Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2009:BJ7656

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
10-09-2009
Datum publicatie
15-09-2009
Zaaknummer
H-31/2009
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt schuldig bevonden aan het opzettelijk witwassen van geld, meermalen gepleegd. Op verzoek van zijn vader organiseerde hij de verzending van geldbedragen. Witwas praktijken houden het plegen van criminele activiteiten in stand en bevorderen het. Beroep op niet-ontvankelijkheid van het OM faalt. Bij het opleggen van de strafmaat houdt het Hof rekening met het feit dat hij niet eerder in aanraking met justitie is gekomen en dat hij een beroepsopleiding volgt in Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 10 september 2009

Zaaknummer: H-31/2009

Parketnummer: 500.00694/08

Verstek

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

S T R A F V O N N I S

gewezen in het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 7 januari 2009

in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [datum] 1986 in Nederland,

wonende in Nederland.

<u>Het onderzoek ter terechtzitting</u>

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 17 december 2008, zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting, alsmede van dat in hoger beroep van 20 augustus 2009 op Curaçao.

Tegen de niet verschenen verdachte is verstek verleend.

Het Hof heeft kennis genomen van de vordering van de (waarnemend) procureur-generaal, mr. M.L.A. Angela, en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. S.P. Osepa, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, aan verdachte terzake van feit 1 subsidiair een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van voorarrest.

In eerste aanleg is verdachte van het hem ten laste gelegde vrijgesproken.

<u>De telastelegging</u>

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen staat vermeld in de dagvaarding in eerste aanleg. Van deze dagvaarding is een fotokopie aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

<u>Het vonnis waarvan beroep</u>

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het Hof tot andere beslissingen komt.

<u>Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie</u>

De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, door verdachte wel en medeverdachten die net als hij door de hoofddaders zijn misbruikt niet te vervolgen. Met name wijst hij er op dat de dochter van de partner van zijn vader niet wordt vervolgd, terwijl zij op verzoek van haar moeder op Curaçao gelden in ontvangst heeft genomen, net zoals verdachte op verzoek van zijn vader gelden naar Curaçao heeft gestuurd.

Verder voert de raadsman aan dat het openbaar ministerie onvoldoende moeite heeft gedaan om de waarheid inzake de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde feiten te achterhalen, nu het de verzenders van geld in Nederland niet heeft verhoord. De raadsman betoogt dat daarmee aan verdachte een eerlijk proces is ontnomen. Om deze redenen verzoekt hij het Hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

Met de procureur-generaal is het Hof van oordeel dat van gelijke gevallen in dit kader geen sprake is, nu de gedragingen van verdachte en de door de raadsman bedoelde medeverdachten niet gelijk zijn (de aan verdachte verweten gedragingen betreffen het op verzoek van zijn vader organiseren van de verzending van moneytransfers vanuit Nederland naar Curaçao, de verdenking jegens de bedoelde medeverdachten betreft het ontvangen van moneytransfers op verzoek van anderen op Curaçao). Daar komt bij dat volgens mededeling van de procureur-generaal in de zaken van de medeverdachten nog een vervolgingsbeslissing moet worden genomen. Gelet daarop kan thans dus ook niet worden aangenomen dat van een ongelijke behandeling sprake is. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt dan ook verworpen.

De procureur-generaal heeft verder toegelicht dat in dit onderzoek om financiële redenen en uit capaciteitsoverwegingen ervan is afgezien door middel van een rechtshulpverzoek aan Nederland de in dat land verblijvende verzenders van moneytransfers te doen horen. Niet kan worden gezegd dat het achterwege laten van dit onderzoek een normschending jegens verdachte oplevert waardoor geen sprake meer kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de eisen van een eerlijk proces voldoet. Het betoog dat het openbaar ministerie om deze redenen niet-ontvankelijk moet worden verklaard, faalt derhalve.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de procureur-generaal in de weg staan.

<u>Vrijspraak </u>

Het Hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair en 2 is ten laste gelegd.

Ter toelichting op de vrijspraak van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feit wordt overwogen dat, gelet op de betrekkelijk korte periode waarin verdachte zich met het verzenden van geld heeft bezig gehouden en het aantal transacties dat hij in die periode heeft verricht, niet kan worden gezegd dat verdachte van het hem verweten feit (opzettelijk witwassen van geld) een gewoonte heeft gemaakt.

