Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2009:BJ5903

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
18-08-2009
Datum publicatie
25-08-2009
Zaaknummer
AR 714/99; H-121/2002
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op NJ 2008, 401 en op Hof 24 maart 2009. (rechtspraak.nl nr. BH9804). Betreft schadeberekening na letselschade. Hof beoordeelt vordering van appellant tot vergoeding van de schade puntsgewijs. Thiel wordt in overwegende mate in het ongelijk gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK: 18 augustus 2009

ZAAKNR.: AR 714/99; H-121/2002

HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE

NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Vonnis in de zaak van:

[appellant],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk eiser, thans appellant,

gemachtigde: mr. E. Duijneveld,

- tegen -

de naamloze vennootschap

THIEL CORPORATION N.V.,

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. F.A. Gibbs.

Partijen worden hierna aangeduid als [appellant] en Thiel.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1 Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst het Hof naar zijn vonnis van 24 maart 2009. Bij dat vonnis heeft het Hof Thiel in de gelegenheid gesteld om een akte te nemen en overwogen dat [appellant] daarop bij akte zal mogen reageren.

1.2 Thiel heeft een akte tot uitlating genomen, met producties. [appellant] heeft een contra-akte genomen. Vervolgens is vonnis gevraagd en bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Thiel is in de gelegenheid gesteld om bij akte te reageren op de in het door [appellant] overgelegde Ergonomics-rapport opgevoerde schadeposten en daarbij genoemde bedragen. Thiel heeft dat gedaan door middel van het overleggen van een rapport van drs. F.R. de Kort RA (hierna: rapport-De Kort). Het Hof zal thans de vordering van [appellant] tot vergoeding van de schade puntsgewijs beoordelen.

<u>a. immateriële schade</u>

2.2 Bij vonnis van 19 september 2006 heeft het Hof aan [appellant] een immateriële schadevergoeding toegekend van in totaal Afl. 175.000,--. In het Ergonomics-rapport is onder verwijzing naar de ANWB-smartengeldgids geconcludeerd dat de immateriële schadevergoeding Afl. 200.000,-- zou moeten belopen. Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding is in het rapport-De Kort aangegeven dat de raadsman van Thiel hierop uitgebreid zal ingaan. In de akte van Thiel wordt deze vordering evenwel niet besproken.

2.3 [appellant] was ten tijde van het ongeval 36 jaar oud. Als gevolg van het ongeval heeft [appellant] een dwarslaesie opgelopen, is hij gedurende een periode van zes maanden herhaaldelijk in het ziekenhuis opgenomen en heeft hij ingrijpende operaties moeten ondergaan. Door de klachten als gevolg van het ongeval kan [appellant] zijn normale werkzaamheden niet meer uitvoeren. Het ongeval heeft tot zowel ernstige lichamelijke belemmeringen en klachten als tot psychische klachten geleid, waarvan aannemelijk is dat deze deels zo al niet blijvend dan toch in ieder geval van lange duur zullen zijn. Vanwege de aard van de klachten wordt [appellant] daarmee dagelijks geconfronteerd. Het Hof acht, gelet op alle omstandigheden van het geval, het eerder toegewezen bedrag van Afl. 175.000,-- naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid passend.

