Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2008:BG4456

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
31-10-2008
Datum publicatie
17-11-2008
Zaaknummer
AR 4/04-H-16/08
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betreft overeenkomst voor uitbreiding laagspanningsdistributiesysteem. De vraag is of Gebe op basis van de overeenkomst gehouden is de aanlegkosten van de laagspanningsinstallatie te retourneren, wegens de hoeveelheid elektriciteit die is gebruikt, de overeenkomst. spreekt uitdrukkelijk van meer dan 20% van de aanlegkosten gedurende 5 jaar. Het Gea heeft dit afgewezen omdat de eerste jaren dit percentage niet is behaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK: 31 oktober 2008

ZAAKNR.: AR 4/04-H-16/08

HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE

NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Vonnis in de zaak van:

de naamloze vennootschap

SINT JOHN’S ESTATE N.V.,

gevestigd op Sint Maarten,

voorheen eiseres,

thans appellante in het principaal appel, geïntimeerde in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. J.G. Snow,

tegen

de naamloze vennootschap

N.V. GEMEENSCHAPPELIJK ELEKTRICITEITSBEDRIJF BOVENWINDSE EILANDEN,

gevestigd op Sint Maarten,

voorheen gedaagde,

thans geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. M.O. Kortenoever.

Partijen worden hierna Sint John’s Estate en Gebe genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten (verder: GEA), wordt verwezen naar het tussen partijen in deze zaak gewezen eindvonnis van 16 januari 2007 en het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 24 mei 2005. De inhoud van die vonnissen geldt als hier ingevoegd.

1.2 Sint John’s Estate is in hoger beroep gekomen van gemelde vonnissen door indiening op 19 februari 2007 van een daartoe strekkende akte ter griffie van het GEA. Bij op

30 maart 2007 ingediende memorie van grieven heeft Sint John’s Estate twee grieven aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en haar vordering alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Gebe in de kosten van beide instanties.

1.3 Gebe heeft een memorie van antwoord in principaal appel, tevens inhoudende incidenteel appel genomen. Daarin heeft zij de grieven van Sint John’s Estate bestreden en in het incidenteel appel ook twee grieven aangevoerd en toegelicht tegen het tussenvonnis van 24 mei 2005. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof de vordering van Sint John’s Estate zal afwijzen, met veroordeling van Sint John’s Estate in de kosten van beide instanties.

1.4 Sint John’s Estate heeft bij memorie van antwoord in het incidenteel appel de grieven van Gebe in het incidenteel appel bestreden. Haar conclusie strekt ertoe het incidenteel appel af te wijzen, met veroordeling van Gebe in de kosten.

1.5 Op de daarvoor bepaalde dag hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities overgelegd. Vervolgens is vonnis gevraagd, waarvan de uitspraak nader is bepaald op heden.

2. Ontvankelijkheid

Sint John’s Estate enerzijds en Gebe anderzijds zijn tijdig en op de juiste wijze in beroep gekomen van de door hen bestreden vonnissen, zodat zij daarin kunnen worden ontvangen.

3. Grieven

Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de respectieve memories van grieven.

4. Beoordeling in het principaal en incidenteel appel

4.1 Op 10 maart 1994 heeft Gebe aan Pream Consultants N.V. (hierna Pream te noemen) een offerte gezonden voor de (noodzakelijke) uitbreiding van het hoogspannings- en laagspanningsdistributiesysteem voor het project op Sint John’s Estate. Deze offerte is op 9 mei 1994 door Pream en Sint John’s Estate voor akkoord getekend. Ten aanzien van de uitbreiding van het laagspanningsdistributiesysteem is aldus het volgende overeengekomen:

“The cost of the extension of the low voltage distribution system amounts to Naf. 155.695,65. (…)

According to article 4 of our concession Landsbesluit A.S., no 10539 dated November 29, 1960, no. 6, the above amount has to be paid by you to us.

Furthermore, according to the same article, in the event you have paid in respect of this connection each year during a period of five consecutive years as from the completion of said extension, an amount for electricity consumption, equal to or in excess of 20% of the total amount paid by you for the abovementioned extension, we shall restitute to you this total amount at the end of this period.”

In het 1e lid van artikel 4 van de concessie van Gebe waarnaar in de aangehaalde overeenkomst verwezen wordt is – samengevat weergegeven – bepaald dat wanneer een benodigde elektriciteitsaansluiting meer dan 30 meter verwijderd is van de bestaande laagspanningsinstallaties, de aanvrager het recht op levering van elektriciteit kan verwerven door betaling van een vergoeding gelijk aan de meerdere aansluitingskosten.

Het 4e lid van artikel 4 van de concessie luidt:

“Indien de bruto-inkomsten uit het jaarlijkse electriciteitsverbruik van de aangesloten verbruiker in een aaneengesloten periode van vijf jaren volgend op de totstandkoming van de aansluiting meer bedragen dan 20% van de door hem betaalde meerdere kosten als bedoeld in lid 1 van dit artikel, zal de concessiehoudster overgaan tot restitutie van de door deze verbruiker betaalde meerdere kosten (…)”.

4.2 Partijen twisten over de vraag of Gebe op basis van voormelde overeenkomst (hierna de overeenkomst te noemen) gehouden is de aanlegkosten van de laagspanningsinstallatie (ad NAF. 155.695,65) aan Sint John’s Estate te restitueren.

