Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2009:BH9444

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
07-04-2009
Zaaknummer
EJ 4099/07 - H-226/08
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft aangevoerd dat tussen hem en geïntimeerde een overeenkomst bestaat waarbij partijen hebben afgesproken dat hij een minderheidsbelang zal hebben in het te ontwikkelen timeshareproject. Hij wil d.m.v. het horen van getuigen bevestigd krijgen dat het overeengekomen meerderheidsbelang van 51% en het minderheidsbelang 49% is. Doel daarvan is aan te tonen dat geïntimeerden wanprestatie hebben gepleegd door hem slechts 10% van de netto verkoopopbrengst te betalen. Hof wijst verzoek toe omdat niet kan worden gesteld dat appellant geen belang heeft of dat verzoek in strijd is met een goede procesorde en zijn stellingen niet bij voorbaat als onjuist of hoogst onaannemelijk terzijde kunnen worden gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK: 24 maart 2009

ZAAKNRS: EJ 4099/07 - H-226/08

HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE

NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Beschikking in de zaak van:

[appellant],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk verzoeker, thans appellant,

gemachtigde: mr. A.J. Swaen,

tegen

1. [C.],

wonende in Venezuela,

2. de vennootschap naar vreemd recht

CALEDONIA INTERNATIONAL PROPERTIES INC,

gevestigd in Tortola, British Virgin Islands,

oorspronkelijk verweerders, thans geïntimeerden,

gemachtigde: mr. Q.D.A. Carrega.

Partijen worden hierna aangeduid als [appellant], [C.] en Caledonia International.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: GEA), wordt verwezen naar de tussen partijen gewezen beschikking van 19 juni 2008. De inhoud van deze beschikking geldt als hier ingevoegd.

1.2. [appellant] is in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking door indiening op 26 juni 2008 van een daartoe strekkend beroepschrift ter griffie van het GEA. Hij heeft een aantal bezwaren geformuleerd en toegelicht en geconcludeerd dat het Hof de beschikking waarvan beroep zal vernietigen en zijn verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [C.] en Caledonia International in de kosten van beide instanties.

1.3. [C.] en Caledonia International hebben een verweerschrift ingediend, waarin zij de bezwaren hebben bestreden en hebben geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden beschikking, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

1.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 november 2008. De gemachtigden van partijen hebben, onder overlegging van pleitnotities, de zaak bepleit.

Zij hebben een beschikking gevraagd, waarvan de uitspraak nader is bepaald op heden.

2. Ontvankelijkheid

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellant] daarin kan worden ontvangen.

3. Beoordeling

3.1. [appellant] heeft aangevoerd dat tussen hem en [C.] een overeenkomst bestaat, waarbij partijen hebben afgesproken dat [C.] een meerderheidsbelang en [appellant] een minderheidsbelang zullen hebben in het te ontwikkelen timeshareproject op de aangrenzende percelen naast het huidige Westin Hotel. Hij beroept zich daarbij op een brief, die partijen op 12 mei 2005 hebben ondertekend, waarin dit is vastgelegd. Hij wil door middel van het horen van getuigen in het kader van een voorlopig getuigenverhoor bevestigd krijgen dat het overeengekomen meerderheidsbelang 51% en het minderheidsbelang 49% is. Doel daarvan is aan te tonen dat [C.] en/of Caledonia International (een door [C.] beheerste vennootschap, waaraan [appellant] zijn aandelen in Caledonia Properties N.V. heeft overgedragen, waarin het project was ondergebracht) wanprestatie hebben gepleegd door hem slechts 10% van de netto verkoopopbrengst te betalen. Het GEA heeft het verzoek afgewezen wegens gebrek aan belang omdat de rechtspositie van [appellant] te zwak is om het verzoek toe te staan. Hiertegen is het hoger beroep gericht.

3.2. Bij de beoordeling stelt het Hof voorop dat, gelet op de inhoud van het verzoekschrift en de daarop gegeven toelichting in eerste aanleg en in hoger beroep, voldoende duidelijk is over welk feitelijk gebeuren [appellant] getuigen wil horen. Ook overigens is aan de eisen van artikel 167 lid 3 Rv voldaan. Het verweer van [C.] en Caledonia International dat [appellant] heeft verzuimd aan te geven welke feiten hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en waarover hij getuigen wil horen, wordt daarmee gepasseerd.