<u>Bewezenverklaring</u>

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 subsidiair is ten laste gelegd, met dien verstande:

dat hij (op meer tijdstippen) in de periode van <i>1 mei 2008</i> tot en met <i>20 juni 2008</i> op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met [H.P.]e en [S.A.] en ander(en), opzettelijk geld heeft witgewassen,

immers heeft/hebben verdachte en zijn medeverdachte(n) in de genoemde periode (telkens) middellijk en/of onmiddellijk geldbedrag(en) verworven en (uit winstbejag) voorhanden gehad en overgedragen

(door middel van:

het overdragen en het voorhanden hebben van enig geldbedrag, door middel van de verzending van de volgende money transfers naar Maduro & Curiel’s Bank te Curaçao door de volgende personen (geldverzenders):

• 6 money transfers ter waarde van ANG 26.768,21 door [L.G.] en;

• 5 money transfers ter waarde van ANG 22.308,77 door [A.H.] en;

• 2 money transfers ter waarde van ANG 8.899,96 door [X.R.] en/of;

• 2 money transfers ter waarde van ANG 8.900,= door [C.V.] en

• 8 money transfers ter waarde van ANG 35.599,63 door [Q.P.]);

terwijl hij, verdachte en zijn medeverdachte(n), ten tijde van het verwerven en het voorhanden <i>krijgen</i> en het overdragen wist(en), dat deze geldbedrag(en) door enig misdrijf waren verkregen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

<u>Bewijsoverwegingen</u>

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in de maanden mei en juni 2008 bij een reeks van moneytransfers is betrokken, waarbij verdachte en vier anderen als geldverzenders in Nederland optraden en een groep van vijf personen als geldontvangers op Curaçao. (Onvoldoende is aangetoond dat verdachte ook betrokken was bij de moneytransfers die in deze periode door andere personen zijn verricht, vermeld in dossier 14, bijlage 16. Weliswaar traden daarbij dezelfde vijf ontvangers op Curaçao op, maar daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat ook deze transacties door verdachte zijn georganiseerd; te meer niet, omdat uit het dossier blijkt dat de vader van verdachte rondom deze periode ook met andere personen in Nederland contact had om overmakingen te regelen. Concreet bewijs dat verdachte daarbij op enigerlei wijze was betrokken, is er niet.)

Verdachte verzond zelf acht maal een geldbedrag en schakelde voorts zijn vriendin en drie vrienden in om op hun naam gelden te versturen. De gelden waren voor zijn vader bestemd. Zoals uit de verklaringen van de ophalers blijkt, werd aan hen per keer een geldelijke vergoeding betaald. Verdachte kreeg voor zijn bijdrage eveneens geld, en hij betaalde zelf ook weer een vergoeding aan de anderen die hij als verzender inschakelde. Zoals blijkt uit het dossier, kwam het regelmatig voor dat er door een of meer leden van de groep meerdere moneytransfers op dezelfde dag werden uitgevoerd. Uit het dossier blijkt tenslotte dat deze transacties onderdeel zijn van een nog veel grotere reeks van moneytransfers die in de periode van 2002 tot 2008 heeft plaatsgevonden, met diverse personen als geldverzenders in Nederland en een vaste groep geldontvangers op Curaçao, waarbij de vader van verdachte en zijn partner als organisator waren betrokken.

De omvang van deze transacties, ook het deel waarbij verdachte was betrokken, staat niet in verhouding tot de inkomsten van verdachte, noch degenen voor wie het geld was bestemd (de vader van verdachte en zijn partner op Curaçao). Dat het geld niet van verdachte is, staat vast; dat volgt ook uit zijn eigen verklaring. De partner van zijn vader heeft verklaard dat zij met haar werk gemiddeld zo’n NAF 1.500,- per maand verdiende. De vader van verdachte heeft verklaard dat hij sinds de verkoop van zijn restaurant in Amsterdam medio jaren negentig geen regelmatige inkomsten uit arbeid meer heeft gehad. Hij stelt zijn geld te hebben verdiend met de handel in onroerend goed in Aruba en Suriname. Die stelling heeft hij echter - afgezien van de verkoop van onroerend goed in Aruba in 2006, waarvan uit de gedingstukken blijkt - op geen enkele wijze weten te concretiseren en onderbouwen. Concrete aanknopingspunten voor de juistheid ervan heeft het onderzoek ook niet opgeleverd, nog daargelaten dat het gestelde op zichzelf geen verklaring vormt voor een contante geldstroom van Nederland naar Curaçao, zoals die in dit onderzoek is aangetoond. De verklaring van vader dat zijn zakenpartner hem op zeker moment via derden in Nederland contante betalingen is gaan doen om zijn aandeel in investeringsopbrengsten uit Suriname te voldoen, is ook niet aannemelijk geworden. Van economische activiteiten van de vader van verdachte en/of zijn partner die deze geldstroom zouden kunnen verklaren, is kortom niets gebleken.

