Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2008:BF1210

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
29-08-2008
Datum publicatie
18-09-2008
Zaaknummer
AR 231/05 - H 331/07
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op veiling koopt Roda perceel met erfpacht. De koper geniet op grond van 3:36 de bescherming van art. 3:36 BW voor de door haar in goed vertrouwen gedane koop van de erfpacht in de veronderstelling dat die vrij was van huur. Huurder beschuldiging dat 'er aan zichzelf wordt verkocht' wordt niet gehonoreerd omdat het hier om onderscheiden rechtspersonen gaat, zoals uit aktes blijkt. Vordering tot vrijwaring wordt niet toegewezen omdat dit tot een onredelijke vertraging van het geding zal leiden en koper bij een vlot verloop van procedure belang heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienummer: AR 231/05 - H 331/07

Uitspraak: 29 augustus 2008

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Vonnis in de zaak van:

1. de naamloze vennootschap

BUSH ROAD GAS STATION N.V.,

gevestigd op Sint Maarten,

2. [naam appellant],

wonende op Sint Maarten,

oorspronkelijk gedaagden, thans appellanten,

gemachtigde: mr. C.M. Marica,

- tegen -

de vennootschap naar vreemd recht

RODA LIMITED,

gevestigd te Anguilla,

oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. M. