Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2009:BH3053

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
20-01-2009
Datum publicatie
16-02-2009
Zaaknummer
EJ 2129/06; H-225/08
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betreft geschil over ontslag op staande voet. Uit de verklaringen volgt volgens het Hof dat in rechte is komen vast te staan dat de werkneemster een bedreiging in de richting van de manager heeft geuit, dat zij grove scheldwoorden heeft gebruikt en dat zij haar vriend heeft aangezet de manager te mishandelen. Werkgeefster is dan ook geslaagd in de bewijsopdracht. De gedragingen van werkneemster leveren een dringende reden op als bedoeld in art. 1615p lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Alg. Reg. No: EJ 2129/06; H-225/08

Uitspraak: 20 januari 2009

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Beschikking

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

Seaport Casino N.V.,

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk verweerster, thans appellante,

gemachtigde: mr. M.E.D. Brown,

tegen

[werkneemster],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk verzoekster, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. D.L. Emerenciana.

Partijen worden hierna werkgeefster respectievelijk werkneemster genoemd.

1. Het verloop van de procedure

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba, hierna te noemen: het gerecht, wordt verwezen naar de tussen partijen onder EJ nummer 2129 van 2006 gegeven en op 28 februari 2008 uitgesproken beschikking, alsmede naar de daaraan voorafgaande tussenbeschikking van 14 december 2006. De inhoud van die beschikkingen geldt als hier ingevoegd. Werkgeefster is op 9 april 2008 in hoger beroep gekomen van genoemde beschikking door indiening van een daartoe strekkend beroepschrift (met producties) ter griffie van het gerecht. Zij heeft daarbij een aantal bezwaren tegen de bestreden beschikking geformuleerd en toegelicht. Werkneemster heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een verweerschrift in te dienen. De zaak is behandeld op 27 oktober 2008 en is voortgezet op 17 december 2008. Tijdens de voortzetting heeft de gemachtigde van werkgeefster notities overgelegd en heeft mr. J. de Boer, lid van het Hof, in bijzijn van een aantal werknemers en de gemachtigde van werkgeefster - de gemachtigde van werkneemster, hoewel op de hoogte van de zitting, is niet verschenen - een videoband bekeken, welke zich bij de stukken bevindt. Beschikking is bepaald op heden.

2. Het geschil en het verzoek in hoger beroep

2.1. Werkneemster is op 20 december 1994 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden van werkgeefster. Laatstelijk was zij als “dealer” in het casino werkzaam tegen een bruto maandsalaris van Afl. 2.523,39. Op 7 maart 2006 is werkneemster door haar “shift manager” [shift manager], hierna te noemen: [shift manager], twee dagen geschorst zonder behoud van salaris. Op 8 maart 2006 heeft de toenmalige vriend van werkneemster in de avonduren in het restaurant Oriental aan [shift manager] vuistslagen toegediend. Op 10 maart 2006 is werkneemster op non-actief gesteld in verband met een door werkgeefster in te stellen onderzoek naar dit incident. Werkneemster is op 13 maart 2006 op staande voet ontslagen. Blijkens de ontslagbrief heeft werkgeefster aan het ontslag ten grondslag gelegd - samengevat en zakelijk weergegeven - dat werkneemster, nadat zij zich op 7 maart 2006 in het casino had misdragen en om die reden door [shift manager] voor twee dagen werd geschorst, zich bleef misdragen waarbij zij onder meer in de “dealer room” in zeer grove bewoordingen heeft aangekondigd dat zij er voor zou zorgen dat [shift manager] er van langs zou krijgen of woorden van gelijke strekking en dat zij op 8 maart 2006 haar vriend heeft aangezet tot het mishandelen van [shift manager].

2.2. Werkneemster is van mening dat zij werkgeefster geen dringende reden heeft gegeven, die het ontslag op staande voet kan dragen. In het inleidende verzoekschrift heeft zij gesteld dat het ontslag om die reden kennelijk onredelijk is. Zij heeft - voor zover in hoger beroep van belang - het gerecht verzocht voor recht te verklaren dat dit laatste het geval is en voorts werkgeefster te veroordelen aan haar een schadevergoeding naar billijkheid te betalen ten bedrage van Afl. 41.635,94, althans een bedrag dat het gerecht in goede justitie billijk voorkomt. Werkneemster heeft ook de wettelijke schadeloosstelling gevorderd, alsmede de wettelijke rente vanaf 13 maart 2006 dan wel vanaf de dag der indiening van het verzoekschrift.

2.3. Bij de bestreden beschikking heeft het gerecht voor recht verklaard dat het ontslag kennelijk onredelijk is en heeft het, uitvoerbaar bij voorraad, ten laste van werkgeefster aan werkneemster een vergoeding naar billijkheid toegekend van Afl. 35.000,00. Voorts is, eveneens uitvoerbaar bij voorraad, de verzochte wettelijke schadeloosstelling van Afl. 2.523,39 toegewezen. Werkgeefster is veroordeeld in de kosten van de procedure.

2.4. Het hoger beroep richt zich tegen die veroordelingen. De conclusie van werkgeefster strekt ertoe dat de bestreden beschikking wordt vernietigd en het verzoek van werkneemster wordt afgewezen met veroordeling van werkneemster in de kosten van de procedure in beide instanties.

3. De beoordeling

3.1. In zijn tussenbeschikking van 14 december 2006 heeft het gerecht werkgeefster toegelaten te bewijzen dat werkneemster op 7 maart 2006 na de schorsing door haar manager [shift manager] in de “dealerroom” in zeer grove bewoordingen (“e biaha aki [shift manager] lo bai wak kiko lo pasa cu ne, lo mi laga nan kibra su coño p’e unda cu nan haye”) heeft aangekondigd dat zij ervoor zou zorgen dat [shift manager] er van langs zou krijgen of woorden van gelijke strekking en/of op 8 maart 2006 haar vriend heeft aangezet tot mishandeling van [shift manager]. In de eindbeschikking heeft het gerecht geoordeeld dat werkgeefster in het leveren van dat bewijs niet is geslaagd. Het eerste bezwaar richt zich tegen dat oordeel. Op grond van het navolgende is dat bezwaar terecht opgeworpen.

3.2. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij werkneemster op de bewuste dag heeft horen zeggen “E lo busca hende pa manda [shiftmanager] den coño” (vrij vertaald: Hij zal iemand zoeken om [shiftmanager], de klootzak, een lesje te leren; het Hof). Deze woorden komen er naar het oordeel van het Hof op neer dat werkneemster volgens deze getuige gezegd heeft dat zij er voor zal zorgen dat [shift manager] ervan langs zou krijgen.

3.3. Getuige [getuige 2] heeft gezegd dat hij zich op de bewuste avond bij het Oriental restaurant bevond en dat hij op een gegeven moment een auto zag parkeren, waaruit werkneemster en twee mannen stapten. Volgens de getuige liepen deze personen naar de deur van het restaurant en keken zij naar binnen. Een van de mannen heeft toen tegen werkneemster gezegd “E ta p’aden” (vrij vertaald: hij is binnen; het Hof), aldus de getuige.

3.4. De verklaring van getuige [getuige 3] houdt samengevat in dat hij op de betreffende avond in restaurant Oriental naast [shift manager] aan de bar zat, op een gegeven moment twee mannen binnenkwamen die op hen afliepen en een van de mannen [shift manager] - na hem twee maal met open hand hard op de rug te hebben geslagen - vuistslagen in het gezicht en op het lichaam heeft gegeven.

3.5. Ook getuige [getuige 4] bevond zich naar zijn zeggen op de bewuste avond in het Oriental restaurant. Hij heeft verklaard dat er twee mannen binnenkwamen en dat een van die mannen [shift manager] vuistslagen heeft gegeven. De getuige heeft voorts verklaard dat hij werkneemster bij de deur van het restaurant zag staan.

3.6. Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij samen met werkneemster en haar vriend op de bewuste avond naar het Oriental restaurant is gereden en dat hij samen met die vriend het restaurant is binnengegaan, waarna er een vechtpartij ontstond tussen [shift manager] en de vriend van werkneemster.

3.7. Uit de hierboven genoemde verklaringen, in onderlinge samenhang en verband bezien, volgt naar het oordeel van het Hof dat in rechte is komen vast te staan dat werkneemster een bedreiging in de richting van [shift manager] heeft geuit, dat zij daarbij het grove scheldwoord “conjo” heeft gebruikt en dat zij haar vriend heeft aangezet [shift manager] te mishandelen. Werkgeefster is dan ook geslaagd in de aan haar door het gerecht gegeven bewijsopdracht. De omstandigheid dat niet bewezen is dat werkneemster de bedreiging in de dealerroom heeft geuit maakt, anders dan werkneemster blijkbaar meent, dat niet anders nu dit geen essentieel onderdeel van de bewijsopdracht uitmaakt.

3.8. De gedragingen van werkneemster levert een dringende reden op als bedoeld in artikel 1615p lid 1 BW. De gedragingen hadden immers tot gevolg dat van werkgeefster redelijkerwijs niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De lange duur van het dienstverband, het (mogelijk) financieel nadelig gevolg van het ontslag voor werkneemster en haar persoonlijke omstandigheden nopen niet tot een ander oordeel. Aangezien werkgeefster een dringende reden had en ook overigens is voldaan aan de vereisten voor een (geldig) ontslag op staande voet, kan het ontslag niet als kennelijk onredelijk worden aangemerkt (zie HR 12 februari 1999, NJ 1999, 643). Gelet op deze uitkomst behoeven de overige bezwaren van werkgeefster geen bespreking.

3.9. De slotsom is dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd en het verzoek van werkneemster zal worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij, zal werkneemster de kosten van de procedure in beide instanties dienen te dragen.

4. De beslissing

Het Hof:

Vernietigt de bestreden beschikking;

Wijst het verzoek van werkneemster af;

Veroordeelt werkneemster in de kosten van de procedure in beide instanties gevallen aan de zijde van werkgeefster en tot op heden in eerste aanleg begroot op Afl. 4.500,00 als gemachtigdensalaris en in hoger beroep op Afl. 5.100,-- wegens gemachtigdensalaris en Afl. 100,00 wegens verschotten.

Aldus gegeven door mr. J. de Boer, mr. G.E.M. Polkamp en mr. E.P van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, en op 20 januari 2009 ter openbare terechtzitting in Aruba uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.