2.4 Op dit bedrag dient het door Thiel reeds betaalde bedrag ad Afl. 80.000,-- vanwege het niet naar behoren nakomen van de CAO-verplichting om een ongevallenverzekering te sluiten, niet in mindering te worden gebracht. Dit bedrag, dat de plaats inneemt van een verzekeringsuitkering die [appellant] zou hebben genoten indien Thiel haar uit de CAO voortvloeiende verzekeringsplicht was nagekomen, dient behandeld te worden als een uitkering uit een ongevallenverzekering. Uit artikel 14 van de CAO volgt dat de verzekering aan [appellant] recht zou moeten geven op een uitkering bij blijvende invaliditeit zonder verlies van de voordelen die de wet hem toekent in het geval van een ongeluk (“sin perde nada di su derecho riba beneficionan di Ley den caso di desgracia”). Ook is het recht op uitkering niet gekoppeld aan de vraag of door [appellant] als gevolg van de invaliditeit ook daadwerkelijk schade is geleden. Hieruit volgt dat het de bedoeling van de ingevolge de CAO verplicht gestelde verzekering is geweest om [appellant] een recht op uitkering toe te kennen los van de vraag of daadwerkelijk schade is geleden en dat deze uitkering niet als voordeel in mindering mag worden gebracht op enige schadevergoeding waarop [appellant] ingevolge de wet aanspraak heeft. Daaronder valt ook zijn aanspraak op een door Thiel te betalen immateriële schadevergoeding. Dat de premies voor de verzekering door de werkgever worden betaald of, zoals in dit geval, de uitkering door Thiel zelf wordt betaald, doet aan deze kennelijke bedoeling van de uit de CAO voortvloeiende verzekeringsplicht niet af.

2.5 Als onweersproken staat vast dat Thiel heeft voldaan aan het vonnis van 31 oktober 2001 waarbij zij tot betaling van voornoemde Afl. 80.000,-- is veroordeeld en dat Thiel tevens reeds heeft voldaan aan het vonnis van het Hof van 19 september 2006, waarbij zij tot vergoeding van voormelde immateriële schadevergoeding vermeerderd met wettelijke rente is veroordeeld. Nu gelet op het voorgaande op deze laatste betaling ten onrechte het betaalde bedrag ad Afl. 80.000,-- in mindering is gebracht (zoals het Hof uit de door Thiel bij akte tot uitlating overgelegde producties afleidt), dient Thiel dit bedrag alsnog te voldoen.

<u>b. veraangenamingsvergoeding</u>

2.6 Met Thiel is het Hof van oordeel dat er geen grond bestaat voor een afzonderlijke ‘veraangenamingsvergoeding’ voor de periode dat [appellant] in het ziekenhuis is opgenomen geweest. Een vergoeding voor het daarmee gepaard gaande ongemak en leed moet reeds begrepen worden geacht in de hiervoor besproken immateriële schadevergoeding.

<u>c. huishoudelijke hulp</u>

2.7 [appellant] heeft niet betwist dat partijen op 20 september 2005 overeenstemming hebben bereikt over de kosten van huishoudelijke hulp voor de periode tot en met september 2005 en dat het overeengekomen bedrag van Afl. 54.000,-- ook is betaald. Dat staat daarmee vast. Dat betekent dat alleen nog ter beoordeling voor ligt de vergoeding voor huishoudelijke hulp vanaf oktober 2005. Thiel heeft de door [appellant] gestelde noodzaak tot het inschakelen van huishoudelijke hulp voor 5 uur per dag niet, althans niet voldoende gemotiveerd weersproken. Ook is niet betwist dat een bedrag van Afl. 10,-- per uur een redelijke vergoeding is voor huishoudelijke hulp. Dit betekent dat voor kosten van huishoudelijke hulp vanaf oktober 2005 zal worden uitgegaan van (afgerond) een bedrag van Afl. 1.500,-- per maand nu ook het Hof dit bedrag redelijk voorkomt. Als niet weersproken staat vast dat Thiel vanaf oktober 2005 maandelijks een bedrag van Afl. 600,-- ter zake van huishoudelijke hulp aan [appellant] vergoedt. Dit betekent dat [appellant] tot aan de datum van dit vonnis nog een bedrag van 47 x Afl. 900,-- = Afl. 42.300,-- tegoed heeft.

