Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2009:BJ8753

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
24-09-2009
Datum publicatie
28-09-2009
Zaaknummer
H-87/2009
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld wegens diefstal met geweld en enkele andere delicten. Hij heeft samen met twee mededaders een overval op een woning gepleegd en daar de bewoonster vastgebonden en gedwongen tot afgifte van haar pincode. Hof acht (anders dan het GEA) niet bewezen dat verdachte schuldig is aan het medeplegen van onzedelijke handelingen (feit 2). De opgelegde gevangenisstraf blijft toch 7 jaar. Hoewel het 2e feit niet bewezen wordt geacht is het Hof van mening dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats is; want de verdachte heeft een aanzienlijk strafblad, zowel in de Nederlandse Antillen als in Nederland opgebouwd. Deze diefstal met geweld pleegde hij bovendien tijdens proeftijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 24 september 2009

Zaaknummer: H-87/2009

Parketnummer: 500.01109/08

Tegenspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

S T R A F V O N N I S

gewezen in het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 25 februari 2009

in de strafzaak tegen:

[Verdachte],

geboren op [datum] 1984 op Curaçao (Nederlandse Antillen),

wonende op Curaçao,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring alhier.

<u>Het onderzoek ter terechtzitting</u>

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 4 februari 2009, zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting, alsmede van dat in hoger beroep van 3 september 2009 op Curaçao.

Het Hof heeft kennis genomen van de vordering van de (waarnemend) procureur-generaal, mr. A.C. van der Schans, en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw, mr. V.S. la Fleur naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, aan verdachte ter zake van de feiten 1, 2, 3 en 4 een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van acht jaar, met aftrek van voorarrest. De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

In eerste aanleg is verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van voorarrest.

<u>De telastelegging</u>

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen staat vermeld in de dagvaarding in eerste aanleg. Van deze dagvaarding is een fotokopie aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het Hof tot andere beslissingen komt.

<u>Vrijspraak </u>

Het Hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte om die reden daarvan vrij.

Ter toelichting diene het volgende. Op grond van de bewijsmiddelen acht het Hof bewezen dat verdachte in de bewuste nacht tezamen en in vereniging met twee mededaders ([E.T.] en [A.U.]) een overval op een woning heeft gepleegd, waarbij het vrouwelijke slachtoffer in haar slaapkamer is overweldigd en vastgebonden. Volgens de verklaring van het slachtoffer heeft een van de daders bij die gelegenheid ook haar vagina en anus betast. [mededaders] hebben hier ook allebei over verklaard. Zij wijzen ieder echter de ander, en dus niet verdachte, aan als degene die dit heeft gedaan. Bewijs dat verdacht deze handelingen heeft verricht, is er verder niet. Uit de bewijsmiddelen kan voorts niet worden afgeleid dat zijn opzet wel mede op het plegen van deze onzedelijke handelingen was gericht en dat hij ook daartoe nauw en bewust met zijn mededaders heeft samengewerkt. Gelet daarop kan niet worden bewezen dat verdachte zich aan het (mede)plegen van dit feit schuldig heeft gemaakt.

<u>Bewezenverklaring</u>

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 3 en 4 is ten laste gelegd, met dien verstande:

1. dat hij op 7 oktober 2008, op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een personenauto (Toyota Corolla, kenteken [nummer]) en een mobiele telefoon (Nokia, verbindingsnr.[nummer]) en een computer (Dell) met toebehoren en een pinpas (MCB) en een kredietkaart (Kompa Leon) en 25,-- NAF, toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen genoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken ,

welk geweld en welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het opzettelijk gewelddadig

-overweldigen van die [slachtoffer], terwijl ze op haar bed lag; en

-vastpakken van die [slachtoffer] bij haar hoofd en (vervolgens) haar hoofd (met kracht) tegen een muur slaan; en

-dichtplakken (met tape/plakband) van de mond van die [slachtoffer]; en

-vastbinden van de enkels en/of polsen van die [slachtoffer]; en

-bedekken van het hoofd, van die [slachtoffer] met een laken; en

-betasten van de vagina en anus van die [slachtoffer] en

door opzettelijk de woorden toe te voegen (aan die [slachtoffer]) “als je weer begint te schreeuwen zal ik je vermoorden”

3. dat hij op 7 oktober 2008, op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening meerdere malen uit een geldautomaat heeft weggenomen 100,00 NAF (honderd Nederlands Antilliaanse guldens; tot een totaalbedrag van 900,00 NAF), toebehorende aan [slachtoffer], waarbij hij, verdachte, en zijn mededader(s) (telkens) genoemd(e) geldbedrag(en) onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel (onrechtmatig gebruik van een pinpas en pincode van die [slachtoffer] voornoemd);

4. dat hij op 26 september 2008, op het eiland Curaçao, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, heeft weggenomen een mobiele telefoon (Samsung), toebehorende aan [eigenaar].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

