Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2009:BI5372

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
27-02-2009
Datum publicatie
29-05-2009
Zaaknummer
HLAR 05/09 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij beschikking heeft de gezaghebber verzoekster op straffe van bestuursdwang gelast haar kiosk op het Gomezplein binnen een week te ontruimen. Verzoekster verzoekt de begunstigingstermijn bij wijze van voorlopige voorziening te verlengen tot het Hof in de hoofdzaak heeft beslist. Daarom wordt onderzocht of het door haar ingestelde hoger beroep naar voorlopig oordeel ongegrond is en de uitspraak van het Gerecht zal worden bevestigd. Verzoekster beschikt niet over de vereiste ventvergunning voor de kiosk. Volgens het Hof valt thans niet aan te nemen dat de aangevallen uitsprak niet voor bevestiging in aanmerking komt en daarom dient het verzoek te worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 05/09 VV

Datum uitspraak: 27 februari 2009

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Uitspraak van de voorzitter van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 85 van de Landsverordening administratieve rechtspraak) hangende het hoger beroep van:

[Verzoekster], wonend op [woonplaats],

verzoekster,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 6 januari 2009 in zaak nr. 2008/110 in het geding tussen:

verzoekster

en

de gezaghebber van het Eilandgebied Curaçao.

1. Procesverloop

Bij beschikking van 2 september 2008 heeft de gezaghebber van het Eilandgebied Curaçao (hierna: de Gezaghebber) verzoekster [hierna: verzoekster] op straffe van bestuursdwang gelast het Gomezplein binnen een week te ontruimen.

Bij uitspraak van 6 januari 2009 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (hierna: het Gerecht), het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, die beschikking vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan, behoudens de gestelde begunstigingstermijn, in stand blijven en deze termijn in die zin gewijzigd dat [verzoekster] het Gomezplein voor 7 februari 2009 dient te ontruimen.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] bij brief, bij het Hof ingekomen op 4 februari 2009, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 februari 2009, waar [verzoekster], bijgestaan door mr. A.I. Martis, advocaat, en de gezaghebber, vertegenwoordigd door mr. N.B. Louisa, ambtenaar in dienst van het Eilandgebied, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [Verzoekster] verzoekt de begunstigingstermijn bij wijze van voorlopige voorziening te verlengen tot het Hof in de hoofdzaak zal hebben beslist. Voor het treffen van een voorziening als door haar verzocht bestaat echter geen aanleiding, indien het door haar ingestelde hoger beroep naar voorlopig oordeel ongegrond is en de uitspraak van 6 januari 2009 zal worden bevestigd. Dat zal worden onderzocht.

2.2. [Verzoekster] ontplooit sinds 15 jaar verkoopactiviteiten vanuit een kiosk op het Gomezplein. Haar koopwaar ligt in en rond de kiosk uitgestald.

2.3. Aan de beschikking van 2 september 2008 heeft de gezaghebber ten grondslag gelegd dat [verzoekster] niet over een daarvoor vereiste ventvergunning beschikt, op korte termijn met de renovatiewerkzaamheden aan het Gomezplein zal worden begonnen en dat plein volgens het gevoerde standplaatsenbeleid alleen bedoeld is voor de bij de aangrenzende panden behorende terrassen.

Voorts heeft de gezaghebber [verzoekster] meegedeeld dat, nadat zij een aanvraag voor een ventvergunning heeft ingediend, zij gebruik zal kunnen maken van één van de kramen op het Wilhelminaplein.

2.4. Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Eilandsverordening Bevordering Openbare Orde en Bescherming Gemeenschap (hierna: de EBOOBG), voor zover thans van belang, is het verboden zonder vergunning van de Gezaghebber in, op, aan of over de openbare weg iets te plaatsen, vast te hechten of te hebben.

Ingevolge die aanhef en onder d, voor zover thans van belang, is het verboden zonder vergunning van de gezaghebber op de openbare weg met koopwaren te staan of te zitten.

Ingevolge artikel 18, onder b, is het verboden zonder vergunning van de gezaghebber op of aan de openbare weg te venten.

2.5. Het primaire betoog van [verzoekster], zoals nader toegelicht ter zitting, strekt ertoe dat het Gerecht heeft miskend dat de gezaghebber niet bevoegd was om handhavend op te treden, omdat zij over een vergunning voor haar activiteiten beschikt, waarvan het vergunningbewijs haar echter ten onrechte niet is uitgereikt.