2.8 In het Ergonomics-rapport wordt niet aangegeven tot welke datum vergoeding van de kosten voor huishoudelijke hulp wordt gevorderd. Uit het rapport van 13 januari 2004 leidt het Hof af dat [appellant] vergoeding vordert over een periode van 27 jaar. Thiel daarentegen stelt zich blijkens de aantekeningen ten behoeve van de comparitie van partijen van 20 januari 2004 op het standpunt dat voor de vergoeding van de kosten voor huishoudelijke hulp maximaal een periode van 24 jaren zou moeten worden gehanteerd. Geen van partijen geeft een onderbouwing voor het aantal jaren dat [appellant] aanspraak kan maken op vergoeding voor de kosten van huishoudelijke hulp. Het Hof acht aannemelijk dat [appellant] zonder ongeval nog tot de leeftijd van 60 jaar huishoudelijke werkzaamheden had kunnen uitvoeren waarvoor thans de hulp van derden noodzakelijk is. Voor de vergoeding van de kosten van huishoudelijke hulp zal daarom een periode van 24 jaar worden gehanteerd. Anders dan [appellant] blijkens het rapport van 13 januari 2004 bedoelt te vorderen, kan hij ten aanzien van de toekomstige schade geen aanspraak maken op vergoeding ineens van Afl. 1.500,-- per maand vermenigvuldigd met het aantal nog resterende maanden. Nu partijen onvoldoende aanknopingspunten hebben geboden voor een berekening van de contante waarde van de toekomstige schade, zullen de toekomstige kosten periodiek per maand worden toegekend, door Thiel vooraf per de eerste dag van iedere maand te voldoen.

<u>d. verpleging</u>

2.9 Thiel heeft niet betwist dat [appellant] tot aan de datum van opname in het revalidatiecentrum, 5 januari 2006, aangewezen was op verpleegkundige hulp gedurende 21 uur per week en heeft evenmin betwist dat een bedrag van Afl. 10,-- per uur een redelijke vergoeding is voor verpleegkundige hulp. In het rapport-De Kort is terecht gesteld dat de door Ergonomics gemaakte berekening niet juist is nu - kennelijk abusievelijk - wordt uitgegaan van kosten van verpleegkundige hulp van Afl. 630,-- per week (in plaats van Afl. 210,-- per week). Volgens de - door [appellant] niet betwiste - berekening van De Kort bedragen de kosten voor verpleegkundige hulp tot 4 januari 2006 Afl. 83.040,--. Dit bedrag, dat ook het Hof redelijk voorkomt, zal worden toegewezen (met dien verstande dat voor het jaar 2004 een kleine correctie wordt toegepast omdat in het rapport-De Kort een dubbeltelling ter hoogte van Afl. 60,-- is gemaakt). Daarbij behoeft, anders dan Thiel heeft aangevoerd, [appellant] niet aan te tonen dat hij deze kosten ook daadwerkelijk heeft gemaakt.

2.10 Thiel heeft gemotiveerd, onder verwijzing naar het rapport van dr. Zahavi, gesteld dat [appellant] sinds 5 januari 2006 niet meer is aangewezen op verpleegkundige hulp. Het had op de weg van [appellant] gelegen om zijn stelling dat hij sinds die datum nog altijd verpleegkundige hulp nodig heeft nader te motiveren en te onderbouwen. [appellant] heeft bij contra-akte evenwel volstaan met een algemene opmerking terzake. Het resterende deel van deze vordering zal daarom als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

<u>e. verlies zelfwerkzaamheid</u>

2.11 Tegenover de betwisting door Thiel dat sprake is van verlies aan zelfwerkzaamheid ten aanzien van het onderhoud van woning en tuin, heeft [appellant] zijn stellingen terzake niet - anders dan in algemene termen - nader gemotiveerd en onderbouwd. Daarmee heeft [appellant] zijn vordering onvoldoende onderbouwd. Dat er enig verlies aan zelfwerkzaamheid is ten aanzien van kleine werkzaamheden in en rondom de woning acht het Hof evenwel ook zonder deze nadere motivering wel aannemelijk. Een vergoeding van Afl. 1.000,-- per jaar acht het Hof daarvoor redelijk zodat dat bedrag zal worden toegewezen. De door [appellant] bij rapport van 13 januari 2004 gestelde periode van 22 jaren vanaf datum ongeval waarover de vergoeding zou moeten worden toegekend is door Thiel niet betwist en het Hof acht ook aannemelijk dat [appellant] zonder ongeval tot dan zelf werkzaamheden had kunnen uitvoeren waarvoor thans de hulp van derden nodig is. Ook hier geldt dat het deels toekomstige kosten betreft en in zoverre periodiek per jaar zullen worden toegekend, door Thiel vooraf per 1 januari van ieder jaar te voldoen. Tot aan datum vonnis is Thiel een bedrag ad Afl. 11.750,-- verschuldigd.

