Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2009:BH9533

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
10-02-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
AR 1033/05 – H. 326/08
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na scheiding wil vrouw dat het Hof een perceel mede zal betrekken in de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Het Hof stemt in met het oordeel van het GEA dat niet is komen vast te staan dat een zakelijk recht ter zake van dit perceel tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoorde. Beroep van de vrouw op verkrijgende verjaring faalt. Op basis van de gegevens kan niet worden vastgesteld dat het echtpaar voor de scheiding bezitters waren van het perceel, hetgeen voorwaarde is voor verkrijging door verjaring. Hierbij is van belang dat wanneer men heeft aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor een ander te houden, men daarmee onder dezelfde titel voortgaat, zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling van degene voor wie men houdt, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van dienst recht. Het enkele op enig moment niet langer betalen van huur is onvoldoende grond om van houder bezitter te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienrs. AR 1033/05 – H. 326/08

Uitspraak: 10 februari 2009

VONNIS GEWEZEN DOOR HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

in de zaak van:

[vrouw],

wonend op Curaçao,

hierna te noemen: de vrouw,

oorspronkelijk eiseres, thans appellante,

gemachtigde: mr. J. Oedjaghir,

tegen

[man],

wonend op Curaçao,

hierna te noemen: de man,

oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde,

in hoger beroep niet verschenen.

Het verloop van de procedure

1.1. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, (GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in de zaak met AR nummer 1033 van 2005 gewezen en op 9 januari 2006, 27 november 2006, 23 april 2007, 8 oktober 2007 en 28 januari 2008 uitgesproken tussenvonnissen en het op 12 mei 2008 uitgesproken eindvonnis. De inhoud van die vonnissen geldt als hier ingevoegd.

1.2. De vrouw is bij akte van appel, ingekomen op 16 juni 2008, in hoger beroep gekomen van voornoemd eindvonnis. In een afzonderlijke memorie, ingekomen op 25 juli 2008, heeft zij een grief voorgedragen en toegelicht en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het perceel [adres] mede zal betrekken in de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.

1.3. De vrouw heeft een bewijs van onvermogen overgelegd, waaruit het Hof afleidt dat zij tevens verlof vraagt in hoger beroep kosteloos te mogen procederen.

1.4. De man is in hoger beroep niet verschenen.

1.5. De vrouw heeft om vonnis gevraagd waarvan de uitspraak nader is bepaald op heden.

2. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar de memorie van grieven.

3. De feiten

In het tussenvonnis van 27 november 2006, onder 3.1, heeft het GEA feiten vastgesteld. De juistheid van die vaststelling is niet in geschil zodat ook het Hof daarvan uitgaat.

4. Beoordeling

4.1. Het GEA heeft geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat het perceel [adres] of een aandeel daarin tot de te verdelen ontbonden huwelijksgemeenschap behoort. Dientengevolge heeft het GEA de vordering van de vrouw tot verdeling voorzover op dat perceel betrekking hebbende afgewezen. Hiertegen richt zich het hoger beroep van de vrouw.

4.2. Op 24 april 1996 is de echtscheidingsuitspraak ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Daardoor is de huwelijksgemeenschap ontbonden. Beslissend is derhalve of op 24 april 1996 het perceel [adres] of een aandeel daarin behoorde tot de (ontbonden) huwelijksgemeenschap. Het Hof stemt in met het oordeel van het GEA dat niet is komen vast te staan dat een zakelijk recht ter zake van dit perceel tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoorde.

4.3. Blijkens door de vrouw ingewonnen inlichtingen bij de dienst kadaster en openbare register (akte overlegging stukken van 31 maart 2008) maakt [adres] deel uit van grond die op naam staat van ‘[J.B. M.] kind in echt verwerkt bij [R.] grootte 12 HA akte 31-12-1863’. Volgens de vrouw – die zich op verkrijgende verjaring beroept – zijn de erfgenamen van [eigenaar] onbekend en hebben de familie [M.] (de familie van de man) en naburige bewoners (waaronder ‘[familie 2]’ en ‘[familie 3]’) al jaren geen huur betaald. In de memorie van grieven stelt de vrouw echter dat tijdens haar huwelijk onder meer de huurlasten door partijen werden gedragen. In een verklaring van de vrouw, als bijlage gevoegd bij haar inleidend verzoekschrift stelt zij: ‘Huur van Westpunt nr. 9a wordt door de heer [man] zelf jaarlijk betaald’; zie ook haar antwoord conclusie na comparitie van 21 augustus 2006. Op basis van deze gegevens kan niet worden vastgesteld dat de familie [van de man] c.q. de vader [van de man] c.q. het echtpaar [echtpaar] bezitter was van [adres], hetgeen een der voorwaarden is voor verkrijging door verjaring. Hierbij is van belang dat wanneer men heeft aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor een ander te houden, men daarmee onder dezelfde titel voortgaat, zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling van degene voor wie men houdt, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van diens recht (artikel 3:111 BW). Het enkele op enig moment niet langer betalen van huur is onvoldoende grond om van houder bezitter te worden.

4.4. Resteert de vraag of aan de gebruikspositie met betrekking tot [adres] een geldelijke waarde moet worden toegekend die in de ontbonden huwelijksgemeenschap valt en moet worden verdeeld. Vaststaat dat het gaat om particuliere huurgrond. Aannemelijk is voorts dat eigenaar zijn de erfgenamen van [J.B. M.], al is kennelijk niet uitgezocht wie dat zijn. Of voldaan is aan de voorwaarden voor een eventuele toepassing van de regeling inzake langdurig onverdeeld gebleven gemeenschappen, bestaande uit een onroerende zaak (artikel 3:200a e.v. BW; P.B. 2007, no. 7) is onbekend. Niet bestreden is dat de vader van de man huurder was en na diens overlijden diens kinderen, waaronder de man. De taxateur maakte in zijn rapport geen onderscheid tussen verhuurde domeingrond en verhuurde particuliere grond, maar dit acht het Hof niet juist. Indien de grondeigenaar de grond voor eigen gebruik nodig heeft kan hij met toestemming van de huurcommissie de huur opzeggen; aangenomen dat dit ook geldt als de overheid grondverhuurder is, is daarop – naar van algemene bekendheid is – minder kans. Of de huurder die lang geen huur betaald heeft – ook al verjaren de huurtermijnen na vijf jaren – aanspraak heeft op vergoeding voor de opstallen is onzeker. Niet staat vast hoeveel gelden vanuit de huwelijksgemeenschap besteed zijn aan bouw c.q. verbouwing. Niet staat vast of de man ooit een vergoeding van zijn vader of de nalatenschap van zijn vader heeft of zal ontvangen.

4.5. Gelet op al deze onzekerheden en in aanmerking genomen dat een huurrecht als regel niet kan leiden tot een vorderingsrecht van een voormalige echtgenoot wegens overbedeling (HR 14 december 2007, NJ 2008, 122), ziet het Hof onvoldoende reden de gebruikspositie ten aanzien van [adres] een geldelijke waarde toe te kennen en in de verdeling te betrekken en volgt het ook in zoverre het oordeel van het GEA.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis moet worden bevestigd. Gelet op de hoedanigheid van partijen en de aard van de procedure worden de kosten gecompenseerd.

5. Beslissing

Het Hof:

- verleent aan de vrouw toestemming kosteloos te procederen,

- bevestigt het bestreden vonnis;

- compenseert de kosten van deze procedure in hoger beroep aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, J.R. Sijmonsma en H.L. Wattel, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2009 op Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.