Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2009:BI6973

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
19-05-2009
Datum publicatie
09-06-2009
Zaaknummer
AR-2347/07; H-563/08
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof moet beoordelen of appellant jegens geïntimeerde verplicht is het gevorderde bedrag te betalen voor een partij drank. Het Hof oordeelt dat appellant in dezen niet aansprakelijk is. De debiteurenkaart is op naam gesteld van Alcon en niet op die van appellant, bovendien zijn de betalingen gedaan door Alcon. Tenslotte stelt appellant dat hij voor zover hij betrokken is bij de leverantie dit als directeur van Alcon is geweest. Het Hof acht aannemelijk dat Alcon is opgericht met doel een groothandel in drank opdat appellant in beginsel niet persoonlijk aansprakelijk zou zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnisdatum: 19 mei 2009

Zaaknummer: AR-2347/07; H-563/08

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Vonnis in de zaak van:

[appellant],

wonend op Bonaire,

oorspronkelijk gedaagde, thans appellant,

gemachtigde: mr. M.O. Lopez,

– tegen –

de naamloze vennootschap

ROMAR TRADING COMPANY N.V.,

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk eiseres, thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. J.M. de Cuba en Z.T.M. Arendsz-Marchena.

Partijen worden hierna “[appellant]” en “Romar” genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Op 11 juni 2008 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: GEA) tussen partijen vonnis gewezen. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het GEA wordt verwezen naar dat vonnis.

1.2 [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis door op 9 juli 2008 een akte van appel in te dienen. Bij afzonderlijke memorie van grieven, ingediend op 19 augustus 2008, heeft hij één grief tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het bestreden vonnis wordt vernietigd en de vordering van Romar niet-ontvankelijk wordt verklaard dan wel wordt afgewezen, kosten rechtens.

1.3 Bij memorie van antwoord heeft Romar het hoger beroep bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

1.4 Op de daarvoor bepaalde dag hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities overgelegd. Vervolgens is vonnis gevraagd, waarvan de uitspraak bepaald is op heden.

2. De grief

Voor de grief wordt verwezen naar de memorie van grieven.

3. De beoordeling

3.1 De grief is niet gericht tegen de vaststelling van de feiten door het GEA onder 2 van het vonnis waarvan beroep. Die vaststelling komt het Hof bovendien juist voor. Zij dient daarom tot uitgangspunt bij de beoordeling in hoger beroep.

3.2 In deze zaak gaat het om het volgende. Het GEA heeft in het vonnis waarvan beroep, kort gezegd, uitvoerbaar bij voorraad [appellant] veroordeeld om aan Romar het bedrag van US$ 41.258,24 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente, met veroordeling van [appellant] in de kosten van procedure. Hiertegen richt zich het hoger beroep.

3.3 [appellant] stelt dat niet hij maar [E.P.] de opdrachtgever en afnemer was van de partij drank. Weliswaar heeft Alcon een aantal betalingen op de onderhavige vordering verricht, maar dat betekent volgens hem niet dat Alcon of [appellant] de vordering heeft erkend. Ten eerste heeft Alcon en niet [appellant] de betalingen ten behoeve van [E.P.] verricht. Ten tweede heeft Alcon die betalingen onverplicht verricht, onder druk van Romar en om de vriendschap tussen [appellant] en de directeur van Romar, [M.H.], te behouden. De achtergrond hiervan is dat Alcon [E.P.] indertijd aan Romar had voorgesteld om voor eigen rekening en verantwoordelijkheid zaken mee te doen.

3.4 Romar stelt dat wel een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen voor de aankoop en afname van de partij drank. Dit blijkt uit de rekening courant verhouding die sinds 2001 tussen partijen bestond en de factuur die Romar heeft verstuurd waarop [appellant], naast Alcon, als medeschuldenaar is vermeld. Voorts heeft [appellant] de partij drank besteld en heeft hij Romar gewezen bij welke boot in de haven van Aruba zij de drank moest afleveren. Romar kent [E.P.] zelf niet. Tot slot stelt Romar dat [appellant] in zijn conclusie van antwoord heeft erkend dat hij persoonlijk de betalingen op de vordering heeft verricht.

