Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2008:BG3600

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
06-11-2008
Zaaknummer
165 HLAR 39/06
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevel tot uitzetting en gelasten inbewaringstelling.

1)Tegen de weigering door de Ambtenaar van het Bevolkingsregister om het in Colombia gesloten huwelijk van appellante met [de man] in het bevolkingsregister van Aruba in te schrijven, omdat het een schijnhuwelijk is, heeft appellante geen rechtsmiddel ingesteld, zodat de PG van de juistheid van die beschikking mocht uitgaan. Dat zou anders zijn, indien de PG reden had om aan te nemen dat de beschikking op een feitelijke of juridische misslag berust, dan wel zodanig nieuwe feiten en omstandigheden zijn gebleken, dat aannemelijk is dat de Ambtenaar van het Bevolkingsregister, waren deze hem bekend geweest, tot een ander oordeel zou zijn gekomen.

2) Uit het systeem van de Lar leidt het Hof af dat een door het Gerecht getroffen voorlopige voorziening vervalt, zodra het in het bodemgeschil bij uitspraak op het beroep heeft beslist, voor zover in de beslissing van het Gerecht geen eerder tijdstip is bepaald. Verder brengt redelijke toepassing van de Lar mee dat hoofdstuk V, dat bepalingen bevat omtrent schorsing en voorlopige voorziening, in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is.

Aangevallen uitspraak bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

165 HLAR 39/06

Datum uitspraak: 4 juni 2007

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in Aruba,

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van

27 september 2006 in het geding tussen:

appellante

en

de Procureur-Generaal.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden beschikkingen van 31 augustus 2005 heeft de Procureur Generaal (hierna: de PG) de uitzetting van appellante bevolen en met het oog hierop haar inbewaringstelling gelast.

Bij beschikking van 12 juni 2006 heeft de Advocaat-Generaal (hierna: de AG) de daartegen door appellante gemaakte bezwaren namens de PG ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 september 2006 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij het Gerecht ingekomen op 7 november 2006, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, ingekomen op 23 januari 2007, heeft de PG van antwoord gediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2007, waar appellante in persoon, bijgestaan door mrs. P.A.P.J. van der Sloot en A.A.D.A. Carlo, beiden advocaat, en de AG mr. N. Jörg zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Landsverordening toelating en uitzetting, zoals die ten tijde van belang luidde (hierna: de LTU), is deze, met uitzondering van de bepalingen van de artikelen 22 tot en met 25, niet van toepassing op de buiten Aruba geboren leden van het wettig gezin van de op het eiland Aruba geboren man van Nederlandse nationaliteit.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, wordt in deze landsverordening onder wettig gezin de niet van tafel en bed gescheiden echtgenote verstaan.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, kunnen personen worden uitgezet, voor wie ingevolge deze landsverordening toelating is vereist en wier verblijf met het oog op de zedelijkheid, de openbare orde of de publieke rust of veiligheid niet wenselijk wordt geacht.

Ingevolge artikel 1:71a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een huwelijk op vordering van het openbaar ministerie als schijnhandeling wegens strijd met de Arubaanse openbare orde worden nietig verklaard, indien het oogmerk van de echtgenoten, of één hunner, niet was gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating tot Aruba.

2.2. Appellante klaagt dat het Gerecht ten onrechte niet zelf heeft onderzocht, of haar huwelijk met de in Aruba geboren Nederlander [de man] een schijnhuwelijk is en heeft miskend dat zij echtgenote is in de zin van artikel 1, tweede lid, van de LTU.

2.2.1. De klacht faalt. Het was niet de taak van het Gerecht om de uitvoering van de LTU maar aanleiding van het ingestelde beroep zelf ter hand te nemen, doch om de uitvoering door het bestuur op rechtmatigheid te toetsen.

