de brief van 5 juli 2006 niet (langer) naar de contractuele bepaling omtrent opzegging wordt verwezen en dat de contractuele opzegtermijn niet (langer) wordt gehanteerd, duidt er juist veeleer op dat Cupecoy het woord “terminate” in deze brief niet in de zin van opzegging gebruikt. Uit het enkele gebruik van het woord “terminate” mocht Cliffhanger redelijkerwijze niet afleiden dat Cupecoy de voorgenomen beëindiging van de overeenkomst (uitsluitend) middels opzegging en niet middels ontbinding wilde realiseren en andere omstandigheden waaruit zou moeten worden afgeleid dat Cliffhanger de mededeling redelijkerwijs niet als een ontbinding maar als een opzegging mocht opvatten zijn gesteld noch gebleken.

2.4 Ook het verweer dat [J.R.] niet bevoegd was om namens Cupecoy de overeenkomst te ontbinden, slaagt niet. Tegenover de stellingen van Cupecoy dat [J.R.] op grond van de managementovereenkomst bevoegd was om namens Cupecoy de overeenkomst te ontbinden en dat deze ontbinding in overleg met het bestuur van Cupecoy heeft plaatsgevonden, heeft Cliffhanger haar verweer terzake niet nader onderbouwd. Dat zal daarom als onvoldoende gemotiveerd worden gepasseerd.

2.5 Voor ontbinding van een huurovereenkomst op grond van de door Cupecoy gestelde tekortkomingen is geen verzuim van Cliffhanger vereist (vgl. HR 11 januari 2002, NJ 2003, 255) zodat het daarop gerichte verweer eveneens faalt.

2.6 Daarmee resteert de vraag of de door Cupecoy gestelde tekortkomingen zich hebben voorgedaan en of die ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigen. Daarbij is van belang dat de ontbindingsverklaring van Cupecoy bij brief van 5 juli 2006 een voorwaardelijke is: alleen indien Cliffhanger de genoemde en andere tekortkomingen (“aforementioned and other violations”) niet binnen 15 dagen heeft hersteld (“rectified”) wordt de overeenkomst tegen die datum ontbonden. De eveneens aan de ontbinding verbonden voorwaarde dat de gestelde achterstallige betaling niet zou zijn voldaan, speelt in het debat tussen partijen in hoger beroep geen rol zodat het Hof daaraan voorbij zal gaan. Beoordeeld zal dus moeten worden of er per 20 juli 2006 nog steeds sprake was van (voortdurende) tekortkomingen in de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst door Cliffhanger.

2.7 Met het GEA is het Hof van oordeel dat daarvan inderdaad sprake was. Cliffhanger heeft niet voldoende gemotiveerd betwist dat zij ook na de in de brief van 5 juli 2006 genoemde termijn nog altijd reclame-uitingen voerde die in strijd waren met de huurovereenkomst. Ook staat, als niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, vast dat Cliffhanger ondanks een uitdrukkelijk verbod is doorgegaan met kookactiviteiten. Daarmee staat vast dat zij is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen en dat Cupecoy het recht had de overeenkomst te ontbinden.

2.8 Dat is slechts anders indien de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding niet rechtvaardigt. Bij de beoordeling daarvan mogen tekortkomingen die aan het licht zijn gekomen na het uitbrengen van de ontbindingsverklaring mede een rol spelen (vgl. HR 29 juni 2007, NJ 2008, 605). In dat verband is van belang dat ten aanzien van de klachten over de exploitatie van het gehuurde zelf (cooking, music, entertainment), waarbij het GEA terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat de exploitatie van de bar van bescheiden omvang diende te zijn, Cliffhanger de gemotiveerde stellingen van Cupecoy dat Cliffhanger ook na de in de brief van 20 juli 2006 genoemde termijn met de te ruime exploitatie is doorgegaan, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De enkele relativering van haar activiteiten door Cliffhanger is onvoldoende. Ook het verweer van Cliffhanger dat de contractuele bepalingen die een ruimere exploitatie van het gehuurde verbieden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn, is onvoldoende gemotiveerd; hetgeen Cliffhanger daartoe aanvoert kan niet tot die (vergaande) conclusie leiden. Waar de overeenkomst tussen partijen gericht was op een bar van bescheiden omvang, en het belang van Cupecoy bij het handhaven daarvan evident is, kan het blijven voeren van bedoelde reclame-uitingen afzonderlijk, en temeer in samenhang met het doorgaan met kookactiviteiten en het voortduren van de te ruime exploitatie van het gehuurde na de brief van 5 juli 2006 en de daarin genoemde termijn, niet een tekortkoming worden genoemd die zo bijzonder van aard is of zo gering van betekenis dat zij geen ontbinding rechtvaardigt.

2.9 Het beroep op artikel 6:89 BW faalt eveneens. Vast staat immers dat Cupecoy bij herhaling heeft geklaagd over de tekortkomingen door Cliffhanger, waaronder het maken van reclame en het (te uitgebreid) koken. Bovendien geldt dat bij een voortdurende verplichting het niet klagen omtrent een tekortkoming in het verleden niet zonder meer het recht doet vervallen om gevolgen te verbinden aan het voortduren of opnieuw aanvangen van een dergelijke tekortkoming. Ten aanzien van het koken geldt voorts dat Cupecoy bij brief van 17 maart 2006 Cliffhanger uitdrukkelijk iedere kookactiviteit heeft verboden zodat een eventueel “gedogen” in de daaraan voorafgaande periode voor de beoordeling niet relevant is.

2.10 De grieven twee en drie falen dan ook. De vierde grief deelt dat lot. Waar vast staat dat Cupecoy de overeenkomst op goede gronden heeft mogen ontbinden, is de vordering in reconventie, die gebaseerd is op het voortduren van de overeenkomst, terecht afgewezen.

2.11 Nu de grieven niet slagen en het Hof ambtshalve geen bezwaren heeft tegen het bestreden vonnis, zal dit vonnis worden bevestigd. Cliffhanger zal als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het hoger beroep dienen te dragen.

BESLISSING

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Cliffhanger in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Cupecoy gevallen en tot op heden begroot op NAF. 225,50 aan verschotten en NAF. 5.100,00 aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Sijmonsma, Lock en Van der Bunt, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof op Sint Maarten uitgesproken op 9 oktober 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.