3.3. Voorop staat verder dat een voorlopig getuigenverhoor in een geval als het onderhavige ertoe strekt de verzoeker de gelegenheid te bieden opheldering te verkrijgen omtrent de voor een eventueel geding van belang zijnde feiten, zulks teneinde hem in staat te stellen zijn positie beter te beoordelen (vgl. HR 6 juni 2008, NJ 2008, 323). Dat de drie door [appellant] opgegeven getuigen in Aruba wonen en in goede gezondheid zijn, zodat zij zo nodig ook in een later stadium, in het kader van een door [appellant] aanhangig te maken hoofdprocedure, zouden kunnen worden gehoord, betekent dan ook niet dat [appellant] geen belang heeft bij het verzochte voorlopig getuigenverhoor. Dat het GEA in Aruba mogelijkerwijs niet bevoegd zal zijn om van de hoofdzaak kennis te nemen, nu [C.] en Caledonia International geen ingezetenen van Aruba zijn, en onzeker is of de af te leggen getuigenverklaringen als bewijs zullen kunnen dienen in een procedure voor de bevoegde rechter, maakt ook nog niet dat [appellant] belang bij het verzoek ontbeert of dat zijn verzoek in strijd is met een goede procesorde.

3.4. Inhoudelijk stellen [C.] en Caledonia International zich op het standpunt dat met de door hen overgelegde documenten het ondubbelzinnige bewijs is geleverd dat [appellant] geen enkele vordering op hen heeft. Zij menen daarom dat enig belang bij het verzochte voorlopig getuigenverhoor ontbreekt. Zij benadrukken daarbij allereerst dat [C.] in mei 2005 slechts heeft besloten aan [appellant] een minderheidsbelang in het timeshareproject toe te kennen, waarbij hij de hoogte van dat belang nog moest vaststellen. Zij betogen dat uit de stukken duidelijk blijkt dat [C.] daarna een belang aan [appellant] heeft toegekend gelijk aan 10% van het totale project (waaronder begrepen de aandelenverkoop met betrekking tot de Caledonia vennootschappen) en dat [appellant] daarmee heeft ingestemd. Zij beroepen zich op een brief van [C.] d.d. 6 februari 2006 waarin hij zijn beslissing hierover aan [appellant] kenbaar heeft gemaakt, brieven van [appellant] d.d. 6 februari 2006 en 30 april 2006 waarin hij te kennen geeft dat hij de eindbeslissing van [C.] zal respecteren, en een door [appellant] mede ondertekend Indemnity document waaruit volgens hen blijkt dat [appellant] 10% van het totale project heeft gekregen. Zij stellen zich daarom op het standpunt dat de feiten die [appellant] wil bewijzen al lang achterhaald zijn en dus niet meer voor de beoordeling van enige vordering van belang kunnen zijn.

3.5. [appellant] voert hiertegenover aan dat de documenten waarop [C.] en Caledonia International zich beroepen in hoofdzaak door fiscaalrechtelijke motieven zijn ingegeven en dat hun bewering dat hij de beslissing over zijn deelname in het timeshareproject aan [C.] zou overlaten berust op een verkeerde lezing van de aangehaalde correspondentie. Wat dit laatste betreft, wijst hij op de samenhang van de genoemde brieven met een reeks andere brieven die partijen over en weer over dit onderwerp hebben geschreven en op het feit dat het hier geen “legal letters” betreft, maar persoonlijke correspondentie tussen twee boezemvrienden die elkaar onvoorwaardelijk vertrouwden. Verder wijst hij erop dat Schedule A van het Indemnity document, waarop [C.] en Caledonia International zich beroepen, zijn 10% deelname in Aruba Hotel Enterprises N.V. betreft en niet zijn deelname in het gehele project.

3.6. Welke betekenis aan de overeenkomst van 12 mei 2005 en de daarop gevolgde correspondentie en andere documenten moet worden toegekend, zal mede aan de hand van alle relevante omstandigheden moeten worden vastgesteld. De stellingen van [appellant] hierover kunnen niet bij voorbaat als onjuist of hoogst onaannemelijk terzijde worden gesteld. Voor een nadere beoordeling is in het kader van deze procedure geen plaats. Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat de materieelrechtelijke positie van [appellant] zo zwak is dat hij geen belang heeft bij het onderhavige verzoek.

3.7. Het vorenstaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd en dat het verzoek alsnog zal worden toegewezen. [C.] en Caledonia International zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, de kosten van beide instanties dienen te dragen.

BESLISSING:

Het Hof:

vernietigt de bestreden beschikking, en opnieuw rechtdoende:

staat het verzoek van [appellant] toe;

bepaalt dat het GEA plaats, dag en uur, waarop het voorlopig getuigenverhoor zal plaatsvinden, zal bepalen en dat het GEA partijen onverwijld zal oproepen door een aangetekende dienstbrief van de griffier;

veroordeelt [C.] en Caledonia International in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van [appellant] gevallen en begroot deze kosten tot op heden in eerste aanleg op NAF 450,- aan griffierecht en NAF 1.500,- aan gemachtigdensalaris en in hoger beroep op NAF 900,- aan griffierecht en NAF 3.400,- aan gemachtigdensalaris.

Deze beschikking is gewezen door mrs. Wattel, De Kerpel-van de Poel en Lock, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 24 maart 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.