<u>f. transportkosten en taxivervoer</u>

2.12 Ook tegenover de betwisting door Thiel van de door [appellant] gestelde transportkosten (en de overlegging ter comparitie van partijen van 20 januari 2004 van een ingezonden brief waarin [appellant] aangeeft weer zelf een auto te kunnen besturen), heeft Thiel zijn vordering niet nader gemotiveerd en onderbouwd. Dit had wel op zijn weg gelegen. Zonder deze onderbouwing is niet duidelijk of inderdaad sprake is van extra vervoerskosten die in redelijkheid worden gemaakt en of de hoogte van de gestelde kosten redelijk is. Deze vordering zal daarom als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

<u>g. kosten van hulpmiddelen</u>

2.13 Tegenover het gemotiveerde verweer van Thiel dat de medisch noodzakelijke hulpmiddelen door AZV worden vergoed, had het op de weg gelegen van [appellant] om nader te onderbouwen welke hulpmiddelen niet zijn of worden vergoed en waarom deze toch noodzakelijk zijn. Dat heeft [appellant] evenwel nagelaten. Deze vordering zal daarom als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

<u>h. aangepaste woning</u>

2.14 [appellant] heeft niet betwist dat hem door Thiel een aangepaste woning ter beschikking is gesteld en dat deze post derhalve buiten beschouwing kan worden gelaten. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.

<u>i. revalidatiekosten en medisch chirurgische ingrepen</u>

2.15 Deze (pm)post is door [appellant] niet nader ingevuld of gemotiveerd, ook niet na het daartoe strekkende verweer van Thiel. Deze vordering zal daarom als onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd worden afgewezen. Voor zover [appellant] in de toekomst nog revalidatiekosten of kosten voor medische ingrepen als gevolg van het ongeval moet maken die niet door de verzekering of Thiel worden vergoed, staat het hem vrij die alsdan ter beoordeling aan de rechter voor te leggen.

<u>j. verlies arbeidsvermogen</u>

2.16 Door partijen zijn in de loop van de procedure telkens wisselende stellingen ingenomen ter zake van de hoogte van het inkomen van [appellant] voorafgaande aan het ongeval. Thiel heeft de aanname in het Ergonomics-rapport dat [appellant] voorafgaand aan het ongeval een gemiddeld maandinkomen van Afl. 2.916,66 genoot en daarnaast aanspraak had op een eindejaarsbonus gelijk aan een maandsalaris en een vakantievergoeding ter hoogte van Afl. 2.800,-- niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Nu duidelijk was dat dit rapport - en de daarin opgenomen bedragen - als uitgangspunt zou dienen voor de beoordeling door het Hof van de door [appellant] gestelde schade, had dat wel op haar weg gelegen, bijvoorbeeld door het overleggen van gegevens uit haar personeels- of loonadministratie waaruit specifiek de inkomsten van [appellant] zouden kunnen blijken. Thiel heeft evenwel volstaan met een verwijzing naar de loonbelastingkaarten van [appellant] (waarvan niet vast staat dat die de werkelijke inkomsten weergeven) en het door SVB gehanteerde dagloon (waarvan evenmin duidelijk is op welke gegevens dat is gebaseerd). Dat acht het Hof onvoldoende zodat het zal uitgaan van het in het Ergonomics-rapport gestelde maandinkomen met emolumenten.