Het Hof neemt verder als feiten van algemene bekendheid in aanmerking dat vanuit Curaçao hoeveelheden verdovende middelen (cocaïne) worden vervoerd naar het buitenland, waaronder Nederland, dat daartegenover in omgekeerde richting geldstromen bestaan voor betalingen en/of gemaakte winsten, dat de handel in verdovende middelen veel contant geld en geld in verschillende valuta oplevert, en dat voor het overbrengen van misdaadgelden naar Curaçao regelmatig gebruik wordt gemaakt van moneytransfers, waarbij via verschillende verzenders en ontvangers relatief kleine bedragen worden overgemaakt, terwijl er tussen Nederland en Curaçao goed werkende en aanzienlijk goedkopere bancaire overboekingsmogelijkheden bestaan, maar deze wijze van betalen veelal wordt toegepast om de gelden aan het zicht van controlerende instanties te onttrekken.

Onder deze omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat het geld, middellijk of onmiddellijk, afkomstig is uit enig misdrijf en dat de vader van verdachte en zijn partner dat wisten. Een andere verklaring voor deze ingewikkelde en kostbare manier van betalen is niet aannemelijk geworden. Gelet op het aantal transacties dat verdachte in korte tijd heeft helpen verrichten en de daarmee gemoeide bedragen, de wijze waarop hij het geld naar eigen zeggen telkens contant van een hem onbekende man ontving, het feit dat hij willekeurige derden als verzenders tegen een vergoeding moest inschakelen en voor deze diensten zelf ook werd beloond, en het gegeven dat hij de voor zijn vader bestemde bedragen niet aan hem moest overmaken maar aan wisselende tussenpersonen op Curaçao, via moneytransfers waarmee relatief hoge kosten zijn gemoeid, terwijl hijzelf en zijn vader ieder een bankrekening hebben waarmee de bedragen eenvoudig hadden kunnen worden overgemaakt, moet ook verdachte zich van de criminele herkomst van de gelden bewust zijn geweest. Dat verdachte nog betrekkelijk jong was en dat hij heeft gehandeld op verzoek van zijn vader, die hij als een zakenman kende, doet daaraan niet af. Gezien zijn leeftijd (ten tijde van de feiten was hij 22 jaar) en opleiding (hij volgde een HBO-opleiding commerciële economie) moet hij in deze omstandigheden hebben kunnen inzien dat de geldstroom waarbij hij werd betrokken geen legale herkomst had.

Het Hof oordeelt op grond hiervan, eenparig, het onder 1 subsidiair ten laste gelegde bewezen.

<u>De bewijsmiddelen</u>

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

<u>Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten</u>

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1 subsidiair:

medeplegen van het opzettelijk witwassen van geld, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 1 van de Landsverordening strafbaarstelling witwassen van geld juncto artikel 49 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen.

Het bewezen verklaarde is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

<u>Strafbaarheid van de verdachte</u>

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

<u>De op te leggen straf of maatregel</u>

Bij de bepaling van de straf heeft het Hof gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van twee maanden samen met anderen schuldig gemaakt aan het witwassen van geld. Met de reeks moneytransfers die in deze periode is uitgevoerd, waarbij verdachte is betrokken, is een bedrag van ruim NAF 100.000,- gemoeid. De rol van verdachte hierbij was dat hij op verzoek van zijn vader de verzending van geldbedragen in Nederland organiseerde.

Door witwaspraktijken als deze wordt het plegen van criminele activiteiten in stand gehouden en bevorderd. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Verdachte heeft zich bij zijn handelen kennelijk laten leiden door misplaatste hulpvaardigheid aan zijn vader en door eigen financieel gewin en heeft geen oog gehad voor de schadelijke gevolgen van deze feiten voor de samenleving.

In het voordeel van verdachte houdt het Hof rekening met het feit dat verdachte niet eerder voor in dit verband relevante delicten met justitie in aanraking is gekomen. Verder houdt het Hof rekening met het feit dat verdachte een beroepsopleiding in Nederland volgt, die hij na de opheffing van zijn voorlopige hechtenis ook weer heeft weten te hervatten.

Gelet op het voorgaande acht het Hof een vrijheidstraf van na te melden duur, met een onvoorwaardelijk gedeelte gelijk aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden. Het voorwaardelijke deel wordt opgelegd, om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst weer met dit soort zaken in te laten.

<u>De toepasselijke wettelijke voorschriften</u>

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 17a, 17b, 17c, 31, 59 en 96 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen.

RECHTDOENDE IN NAAM DER KONINGIN

Het Hof:

Vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao van 7 januari 2009 en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd onder 1 primair en 2 en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Kwalificeert het bewezen verklaarde als voren omschreven.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 221 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 2 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel zich gedurende die proeftijd zich op een andere wijze heeft misdragen.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak sedert 1 juli 2008 tot 21 november 2008 in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.L. Wattel, G.E.M. Polkamp en J.R. Sijmonsma, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, en ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao uitgesproken op 10 september 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.