Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2009:BJ5897

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
11-08-2009
Datum publicatie
25-08-2009
Zaaknummer
EJ 528/06 – H. 403/07
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoeker wil aanvulling in registers van de burgerlijke stand zodat zal blijken dat hij de zoon is van zijn overleden vader. Gea heeft terecht geoordeeld dat inschrijving van buitenlandse geboorteakte onmogelijk is aangezien de inschrijving in 's-Gravenhage voldoende is geacht. Subsidiair verlangt verzoeker dat de overlijdensakte wordt aangevuld. Indien de moeder is overleden na vader moet zij worden vermeld in het eerste gedeelte en anders in het derde gedeelte. Verzoeker dient omtrent de overlijdensdatum van zijn moeder de gegevens te verschaffen. Het is niet mogelijk zijn namen te vermelden ingevolge art. 61 jo 15 Lbs. Uit de basisadministratie blijk dat gegevens onvolledig zijn gezien tweede echtgenote niet is vermeld en gesteld wordt dat de vader geen kinderen had, voor zover is nagegaan. Hiervoor dient de verzoeker echter de weg te volgen zoals aangegeven in de Lar. (zie ook nr. 165 HLAR 39/06, LJN BG3600).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienrs. EJ 528/06 – H. 403/07

Uitspraak: 11 augustus 2009 (bij vervroeging)

BESCHIKKING GEGEVEN DOOR HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

in de zaak van:

[verzoeker],

wonend in Nederland, domicilie gekozen hebbend ten kantore van zijn gemachtigde,

oorspronkelijk verzoeker, thans appellant,

hierna te noemen: [verzoeker],

gemachtigden: mrs. M.F. Bonapart en R. Rijnberg,

tegen

1. DE AMBTENAAR VAN DE BURGERLIJKE STAND EN BEWAARDER VAN DE BASISADMINISTRATIE PERSOONSGEGEVENS TE CURAÇAO,

2. de openbare rechtspersoon HET EILANDGEBIED CURAÇAO,

zetelend op Curaçao,

oorspronkelijk verweerders, thans geïntimeerden,

hierna te noemen: de ambtenaar,

in hoger beroep niet verschenen.

Het verloop van de procedure

1.1. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, (GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in de zaak met EJ nummer 528 van 2006 gegeven en op 18 oktober 2007 uitgesproken beschikking. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd.

1.2. [verzoeker] is bij beroepschrift, ingekomen op 22 november 2007, in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking. Daarin heeft hij zijn beroep toegelicht en geconcludeerd dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zijn verzoek alsnog zal toewijzen, kosten rechtens.

1.3. De ambtenaar heeft geen verweerschrift ingediend.

1.4. Op 1 april 2008 is de zaak aangehouden.

1.5. Op 20 januari 2009 heeft [verzoeker] een brief ingezonden.

1.6. Op 3 maart 2009 heeft [verzoeker] schriftelijk gepleit.

1.7. Op 2 juni 2009 is een akte van niet dienen verleend ten aanzien van de ambtenaar.

1.8. Het Hof heeft op de zitting bepaald dat op 1 september 2009 een beschikking zal worden uitgesproken. Bij vervroeging is de uitspraak nader bepaald op heden.

2. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift.

3. Beoordeling

3.1. [verzoeker], die in Costa Rica geboren is, wenst kennelijk dat een zodanige aanvulling of verbetering van de registers van de burgerlijke stand op Curaçao of van de basisadministratie persoonsgegevens van Curaçao geschiedt dat zal blijken dat hij een zoon is van zijn vader [vader van verzoeker], hierna te noemen [vader van verzoeker], die op [datum] 2003 op Curaçao is overleden.

<i>Burgerlijke stand</i>

3.2. Artikel 1:24 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek luidt:

Aanvulling van een register van de burgerlijke stand met een daarin ontbrekende akte of latere vermelding, doorhaling van een daarin ten onrechte voorkomende akte of latere vermelding, of verbetering van een daarin voorkomende akte of latere vermelding die onvolledig is of een misslag bevat, kan op verzoek van belanghebbenden of op vordering van het Openbaar Ministerie worden gelast door de rechter in eerste aanleg. De rechter kan bij zijn beschikking tot verbetering van een akte of latere vermelding die onvolledig is of een misslag bevat, eveneens dezelfde verbetering gelasten ten aanzien van een akte of latere vermelding betreffende dezelfde persoon of zijn afstammelingen, die buiten zijn rechtsgebied in de registers van de burgerlijke stand is opgenomen.

3.3. Het GEA heeft terecht geoordeeld dat inschrijving van de buitenlandse geboorteakte van [verzoeker] in de Nederlandse Antillen onmogelijk is, aangezien de mogelijkheid van inschrijving in ’s-Gravenhage ingevolge artikel 1:25 BWNed door de Nederlands-Antilliaanse wetgever voldoende is geacht. De geboorteakte van [verzoeker] is ook te ’s-Gravenhage ingeschreven (productie 5 bij inleidend verzoekschrift); uit de akte van inschrijving blijkt dat [verzoeker] kind is van [vader van verzoeker]

3.4. [verzoeker] verlangt kennelijk subsidiair (beroepschrift onder 5) dat de op zijn vader betrekking hebbende overlijdensakte (productie 6 bij inleidend verzoekschrift) op de voet van artikel 1:24 BW wordt aangevuld. Dit verzoek is op grond van artikel 61 van het Besluit burgerlijke stand (hierna: Lbs) (P.B. 2001, no. 12; te raadplegen op www.overheid.nl/wetten.nl) toewijsbaar voorzover de overlijdensakte niet vermeldt de geslachtsnaam en de voornamen van de moeder van [verzoeker] In het derde gedeelte van de overlijdensakte zijn slechts vermeld de geslachtsnaam en de voornaam van de eerste echtgenote van [vader van verzoeker]

3.5. Artikel 61 Lbs luidt:

1. De akte van overlijden vermeldt in het eerste gedeelte achtereenvolgens:

a. de geslachtsnaam en de voornamen van de overledene;

b. voor zover bekend, de plaats en de datum van geboorte van de overledene;

c. het geslacht van de overledene;

d. de woonplaats of de gewone verblijfplaats van de overledene;

e. de datum en, voor zover bekend, het uur en de minuut van overlijden;

f. de plaats van overlijden;

g. de geslachtsnaam en de voornamen van de persoon met wie de overledene ten tijde van het overlijden gehuwd was.

2. De akte vermeldt in het tweede gedeelte de geslachtsnaam en de voornamen van de ouders van de overledene, voor zover deze bekend zijn.

3. De akte vermeldt in het derde gedeelte achtereenvolgens:

a. voor zover bekend, de geslachtsnaam en de voornamen van de persoon of van de personen, met wie de overledene eerder gehuwd was;

b. de geslachtsnaam en de voornamen, alsmede de plaats en de datum van geboorte van de aangever.

3.6. In het inleidend verzoekschrift is onder 6 vermeld dat beide ouders van [verzoeker] zijn overleden. Indien zijn moeder [moeder] is overleden na zijn vader moet zij vermeld worden in het eerste gedeelte van de overlijdensakte, indien zij is overleden vóór zijn vader in het derde gedeelte. [verzoeker] dient bij akte gegevens te verschaffen omtrent de overlijdensdatum van zijn moeder.

3.7. Blijkens het hierboven geciteerde artikel 61 jo artikel 15 Lbs is het niet mogelijk de naam van [verzoeker] te vermelden in de overlijdensakte.

<i>Basisadministratie persoonsgegevens</i>

3.8. Bij het inleidend verzoekschrift zijn tevens overgelegd (eveneens productie 6) ‘Inlichtingen uit de basisadministratie persoonsgegevens’ die onvolledig zijn aangezien niet de tweede echtgenote (de moeder van [verzoeker]) is vermeld en gesteld wordt dat [vader van verzoeker] ‘voor zover is nagegaan geen kinderen had’.

3.9. Artikel 18 van de Eilandsverordening basisadministratie persoonsgegevens van het Eilandgebied Curaçao (A.B. 1998, no. 42) luidt:

1. De houder van de basisadministratie voldoet binnen vier weken aan het schriftelijk verzoek van betrokkene de hem betreffende gegevens in de basisadministratie op de aangegeven wijze te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien de gegevens onjuist danwel onvolledig zijn of ten onrechte zijn opgenomen. Hiervoor worden geen kosten in rekening gebracht.

2. De termijn, bedoeld in het eerste lid, kan door de houder van de basisadministratie, voor zover noodzakelijk, ten hoogste drie maal met telkens acht weken worden verlengd, indien het verzoek betrekking heeft op gegevens over de burgerlijke staat of de nationaliteit. Van een beslissing tot verlenging wordt terstond schriftelijk mededeling gedaan aan de verzoeker.

3. De beheerder van de basisadministratie doet terstond schriftelijk mededeling aan de verzoeker van de voldoening aan het verzoek.

3.10. Voorzover moet worden aangenomen dat [verzoeker] als belanghebbende een verzoek gedaan heeft tot verbetering of aanvulling van de op zijn vader betrekking hebbende gegevens in de basisadministratie en de houder van de basisadministratie dit verzoek heeft afgewezen, dient [verzoeker] de weg te volgen zoals aangegeven in de Landsverordening administratieve rechtspraak (P.B. 2001, no. 79). Het Hof als hoogste bestuursrechter heeft namelijk op 4 juni 2007 in zaak nr. 165 HLAR 39/06 (te raadplegen op www.rechtspraak.nl onder LJN: BG3600) overwogen dat een weigering door de ambtenaar van het bevolkingsregister van Aruba een in Colombia gesloten huwelijk in het bevolkingsregister van Aruba in te schrijven een beschikking is, waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Er is geen reden ten aanzien van de eilandelijke basisadministraties van de Nederlandse Antillen anders te oordelen dan ten aanzien van het bevolkingsregister van Aruba.

3.11. Bij het bestaan van een met voldoende waarborgen omgeven bestuursrechtelijke rechtsgang is [verzoeker] niet-ontvankelijk bij de burgerlijke rechter.

<i>Slotsom</i>

3.12. [verzoeker] krijgt de gelegenheid de in rov. 3.6 bedoelde akte te nemen. De ambtenaar kan daarop desgewenst bij contra-akte reageren.

3.13. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4. Beslissing

Het Hof:

- laat [verzoeker] toe de in rov. 3.6 bedoelde akte te nemen;

- verwijst de zaak daartoe naar de rolzitting van 25 augustus 2009;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en J.P. de Haan, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 augustus 2009 op Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.