De Ambtenaar van het Bevolkingsregister heeft voorts bij beschikking van 24 september 2004 geweigerd om het in Colombia gesloten huwelijk van haar met [de man] in het bevolkingsregister van Aruba in te schrijven, omdat het een schijnhuwelijk is. Die beschikking is gebaseerd op het oordeel dat het oogmerk van appellante en [de man], of één hunner, niet op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten was gericht, doch op het verkrijgen van toelating tot Aruba. Nu appellante tegen die beschikking geen rechtsmiddel heeft aangewend, mocht de PG van de juistheid van die beschikking uitgaan. Dat zou anders zijn, indien de PG reden had om aan te nemen dat de beschikking op een feitelijke of juridische misslag berust, dan wel zodanig nieuwe feiten en omstandigheden zijn gebleken, dat aannemelijk is dat de Ambtenaar van het Bevolkingsregister, waren deze hem bekend geweest, tot een ander oordeel zou zijn gekomen. Dat is gesteld noch gebleken.

2.3. Voorts klaagt appellante dat het Gerecht heeft miskend dat de PG geen gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid haar uit te zetten, nu zij [de man] heeft te verzorgen.

2.3.1. Deze klacht faalt evenzeer. Het is aan de PG om te beoordelen of een niet toegelaten vreemdeling, als appellante is, voor uitzetting met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de LTU in aanmerking komt. Van klemmende redenen van humanitaire aard, in verband waarmee moet worden geoordeeld dat de PG ten aanzien van appellante in redelijkheid geen gebruik kon maken van deze bevoegdheid, is niet gebleken. Dat appellante, naar zij stelt, [de man] moet verzorgen, levert zodanige reden niet op, reeds omdat appellante niet hier te lande mag verblijven en ook niet om toelating al dan niet in verband daarmee heeft verzocht.

2.4. Tot slot klaagt appellante dat ingevolge artikel VI van de verordening tot wijziging van de LTU (A.B. 2006, no. 30) artikel 15, derde lid, van de thans geldende tekst van de LTU op haar van toepassing is, nu zij met toepassing daarvan instemt, waardoor in de uitzettingsbeschikking van 31 augustus 2005 haar toelating tot Aruba ten onrechte voor onbepaalde tijd is geweigerd.

2.4.1. Nu appellante dit voor het eerst ter zitting in hoger beroep heeft aangevoerd en het aangevoerde verder strekt, dan dat het Gerecht de rechtsgronden ten onrechte niet ambtshalve heeft aangevuld, zal het Hof hieraan voorbij moeten gaan.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. De PG heeft het Hof nog verzocht de schorsing door het Gerecht van de beschikkingen van 31 augustus 2005 op te heffen.

2.6.1. In de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) is niet bepaald, wanneer een door het Gerecht getroffen voorlopige voorziening, als in dit geval de schorsing, vervalt. Evenmin is voorzien in de mogelijkheid om het Hof, hangende het hoger beroep, te verzoeken een door het Gerecht getroffen voorlopige voorziening ongedaan te maken. Uit het systeem van de Lar leidt het Hof evenwel af dat een door het Gerecht getroffen voorlopige voorziening vervalt, zodra het in het bodemgeschil bij uitspraak op het beroep heeft beslist, voor zover in de beslissing van het Gerecht geen eerder tijdstip is bepaald. Verder brengt redelijke toepassing van de Lar mee dat hoofdstuk V, dat bepalingen bevat omtrent schorsing en voorlopige voorziening, in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is.

2.6.2. Het voorgaande betekent dat de schorsing van de beschikkingen van 31 augustus 2005 tot uitzetting en inbewaringstelling door het Gerecht bij uitspraak van 19 oktober 2005 van rechtswege is vervallen toen het de uitspraak van 27 september 2006 deed, zodat de PG geen belang heeft bij het gedane verzoek en het deswege dient te worden afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek van de PG om opheffing van de schorsing door het Gerecht van de beschikkingen van 31 augustus 2005 af.

Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Martinez, griffier.

w.g. Ter Berg

Voorzitter

w.g. Martinez

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2007

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,