Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2009:BI4786

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
12-05-2009
Datum publicatie
25-05-2009
Zaaknummer
AR 1462/03-H-143/05
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betreft vervolg op NJ 2008, 282 (LJN BH3072). Betreft geschil over het recht op gebruik van vakantieverblijven van het Kura Hulanda in het voormalige Kadushi Cliffs Resort. Hof gaat er vanuit dat de rechtsverhouding tussen partijen als huur gekwalificeerd moet worden. Kura Hulanda verklaart in deze procedure dat zij een beroep heeft willen doen op art. 7A:1570 BW. In de onderbouwing is zij alleen ingegaan op het vereiste "geheel en al vergaan" en niet op het door welk "toeval" het gehuurde zou zijn vergaan. Daarom wordt het beroep verworpen. Hof bekrachtigd het vonnis van het GEA voor zover een verklaring voor recht is gegeven dat eiser jegens Kura Hulanda als huurster moet worden aangemerkt. Kura Hulanda moet huurgenot verschaffen van bedoelde accommodatie en schadevergoeding betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK: 12 mei 2009

ZAAKNR.: AR 1462/03-H-143/05

HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE

NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Vonnis in de zaak van:

[eiser],

wonend te Den Haag, Nederland,

oorspronkelijk eiseres, geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het incidenteel appel, eiseres in cassatie, en thans eiseres na vernietiging en verwijzing in cassatie,

gemachtigde: mr. K. de L’Isle,

tegen

de naamloze vennootschap N.V. HOTEL KURA HULANDA (WESTPUNT),

gevestigd op Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde, appellante in het principaal appel, geïntimeerde in het incidenteel appel, verweerster in cassatie en thans gedaagde na vernietiging en verwijzing in cassatie,

gemachtigde: mr. U. van Bemmelen.

[eiser] wordt hierna [eiser] genoemd, N.V. Hotel Kura Hulanda wordt hierna Kura Hulanda genoemd.

1. Het verdere verloop van de procedure

Naar aanleiding van het in deze zaak door het Hof op 27 januari 2009 gewezen vonnis heeft Kura Hulanda een akte uitlating genomen waarna [eiser] een antwoordakte heeft genomen waarna vonnis is gevraagd. De uitspraak daarvan is bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 In haar akte uitlating heeft Kura Hulanda onder 3 verklaard dat zij een beroep heeft willen doen op art. 7A:1570 BW en zij heeft in haar akte dat beroep ook nader onderbouwd, onder meer door de bij die akte overgelegde producties. In die onderbouwing is zij echter alleen nader ingegaan op het vereiste “geheel en al vergaan” van art. 7A:1570 BW. Uit de processtukken die vóór het Hofvonnis van 27 januari 2009 zijn genomen noch uit de na dit vonnis genomen akte kan met voldoende duidelijkheid worden afgeleid door welk “toeval” het gehuurde zou zijn vergaan. Het op art. 7A:1570 BW gedane beroep wordt dan ook verworpen omdat niet, in elk geval onvoldoende, is gesteld door welk “toeval” het gehuurde is vergaan.

2.2 Het Hof onderschrijft nog steeds het in het vonnis van 15 november 2005 neergelegde en in cassatie niet bestreden oordeel dat in het kader van de te beoordelen overeenkomst de ene partij het genot van een zaak diende te verschaffen waartegenover de andere partij een bepaalde prijs diende te betalen in de zin van art. 7A:1565 BW. Hetgeen Kura Hulanda voor en na cassatie heeft aangevoerd betrekking hebbende op de bewoordingen in het contract als “purchase, buyer, member,” enz. doet niet af aan deze tussen partijen overeengekomen aanwezige criteria. De aanwezigheid van deze criteria brengt met zich dat in elk geval sprake is van een overeenkomst waarop de huurbepalingen van toepassing zijn. De overige verplichtingen die partijen over en weer in het kader van deze overeenkomst ten opzichte van elkaar zijn aangegaan zijn te onbeduidend van aard om teweeg te kunnen brengen dat de huurbepalingen uit het BW niet worden toegepast.