2.5.1. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) geldt de dag waarop een beschikking is verzonden of uitgereikt als de dag waarop deze is gegeven.

2.5.2. Niet in geschil is dat aan [verzoekster] geen vergunningbewijs voor het ter plaatse verrichten van verkoopactiviteiten is uitgereikt, zodat het Gerecht terecht heeft overwogen dat zij niet over een geldige vergunning voor haar activiteiten beschikt en de gezaghebber derhalve daartegen handhavend kon optreden. Dat, naar [verzoekster] stelt en zijdens de gezaghebber wordt betwist, de gezaghebber bedoeld heeft haar vergunning te verlenen, is, wat daar verder van zij, geen grond voor een ander oordeel, nu geen uitreiking van een desbetreffend schriftelijk stuk heeft plaatsgevonden. Het betoog faalt naar voorlopig oordeel.

2.6. [Verzoekster] betoogt subsidiair dat het Gerecht heeft miskend dat de gezaghebber, indien al bevoegd, in elk geval niet handhavend mocht optreden, omdat concreet zicht op legalisering bestaat, nu de gezaghebber het standpunt dat hij thans niet bereid is haar vergunning te verlenen, heeft gebaseerd op het rapport Standplaatsenbeleid Binnenstad van de Dienst Ruimtelijke Ontwikkeling en Volkshuisvesting van het Eilandgebied Curaçao (hierna: de DROV) uit 2002, doch dit rapport niet door de eilandsraad van het Eilandgebied Curaçao is goedgekeurd.

2.6.1. Ook dat betoog faalt naar voorlopig oordeel. De gezaghebber is niet bereid aan [verzoekster] vergunning te verlenen voor haar verkoopactiviteiten op het Gomezplein, omdat vergunningverlening in strijd zou zijn met voormeld rapport van DROV, waarin het gevoerde beleid is neergelegd. Volgens dit beleid is op het Gomezplein geen standplaats aangewezen.

In beginsel volstaat het enkele feit dat het daartoe bevoegde bestuursorgaan niet bereid is vergunning te verlenen voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering bestaat.

Er bestaan voorts geen aanknopingspunten om op voorhand aan te nemen dat, indien vergunning zou worden geweigerd, die weigering in rechte geen stand zou houden. Onder die omstandigheden bestaat geen concreet zicht op legalisering.

2.7. [Verzoekster] betoogt ook dat het Gerecht heeft miskend dat de gezaghebber zijn bevoegdheid tot handhavend optreden voor een ander doel heeft gebruikt, dan waarvoor die is verleend.

2.7.1. Het Gerecht heeft naar voorlopig oordeel in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden om haar hierin te volgen. De beschikking van 2 september 2008, die er toe strekt dat handhavend wordt opgetreden tegen een overtreding van een verbod, als waartoe de gezaghebber in beginsel gehouden is, kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motieven. Van een ander doel dan handhaving van dat verbod is niet gebleken. Het betoog faalt naar voorlopig oordeel.

2.8. Voorts heeft het Gerecht naar voorlopig oordeel in het in beroep aangevoerde terecht evenmin grond gezien voor het oordeel dat de gezaghebber, door de beschikking van 2 september 2008 te geven, zonder de besluitvorming op de door [verzoekster] ingediende vergunningaanvraag af te wachten, in strijd met het beginsel van fair play heeft beschikt, nu duidelijk was dat de gezaghebber niet voornemens is haar de gevraagde vergunning te verlenen.

2.9. Het betoog van [verzoekster] inzake schending van het gelijkheidsbeginsel, dat voor het eerst in hoger beroep is aangevoerd, is niet nader toegelicht, zodat dit betoog naar voorlopig oordeel reeds om die reden niet kan slagen.

2.10. Het betoog van [verzoekster] dat het Gerecht ten onrechte artikel 10, eerste lid, onder a, van de EBOOBG bij de procedure heeft betrokken, faalt naar voorlopig oordeel als gericht tegen een louter ten overvloede gegeven overweging.

2.11. Gelet op het vorenstaande, valt thans niet aan te nemen dat de aangevallen uitspraak niet voor bevestiging in aanmerking komt, althans dat het Hof ten slotte zal concluderen dat de gezaghebber niet tot handhavend optreden mocht beslissen, als deze heeft gedaan, en dient het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen te worden afgewezen.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Martinez, griffier.

w.g. Loeb

Voorzitter

w.g. Martinez

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2009

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,