4.3 Het GEA heeft de vordering van Sint John’s Estate afgewezen omdat uit een door Gebe overgelegde (en door Sint John’s Estate niet betwiste) lijst van het gebruik in de jaren 1995 tot en met 1999 (kennelijk zijnde de vijf jaren volgend op de totstandkoming van de aansluiting) blijkt dat in de jaren 1995 en 1996 de door Gebe uit het elektriciteitsverbruik van de bewoners van Sint John’s Estate gegenereerde inkomsten telkens minder dan 20% van de aanlegkosten bedroegen.

4.4 Sint John’s Estate maakt bezwaar tegen de uitleg van het GEA dat gedurende vijf jaar telkens een bedrag van minimaal 20% van de totale aanlegkosten aan elektriciteit geconsumeerd moet zijn. Volgens haar diende haar vordering te worden toegewezen omdat uit de overgelegde verbruiklijst blijkt dat het totale elektriciteitsverbruik door de bewoners van Sint John’s Estate in de jaren 1995 tot en met 1999 Gebe NAF. 269.694,54 aan inkomsten heeft opgeleverd, hetgeen neerkomt op ruim 173% van de aanlegkosten van het laagspanningssysteem. Een redelijke uitleg van de overeenkomst maakt volgens haar dat de 20% regel zodanig moet worden begrepen dat het onderhavige verbruikspatroon recht geeft op restitutie van de aanlegkosten.

4.5 Ten aanzien van de uitleg van het onderhavige beding in de overeenkomst geldt dat niet is gesteld of gebleken dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst specifieke (mondelinge) afspraken hebben gemaakt ter zake de voorwaarden voor restitutie. Vanwege het feit dat in het beding uitdrukkelijk is opgenomen dat het is gebaseerd op artikel 4 van de concessie dient bij de uitleg van dat beding veel gewicht te worden toegekend aan de betekenis van artikel 4, zoals die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de concessie (vast staat dat er geen toelichting op de concessie bestaat, zodat de betekenis niet mede daaruit kan worden afgeleid).

4.6 Zowel in artikel 4 van de concessie als – in navolging daarvan – in de overeenkomst wordt uitdrukkelijk gesproken van jaarlijkse bestedingen aan elektriciteitsverbruik van meer dan 20% van de aanlegkosten, gedurende een periode van vijf jaar (volgend op de totstandkoming van de aansluiting). De stelling dat het er slechts om gaat dat na afloop van die vijf jaar 100% van de aanlegkosten is ‘terugverdiend’ vindt dan ook geen steun in de bewoordingen van de overeenkomst en de concessie.

4.7 In het dossier bevinden zich geen aanwijzingen dat de bedoeling van de concessie een andere was dan uit de bewoordingen van artikel 4 blijkt.

Het enkele feit dat het bij een woningbouwproject als het onderhavige vrijwel onmogelijk is om reeds in de eerste twee jaar een consumptiepatroon van 20% per jaar van de totale aanlegkosten te bereiken, is geen argument om het artikel een ratio en strekking toe te kennen als door Sint John’s Estate voorgestaan. Ten tijde van het opstellen van de concessie waren er immers (daar zijn beide partijen het over eens) nog geen woningbouwprojecten als de onderhavige, zodat de gevolgen van het beding voor projectontwikkelaars geen rol hebben kunnen spelen bij het formuleren van het beleid ten aanzien van vooruitbetaling en restitutie van de aanlegkosten. Sint John’s Estate was als projectontwikkelaar als geen ander op de hoogte van de gangbare ontwikkeling van een dergelijk woningbouwproject en het bijbehorende consumptiepatroon. Het had dan ook op haar weg gelegen om met het oog daarop bij de totstandkoming van de overeenkomst zodanige voorwaarden voor het recht op restitutie van de aanlegkosten te bedingen dat zij daar als projectontwikkelaar profijt van kon hebben.

4.8 Ook de stelling van Sint John’s Estate dat een verbruik van 100% van de kosten na afloop van vijf jaar op hetzelfde neerkomt als gedurende 5 jaar jaarlijks gebruik van 20%, zodat een redelijke uitleg van de regeling meebrengt dat de overeenkomst niet zo beperkt dient te worden opgevat, wordt verworpen. Gelet op het belang van Gebe bij een duurzaam en bestendig elektriciteitsverbruik (welk belang reeds wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat Gebe na ontvangst van bruto-inkomsten ter hoogte van 100% van de aanlegkosten, nog niet de kosten van de tot dan toe geleverde elektriciteit vergoed heeft gekregen, doch slechts de kosten van de aansluiting eruit heeft gehaald), voor welke duurzaamheid een verbruik gedurende vijf jaar ter waarde van 20% van de kosten per jaar wél en een eenmalig gebruik van 100% van de kosten geen aanwijzing oplevert, kan niet worden geoordeeld dat een grammaticale uitleg van het beding (en de concessie) niet redelijk zou zijn.

4.9 Voor zover Sint John’s Estate in haar tweede grief stelt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn de 20% regel toe te passen, heeft zij daarvoor, mede gelet op het vooroverwogene, onvoldoende aangedragen.

4.10 Gelet op het voorgaande heeft het GEA de vordering van Sint John’s Estate terecht afgewezen. De overige weren (en de incidentele grieven) van Gebe kunnen onbesproken blijven. De kosten van het hoger beroep zullen door Sint John’s Estate, als de in het ongelijk gestelde partij, moeten worden gedragen.

BESLISSING:

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep, en

veroordeelt Sint John’s Estate in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Gebe gevallen en tot op heden begroot op NAF. 210,50 aan exploitkosten en NAF. 12.400,- aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, L.J. de Kerpel-van de Poel en F.J.P. Lock, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof op Sint Maarten uitgesproken op 31 oktober 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.