2.3 Bovenstaande brengt met zich dat het Hof het vonnis van het GEA zal bekrachtigen voor zover daarin een verklaring voor recht is gegeven en nader voor recht zal verklaren dat [eiser] jegens Kura Hulanda als huurster moet worden aangemerkt van unit 17 in de weken 11, 12 13, en 14, van unit 14 in de weken 51, 52 en 1 en van unit 21 in de weken 28 en 29 in het voormalige Kadushi Cliffs Resort.

2.4 [eiser] vordert verder veroordeling van Kura Hulanda om haar en haar partner en gasten, steeds gedurende de weken als omschreven in de bedoelde contracten toe te laten tot “Lodge Kura Hulanda & Beach Club” (het voormalige Kadushi Cliffs Resort) en dan steeds het huurgenot te verschaffen van bedoelde accommodatie/vakantieverblijven en bijbehorende faciliteiten (op straffe van een dwangsom). Tegen deze vordering is alleen als verweer aangevoerd dat de units zijn gesplitst. Het Hof leidt hier niet uit af dat nakoming blijvend onmogelijk is, zodat dit deel van de vordering voor toewijzing gereed ligt. Het Hof acht termen aanwezig om de bij dit onderdeel gevorderde dwangsom te matigen

2.5 Het is, met inachtneming van HR 5 december 2008, LJN BF1042, voldoende aannemelijk dat [eiser] schade heeft geleden, zodat de door [eiser] gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure eveneens voor toewijzing gereed ligt.

2.6 Eén en ander betekent dat het hoger beroep van [eiser] slaagt en het incidenteel beroep van Kura Hulanda niet. Al met al wordt het vonnis van het GEA vernietigd, behoudens wat betreft de kostenveroordeling, zal het Hof opnieuw recht doen zoals hieronder vermeld en behoort Kura Hulanda als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden in de proceskosten.

BESLISSING:

Het Hof:

- vernietigt het tussen partijen op 10 januari 2005 door het GEA gewezen vonnis voor zover daarin het meer of anders gevorderde is afgewezen en doet opnieuw recht als volgt:

- verklaart voor recht dat [eiser] jegens Kura Hulanda als huurster moet worden aangemerkt van de accommodatie/vakantieverblijven, die in het Kadushi Cliffs Resort, thans genaamd “Lodge Kura Hulanda & Beach Club”, werden aangeduid als units 17, 21 en 14 gedurende de weken als omschreven in de als productie 1 bij het inleidend verzoekschrift overgelegde contracten;

- veroordeelt Kura Kulanda uitvoerbaar bij voorraad om [eiser], haar partner en gasten, steeds gedurende de weken als omschreven in bedoelde contracten toe te laten tot “Lodge Kura Hulanda & Beach Club” en dan steeds het huurgenot te verschaffen van bedoelde accommodatie/vakantieverblijven en bijbehorende faciliteiten, op straffe van een dwangsom van NAF 1000,- voor iedere dag dat Kura Hulanda daarmee in gebreke is;

- veroordeelt Kura Hulanda uitvoerbaar bij voorraad om aan [eiser] te voldoen schadevergoeding voor het niet kunnen gebruiken van de betreffende units in de eerste, elfde, twaalfde, dertiende, veertiende, achtentwintigste, negenentwintigste, eenenvijftigste en tweeënvijftigste week van elk jaar dat is verstreken of zal verstrijken vanaf de verkrijging van het resort door Kura Hulanda tot het moment waarop door Kura Hulanda wordt nagekomen hetgeen in dit petitum wordt gevorderd voor wat betreft verschaffing van huurgenot, telkens voor iedere week verhoogd met wettelijke rente vanaf de dag volgend op die week tot de dag der algehele voldoening, waarbij de hoogte van deze schadevergoeding nader dient te worden opgemaakt bij staat;

- veroordeelt Kura Hulanda uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het hoger beroep, gerezen aan de zijde van [eiser] en tot op heden in het principaal hoger beroep begroot op NAF 240,38 voor betekeningskosten memorie van antwoord en NAF 5.100,- voor salaris gemachtigde, in het incidenteel hoger beroep begroot op NAF 850,- voor salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.R. Sijmonsma, E.P. van Unen en F.J.P. Lock, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao uitgesproken op 12 mei 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.