2.17 Thiel heeft evenmin betwist dat [appellant] (daarnaast) inkomsten uit overwerk verwierf maar heeft wel gemotiveerd de hoogte van het door [appellant] gestelde inkomen daaruit betwist. Volgens Thiel beliep het gemiddelde overwerk (voor het gehele bedrijf) in de periode 1998-2007 11,6% van het bruto salaris. Het had op de weg van [appellant] gelegen om daartegenover zijn stelling dat in zijn geval van meer inkomsten uit overwerk sprake zou zijn geweest, nader te motiveren en onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan, zodat het Hof ook voor hem uit zal gaan van het door Thiel gestelde gemiddelde. Dit betekent dat de verdiencapaciteit van [appellant] gesteld wordt op 1,116 x (13 x Afl. 2.916,66 + Afl. 2.800,--) = Afl. 45.439,70 bruto per jaar (Afl. 3.786,64 bruto per maand), te rekenen vanaf april 1998. Teneinde de schade als gevolg van het verlies aan verdienvermogen vast te stellen, dienen daarop de door SVB aan [appellant] gedane uitkeringen in mindering te worden gebracht. Het Hof zal daarvoor aansluiten bij de in het Ergonomics-rapport genoemde bedragen. Tevens dient in mindering te worden gebracht de niet betwiste reeds door Thiel maandelijks betaalde suppletie ad Afl. 340,--. Dit alles leidt tot het volgende overzicht:

overzicht

2.18 Ten aanzien van toekomstige schade zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de arbeidsre-integratie door [appellant]. Uit de reactie van partijen leidt het Hof af dat [appellant] nog altijd niet aan het werk is en derhalve nog steeds arbeidsinkomsten derft. De (impliciete) stelling van Thiel dat [appellant] dit deels aan zichzelf te wijten heeft, acht het Hof onvoldoende onderbouwd om daaraan conclusies te verbinden. Dit betekent dat Thiel nog altijd gehouden is om het verlies aan verdiencapaciteit van [appellant] te compenseren. Blijkens het rapport van 13 januari 2004 vordert [appellant] een vergoeding voor het verlies aan verdiencapaciteit over een periode tot zijn zestigste levensjaar (13 mei 2022). Deze periode is door Thiel niet bestreden en komt het Hof, nu Thiel (zie het in eerste aanleg door Thiel overgelegde rapport van KPMG en de aantekeningen ten behoeve van comparitie van partijen van 20 januari 2004) ook zelf uitgaat van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd door [appellant] op 60-jarige leeftijd althans 24 jaar na het ongeval, juist voor.

2.19 Over de periode na 2004 zijn door partijen geen gegevens verstrekt over de door SVB betaalde uitkeringen aan [appellant]. Bij het bepalen van het verlies aan verdienvermogen sinds 2004 gaat het Hof ervan uit, nu door partijen niet anders is gesteld, dat SVB tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van 60 jaar aan [appellant] een vergoeding toekent. [appellant] heeft ten aanzien van de toekomstige schade geen aanspraak gemaakt op betaling van de contante waarde ineens. Het Hof zal de vergoeding voor het verlies aan verdienvermogen na 2004 daarom per maand toekennen, door Thiel achteraf per de laatste dag van iedere maand te voldoen, waarbij (nu het Hof niet over voldoende feitelijke gegevens beschikt) partijen zelf dienen te berekenen welk bedrag resteert na aftrek van de vergoeding door SVB en de reeds door Thiel betaalde suppletie (op overeenkomstige wijze als hiervoor onder 2.17 is gebeurd voor de jaren 1998-2004).

<u>k. onkosten en expertisekosten</u>

2.20 Tegenover de betwisting door Thiel van de expertisekosten, heeft [appellant] deze post niet nader onderbouwd. Dat geldt ook voor de gestelde onkosten: het had op de weg van [appellant] gelegen om in ieder geval de facturen waarbij deze kosten in rekening zijn gebracht en/of de bewijzen dat deze kosten zijn betaald in het geding te brengen maar dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft er ook niet voldoende concreet en specifiek bewijs van aangeboden. Omdat wel aannemelijk is dat [appellant] in redelijkheid enige expertisekosten heeft moeten maken, en in het rapport-De Kort (onder ‘recapitulatie’) er ook vanuit wordt gegaan dat in ieder geval tot een bedrag van Afl. 30.000,-- onkosten en expertisekosten zijn gemaakt, zal het Hof deze schade schattenderwijs vaststellen op Afl. 30.000,--.

