Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2008:BG3677

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
06-11-2008
Zaaknummer
172 HLAR 46/06
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen.

Geen sprake van bijzondere omstandigheden die de minister noopten tot afwijking van het gevoerde beleid dat een aanvraag voor eerste toelating wordt afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling de beslissing op die aanvraag niet in het buitenland afwacht.

Geen strijd met artikel 8 EVRM.

Aangevallen uitspraak bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

172 HLAR 46/06

Datum uitspraak: 4 juni 2007

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend op Sint Maarten,

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, van 7 november 2006 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij beschikking van 26 september 2005 is namens de Minister van Justitie (hierna: de minister) een aanvraag van appellante om verlening van een vergunning tot verblijf afgewezen.

Bij beschikking van 19 april 2006 is het daartegen door appellante gemaakte bezwaar namens de minister ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 november 2006 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten (hierna: het Gerecht), voor zover thans van belang, het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij het Hof binnengekomen op 18 december 2006, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 27 februari 2007 heeft de minister van antwoord gediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2007, waar appellante, in persoon, bijgestaan door mr. R.M. Stomp, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. E.S.R. Ester, advocaat, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In hoger beroep klaagt appellante dat, samengevat weergegeven, het Gerecht, door de weigering niet onrechtmatig te oordelen, heeft miskend dat de omstandigheid dat appellante ten tijde van de aanvraag op Sint Maarten verbleef op zichzelf geen gevaar voor de openbare orde oplevert. Of gevaar voor de openbare orde bestaat, is volgens appellante afhankelijk van alle omstandigheden van het desbetreffende geval en omstandigheden die in dit geval tot die conclusie aanleiding kunnen geven, doen zich niet voor. Verder heeft het Gerecht volgens haar miskend dat de verplichting om de beslissing op de aanvraag in het buitenland af te wachten slechts bij een aanvraag voor eerste toelating geldt en daarom, nu zij eerder rechtmatig verblijf op Sint Maarten heeft gehad, thans niet aan de orde is.

2.1.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid van de Landsverordening Toelating en Uitzetting Nederlandse Antillen, wordt – behoudens wettelijke uitzonderingen – niemand in de Nederlandse Antillen toegelaten zonder een vergunning tot (tijdelijk) verblijf.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, kan de vergunning tot tijdelijk verblijf door of namens de minister worden geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang.

2.1.2. Niet in geschil is dat appellante Sint Maarten na afloop van de geldigheidsduur van een aan haar verleend visum op 22 april 2004 niet heeft verlaten en zich ten tijde van de aanvraag in 2005 op Sint Maarten bevond, zonder dat zij over een geldige verblijfstitel beschikte. De minister heeft de aanvraag van appellante onder die omstandigheden terecht aangemerkt als voor eerste toelating. Een zodanige aanvraag wordt volgens het gevoerde beleid met het oog op de openbare orde afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling de beslissing op de aanvraag niet in het buitenland afwacht.

Nu geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld, mocht de minister in de omstandigheid dat appellante na 22 april 2004 het eiland niet heeft verlaten aanleiding vinden om de aanvraag af te wijzen. Dat appellante, naar gesteld, eerder rechtmatig verblijf heeft gehad, doet hieraan niet af.

De klacht faalt.

2.2. Appellante klaagt tenslotte dat het Gerecht heeft miskend dat haar partner de Nederlandse nationaliteit heeft, voor zijn werk van Sint Maarten afhankelijk is en van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij zich ten behoeve van hun familie- of gezinsleven in het buitenland vestigt. Voorts heeft het volgens haar miskend dat gedwongen vertrek naar het buitenland niet bevorderlijk is voor hun relatie en de afwijzing daarom tot onevenredige hardheid leidt.

2.2.1. Hetgeen appellante aldus heeft gesteld aangaande het eventuele vertrek van haar partner naar het buitenland, heeft zij in eerste aanleg niet aangevoerd. De klacht dat het Gerecht de betekenis van die gestelde omstandigheden heeft miskend, faalt reeds daarom.

Het Gerecht heeft in hetgeen appellante in eerste aanleg wel heeft aangevoerd voorts terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de afwijzing strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden oplevert. Het heeft terecht op grond daarvan geen objectieve belemmeringen aangenomen voor gezinsleven van appellante buiten het land.

De klacht faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Martinez, griffier.

w.g. Ter Berg

Voorzitter

w.g. Martinez

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2007

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,