3.5 Ter beoordeling staat de vraag of [appellant] jegens Romar verplicht is het gevorderde bedrag te betalen voor de partij drank. Het Hof oordeelt hierover als volgt.

3.6 Het Hof kan Romar niet volgen in haar standpunt dat [appellant] in zijn conclusie van antwoord heeft erkend dat hij persoonlijk de betalingen op de vorderingen heeft verricht. Van een gerechtelijke erkentenis als bedoeld in artikel 133 Rv is geen sprake. Door onder 13 te zeggen ‘[appellant] besloot om de vriendschap niet te verkwisten en zonder enige verplichting op zich te willen nemen heeft zij een gedeelte van wat zij ontvangen had van [E.P.] aan Romar afgestaan’, heeft [appellant] de onderhavige stelling immers niet ondubbelzinnig erkend. Naar het Hof begrijpt, bedoelt [appellant] daarmee te zeggen dat hij als directeur van Alcon heeft besloten dat zij, dat wil zeggen Alcon, de betalingen zal verrichten. Daarbij heeft het Hof mede in aanmerking genomen dat [appellant] overigens in zijn conclusie van antwoord en verder in de procedure uitdrukkelijk heeft betoogd dat hij in dezen niet aansprakelijk is.

3.7 Voorts blijkt uit de als productie 1 bij het inleidend verzoekschrift overgelegde debiteurenkaart van Romar niet dat, zoals Romar stelt, tussen partijen sinds 2001 een rekening courant verhouding bestond. Deze debiteurenkaart is immers op naam gesteld van Comky Comercial Alcon, en niet (ook) van [appellant]. [appellant] heeft weersproken dat hij een leverancierskrediet bij Romar had. Voorts komt uit die debiteurenkaart naar voren dat Alcon en niet (ook) [appellant] terzake betalingen aan Romar heeft verricht. Dit sluit aan bij de door [appellant] als producties 2 en 3 bij de memorie van grieven overgelegde betalingsoverzichten van Alcon.

3.8 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen resteert ter onderbouwing van de vordering van Romar de stellingen dat op de factuur de naam van [appellant] is vermeld en dat [appellant] de partij drank heeft besteld en heeft gewezen waar Romar de drank moest afleveren. Het Hof is van oordeel dat hiertegenover [appellant] de vordering voldoende gemotiveerd heeft betwist door te stellen dat voor zover hij hierbij betrokken is geweest - hij heeft ontkend dat hij de drank heeft besteld en dat hij aanwijzingen heeft gegeven voor aflevering daarvan - hij dit als directeur van Alcon is geweest. Het Hof acht aannemelijk dat [appellant] Alcon heeft opgericht met het doel een groothandel in drank te drijven, opdat hij in beginsel niet persoonlijk aansprakelijk zou zijn met betrekking tot verbintenissen van de onderneming. Dit geldt in dit geval te meer, gelet op de hoogte van de onderhavige factuur van US$ 63.200,-.

3.9 Romar heeft geen bewijs aangeboden. Het Hof ziet geen aanleiding haar ambtshalve tot bewijslevering toe te laten. Niet is derhalve vast komen te staan dat [appellant] jegens Romar verplicht is het gevorderde bedrag te betalen voor de partij drank. De slotsom is dat de grief slaagt.

3.10 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd. Het oorspronkelijk gevorderde zal worden afgewezen, met veroordeling van Romar als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van geding.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

wijst het gevorderde af;

veroordeelt Romar in de kosten van het geding aan de zijde van [appellant] gevallen en tot op heden begroot op:

- in eerste aanleg: Afl. 2.200,- aan salaris van de gemachtigde;

- in hoger beroep: Afl. 1.500,- aan griffierecht, Afl. 205,- aan explootkosten en Afl. 6.600,- aan salaris van de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en J.P. de Haan, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 19 mei 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.