<u>tussenbalans</u>

2.21 Uit het voorgaande volgt dat zullen worden toegewezen:

A. kosten huishoudelijke hulp vanaf oktober 2005 (tot aan datum vonnis: Afl. 42.300,--, vanaf datum vonnis Afl. 1.500,-- per maand);

B. kosten verpleegkundige hulp tot 4 januari 2006 (Afl. 82.980,--);

C. verlies zelfwerkzaamheid (tot aan datum vonnis Afl. 11.750,--, vanaf 1 januari 2010 Afl. 1.000,-- per jaar)

D. verlies verdienvermogen (t/m 2004: Afl. 139.155,71 bruto, vanaf januari 2004 maandelijks Afl. 3.786,64 bruto minus SVB-vergoeding en reeds betaalde suppletie)

E. onkosten en expertisekosten (Afl. 30.000,--);

F. restant immateriële schadevergoeding (Afl. 80.000,--).

<u>l. wettelijke rente</u>

2.22 Blijkens het Ergonomics-rapport vordert [appellant] vergoeding van de wettelijke rente over de toe te wijzen onderdelen van zijn vordering vanaf het jaar volgend op de periode waarin de schade is ontstaan. Kennelijk bedoelt [appellant] daarmee te vorderen dat de wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de schade is geleden. Thiel heeft daartegen geen verweer gevoerd zodat het Hof de wettelijke rente in die zin zal toewijzen. Nu ten aanzien van post E niet gesteld is wanneer de kosten zijn gemaakt, zal de wettelijke rente daarover worden toegewezen vanaf de datum van dit vonnis. De immateriële schadevergoeding moet geacht worden opeisbaar te zijn vanaf datum ongeval zodat de wettelijke rente over het nog te betalen restant ad Afl. 80.000,-- zal worden toegewezen vanaf 1 januari 1999. Dit leidt ertoe dat de wettelijke rente over de toe te wijzen onderdelen van de vordering als volgt zal worden toegewezen:

vanaf 1 januari 1999 over <u>Afl. 91.600,96</u>:

<small>- Afl. 6.420,-- (post B)

- Afl. 750,-- (post C)

- Afl. 4.430,96 (post D)

- Afl. 80.000,-- (post F)</small>

vanaf 1 januari 2000 over <u>Afl. 26.690,70</u>:

<small>- Afl. 10.920,-- (post B)

- Afl. 1.000,-- (post C)

- Afl. 14.770,70 (post D)</small>

vanaf 1 januari 2001 over <u>Afl. 37.183,70</u>:

<small>- Afl. 10.920,-- (post B)

- Afl. 1.000,-- (post C)

- Afl. 25.263,70 (post D)</small>

vanaf 1 januari 2002 over <u>Afl. 35.991,06</u>:

<small>- Afl. 10.920,-- (post B)

- Afl. 1.000,-- (post C)

- Afl. 24.071,06 (post D)</small>

vanaf 1 januari 2003 over <u>Afl. 35.991,06</u>:

<small>- Afl. 10.920,-- (post B)

- Afl. 1.000,-- (post C)

- Afl. 24.071,06 (post D)</small>

vanaf 1 januari 2004 over <u>Afl. 25.419,37</u>:

<small>- Afl. 10.920,-- (post B)

- Afl. 1.000,-- (post C)

- Afl. 22.499,37 (post D)</small>

vanaf 1 januari 2005 over <u>Afl. 35.968,98</u>:

<small>- Afl. 10.920,-- (post B)

- Afl. 1.000,-- (post C)

- Afl. 24.048,98 (post D)</small>

vanaf 1 januari 2006 over <u>Afl. 14.620,--</u>:

<small>- Afl. 2.700,-- (post A)

- Afl. 10.920,-- (post B)

- Afl. 1.000,-- (post C)</small>

alsmede over 12 x (Afl. 3.786,64 bruto minus SVB-vergoeding en reeds betaalde suppletie) (post D);

vanaf 1 januari 2007 over <u>Afl. 11.920,--</u>:

<small>- Afl. 10.800,-- (post A)

- Afl. 120,-- (post B)

- Afl. 1.000,-- (post C)</small>

alsmede over 12 x (Afl. 3.786,64 bruto minus SVB-vergoeding en reeds betaalde suppletie) (post D);

vanaf 1 januari 2008 over <u>Afl. 11.800,--</u>:

<small>- Afl. 10.800,-- (post A)

- Afl. 1.000,-- (post C)</small>

alsmede over 12 x (Afl. 3.786,64 bruto minus SVB-vergoeding en reeds betaalde suppletie) (post D);

vanaf 1 januari 2009 over <u>Afl. 11.800,--</u>:

<small>- Afl. 10.800,-- (post A)

- Afl. 1.000,-- (post C)</small>

alsmede over 12 x (Afl. 3.786,64 bruto minus SVB-vergoeding en reeds betaalde suppletie) (post D)

vanaf 18 augustus 2009 over <u>Afl. 30.000,--</u> (post E).

<u>proceskostenveroordeling</u>

2.23 Thiel zal als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de aan de zijde van [appellant] gevallen proceskosten.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het bestreden vonnis van 31 oktober 2001 en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Thiel om aan [appellant] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van Afl. 139.155,83 bruto alsmede een bedrag van Afl. 247.030,--, te vermeerderen met:

- beginnende 1 september 2009 en eindigend op 13 mei 2022: maandelijks een bedrag van Afl. 1.500,--, telkens uiterlijk te betalen per de eerste dag van de maand;

- beginnende 1 januari 2010 en eindigend op 19 maart 2020: jaarlijks een bedrag van Afl. 1.000,--, telkens uiterlijk te betalen per de eerste dag van het jaar;

- beginnende 1 januari 2005 en eindigend op 13 mei 2022: maandelijks een bedrag van Afl. 3.786,64 bruto minus SVB-vergoeding en reeds betaalde suppletie, telkens uiterlijk te betalen per de laatste dag van de maand;

alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente

vanaf 1 januari 1999 over Afl. 91.600,96

vanaf 1 januari 2000 over Afl. 26.690,70

vanaf 1 januari 2001 over Afl. 37.183,70

vanaf 1 januari 2002 over Afl. 35.991,06

vanaf 1 januari 2003 over Afl. 35.991,06

vanaf 1 januari 2004 over Afl. 25.419,37

vanaf 1 januari 2005 over Afl. 35.968,98

vanaf 1 januari 2006 over Afl. 14.620,-- alsmede over Afl. 45.439,70 minus SVB-vergoeding en reeds betaalde suppletie;

vanaf 1 januari 2007 over Afl. 11.920,-- alsmede over Afl. 45.439,70 minus SVB-vergoeding en reeds betaalde suppletie;

vanaf 1 januari 2008 over Afl. 11.800,-- alsmede over Afl. 45.439,70 minus SVB-vergoeding en reeds betaalde suppletie;

vanaf 1 januari 2009 over Afl. 11.800,-- alsmede over Afl. 45.439,70 minus SVB-vergoeding en reeds betaalde suppletie;

vanaf 18 augustus 2009 over Afl. 30.000,--,

alles tot de dag van voldoening;

veroordeelt Thiel in de kosten van de procedure in beide instanties aan de zijde van [appellant] gevallen en tot op heden begroot op:

- in eerste aanleg: Afl. 850,-- aan verschotten en Afl. 3.850,-- aan gemachtigdensalaris;

- in hoger beroep: Afl. 110,-- aan verschotten en Afl. 35.000,-- aan gemachtigdensalaris;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Lewin, Wattel en Lock, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 18 augustus 2009.