Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2009:BI3277

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
21-04-2009
Datum publicatie
08-05-2009
Zaaknummer
AR – 547/07 - H - 504/08
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. AUA heeft een aantal lease contracten gesloten met het Land. Het risico van diefstal of beschadiging van auto’s is volgens het contract voor rekening van het Land. Aan de orde is de door AUA gevorderde wettelijke rente die door het GEA is toegewezen tot 10 mei. Beroep van Land op zijn eigen algemene voorwaarden gaat niet op. Nergens blijkt dat AUA die voorwaarden heeft aanvaard. Zij zijn ook geen deel uit gaan maken van de overeenkomst doordat aan de algemene voorwaarden ruime bekendheid is gegeven. Betoog van het Land dat zij niet kan worden gehouden aan de regels die te dezer zake van toepassing zijn tussen private personen of instellingen wordt verworpen. Volgens het Hof is er geen reden waarom voor de overheid, indien zij een zakelijke transactie zoals het huren van auto' aangaat, afwijkende regels moeten worden toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienr. AR – 547/07 - H - 504/08

Uitspraak 21 april 2009

HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Vonnis in de zaak van

de rechtspersoon naar publiek recht HET LAND ARUBA,

zetelend in Aruba,

appellante,

gemachtigde: A. Lumenier,

tegen

de naamloze vennootschap AUTO UNIE ARUBA N.V,

gevestigd in Aruba,

geïntimeerde,

gemachtigde mr. A.J. Swaen.

De partijen worden hierna ook aangeduid als het Land en AUA

1. Het verloop van de procedure

Het Land is bij akte van appèl, ingediend op 16 april 2008, in hoger beroep gekomen van het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, gewezen op 5 maart 2008 tussen haar als gedaagde en AUA als eiseres.

Partijen hebben een memorie van grieven en een memorie van antwoord ingediend. Het Land heeft haar zaak op 24 maart 2009 schriftelijk doen bepleiten door haar gemachtigde;AUA heeft daarvan afgezien. Tenslotte hebben partijen vonnis gevraagd, dat is bepaald op heden.

2. Feiten

2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende bestreden, dan wel uit de niet weersproken inhoud van overgelegde stukken, staan de navolgende feiten tussen partijen vast.

2.2 AUA heeft een aantal lease contracten gesloten met het Land voor het gebruik van auto’s ten behoeve van het Land. Volgens die contracten was het risico van diefstal of beschadiging van die auto’s voor rekening van het Land.

2.3 Op 17 augustus 2006 heeft het Land twee van die auto’s in beschadigde en “gestripte” staat bij AUA doen afleveren. AUA heeft daarop op 29 september 2006 het Land aangeschreven met de mededeling, voor zover thans nog van belang, dat het Land aan haar een bedrag van Afl. 37.047,99 was verschuldigd. Met twee (gelijkluidende, behalve voor wat betreft de identificatie van de auto’s) brieven van 31 oktober 2006 van de gemachtigde van AUA werd het Land gesommeerd het verschuldigde bedrag, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, uiterlijk op 7 november 2006 te voldoen, met aanzegging dat bij gebreke daarvan de onderhavige procedure zou worden geëntameerd en tevens dat AUA met ingang van 8 november 2006 aanspraak maakt op de wettelijke rente.

2.4 Het Land heeft het bovengenoemde bedrag van Afl. 37.047,99 aan AUA betaald, naar het Land stelt op 9 mei 2007, terwijl AUA stelt die betaling op 11 mei 2007 te hebben ontvangen.

3. Beoordeling

3.1 In deze zaak is alleen nog aan de orde de door AUA gevorderde wettelijke rente, die door het GEA is toegewezen over de periode van 8 november 2006 tot 10 mei 2007. In de eerste aanleg had AUA ook buitengerechtelijke incassokosten gevorderd, welke vordering door het GEA is afgewezen; tegen die beslissing heeft AUA niet geappelleerd.

3.2 Het Land voert tegen het bestreden vonnis één grief aan, die erover klaagt dat het GEA voorbij is gegaan aan zijn stellingen aangaande de door hem gehanteerde algemene voorwaarden voor de levering van goederen en diensten aan het Land Aruba, waarin onder meer is bepaald dat facturen aan het Land niet eerder dan 90 dagen na de factuurdatum worden betaald. Ook maakt het Land bezwaar tegen de door het GEA gekozen einddatum van de periode waarover rente is verschuldigd, 10 mei 2007, in plaats van 9 mei 2007.

3.3 Met het GEA is het hof van oordeel dat het beroep van het Land op zijn algemene voorwaarden niet opgaat. Het Land heeft niets gesteld waaruit zou kunnen blijken dat AUA die voorwaarden heeft aanvaard. Het heeft in tegendeel de zakelijke relatie met AUA beëindigd omdat laatstgenoemde met die voorwaarden niet akkoord wenste te gaan. De omstandigheid dat, naar het Land stelt, aan de algemene voorwaarden ruime bekendheid is gegeven en dat zij ter griffie van het GEA zijn gedeponeerd, maakt dat niet anders; daardoor zijn zij immers geen deel uit gaan maken van de tussen partijen gesloten overeenkomst.

Ook het betoog van het Land inhoudende, samengevat, dat het niet kan worden gehouden aan de regels die te dezer zake van toepassing zijn tussen private personen of instellingen, omdat het Land hoge eisen moet stellen aan de controle op zijn uitgaande betalingen, waarmee meer tijd is gemoeid dan het geval is in het zakelijke verkeer tussen private partijen, moet worden verworpen. Voor dat standpunt bestaat in het geldende recht geen grondslag; er is geen reden waarom voor de overheid, indien zij een zakelijke transactie aangaat zoals in dit geval het huren van auto’s, afwijkende regels moeten worden toegepast.

3.4 Aangaande de datum waarop de betaling van de hoofdsom geacht moet worden door AUA te zijn ontvangen ligt het gelijk naar het oordeel van het hof aan de zijde van het Land. Ook al is het niet ondenkbaar dat AUA het onnodig vond in discussie te treden over de vraag of zij die betaling op 9 of 11 mei 2007 had ontvangen, hetgeen voor de wettelijke rente een verschil maakt van ongeveer Afl. 14,-, rustte de bewijslast op dit punt op haar, waaraan zij had kunnen voldoen door een bankafschrift over te leggen.

4. Slotsom

De grief moet worden verworpen, behoudens hetgeen in 3.4 is overwogen, waarmee het hof rekening zal houden. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien juist bevonden, tot een ander oordeel kunnen leiden. Het hof heeft ook ambtshalve geen bezwaar tegen het bestreden vonnis. Het Land zal als de voor het merendeel in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld.

5. Beslissing

Het hof

- bevestigt het bestreden vonnis, behoudens dat in het dictum daarvan in plaats van 10 mei 2007 moet worden gelezen 9 mei 2007;

- veroordeelt het Land in de kosten van het hoger beroep, voor zover tot op heden aan de zijde van AUA gevallen begroot op Afl. 203,- aan verschotten en Afl. 500.- aan salaris van de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, E.P. van Unen en W.P. Scheltema, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en uitgesproken ter openbare zitting van het hof te Aruba op 21 april 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.