<u>Bewijsoverwegingen</u>

Feiten 1 en 3: Hoewel [E.T.], door het Hof ter terechtzitting als getuige gehoord, min of meer terug is gekomen op zijn eerdere verklaringen bij de politie, voor zover hij daarin verdachte als één van zijn mededaders aanwees, beschouwt het Hof deze eerdere verklaringen als betrouwbaar en gebruikt het deze dan ook voor het bewijs. [E.T.] heeft daarin, vrijwel van aanvang af en op consistente en geloofwaardige wijze, over zijn eigen betrokken¬heid bij de feiten en die van verdachte en zijn neef verklaard. Zijn verklaringen worden voorts bevestigd door [A.U.], de neef van verdachte, die in de kern hetzelfde over hun gezamenlijke betrokkenheid bij de feiten heeft verklaard. Diens verklaring wordt weer ondersteund door de verklaring van zijn broer, [I.U.], dat verdachte laat op de bewuste avond [A.U.] heeft gebeld en opgehaald omdat hij moest helpen bij een ding dat ze in Koraalspecht gingen doen. Dat hun verklaringen over het verloop van de gebeurtenissen niet op alle punten identiek zijn, tast de betrouwbaar¬heid ervan in de kern niet aan. Het Hof ziet ook overigens geen reden om aan hun verklaringen te twijfelen. Mede op grond daarvan acht het Hof wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is die aan deze feiten heeft meegedaan. Dat geldt niet alleen voor feit 1 (de diefstal met geweld), maar ook voor feit 3 (de diefstal uit de geldautomaat), nu uit voormelde verklaringen blijkt dat ook hierbij van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn twee mededaders sprake was.

Feit 4: Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte van een jongen, die hem geld schuldig zou zijn, een mobiele telefoon heeft afgepakt. De telefoon is bijna een maand later op het verblijfsadres van verdachte aangetroffen en in beslag genomen. Tot die tijd heeft verdachte er als heer en meester over beschikt. Dat verdachte de intentie had de telefoon aan de aangever terug te geven, is op geen enkele manier gebleken. Gelet daarop acht het Hof bewezen dat verdachte de telefoon met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen.

<u>De bewijsmiddelen</u>

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. De bewijsmiddelen zullen in geval van cassatie in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

<u>Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten</u>

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1: medeplegen van diefstal, voorafgaande en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

strafbaar gesteld bij artikel 325 junctis 323 en 49 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen;

Feit 3: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldigen het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van valse sleutels, strafbaar gesteld bij artikel 324 juncto 323 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen;

Feit 4: diefstal, strafbaar gesteld bij artikel 323 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen.

Het bewezen verklaarde is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

<u>Strafbaarheid van de verdachte</u>

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

<u>De op te leggen straf of maatregel</u>

Bij de bepaling van de straf heeft het Hof gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Verdachte heeft samen met twee mededaders een brute overval op een woning gepleegd. Zij zijn met behulp van sleutels van de woning, die zij van een buurjongen hadden gekregen, midden in de nacht het huis binnen gegaan en hebben de bewoonster in haar slaapkamer verrast en overmeesterd. Zij hebben fysiek geweld tegen haar gebruikt, haar mond met tape dichtgeplakt, haar enkels en polsen vastgebonden, haar hoofd met een laken bedekt en haar verbaal met de dood bedreigd. Tijdens de overmeestering heeft een mededader het slachtoffer tevens onzedelijk betast. Uit vrees te worden verkracht en vermoord, heeft zij haar pincode afgestaan. Verdachte en zijn mededaders zijn daarop met haar auto, mobiele telefoon, computer, bankpas, creditcard en geld vertrokken. Met behulp van de bankpas en pincode hebben zij in dezelfde nacht nog NAF 900,- van haar rekening gepind. Het slachtoffer was intussen vastgebonden in haar woning achtergebleven en is pas in de vroege ochtend, toen zij zich naar buiten durfde te bewegen, door buren gevonden en uit haar benarde situatie bevrijd. Zij heeft bij de feiten een blauw oog en striemen aan haar armen en benen opgelopen. Het spreekt verder voor zich dat dit alles voor haar een zeer beangstigende ervaring is geweest. Daarnaast veroorzaken feiten zoals deze niet alleen grote gevoelens van angst bij de directe slachtoffers ervan, maar versterken zij ook gevoelens van onveiligheid in de samenleving in het algemeen.

Verdachte heeft bij deze feiten een leidende rol gespeeld. Het strafrechtelijke verwijt dat hem kan worden gemaakt, is dan ook groot.

Minder dan twee weken voor deze gebeurtenissen had verdachte ook al een mobiele telefoon van een jongen afgepakt, die hem geld schuldig zou zijn. Hoewel verdachte dat anders ziet, heeft hij zich ook daarmee aan diefstal schuldig gemaakt.

In het nadeel van verdachte houdt het Hof rekening met het feit dat verdachte al diverse malen eerder, zowel in de Nederlandse Antillen als tijdens zijn verblijf in Nederland, wegens misdrijven is veroordeeld. Sinds zijn terugkeer op Curaçao in 2007 is hij al weer twee keer veroordeeld. Hij was nog geen half jaar vrij toen hij de onderhavige feiten pleegde en hij liep nog in een proeftijd. Kennelijk heeft verdachte zich aan deze eerdere veroordelingen weinig gelegen laten liggen. Uit oogpunt van generale en speciale preventie is een gevangenisstraf van aanzienlijke duur dan ook op zijn plaats.

Hoewel het Hof, anders dan het Gerecht, tot een vrijspraak komt ten aanzien van feit 2, acht het, alles afwegende, de door het Gerecht opgelegde straf geheel passend en geboden vanwege de hierboven genoemde feiten en omstandigheden. Het Hof zal dan ook een straf van gelijke duur aan verdachte opleggen.

<u>De toepasselijke wettelijke voorschriften</u>

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 31 en 59 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen.

RECHTDOENDE IN NAAM DER KONINGIN

Het Hof:

Vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao van 25 februari 2009 en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd onder 2 en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Kwalificeert het bewezen verklaarde als voren omschreven.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZEVEN (7) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.L. Wattel, E.M. van der Bunt en H. de Doelder, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, en ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao uitgesproken op 24 september 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.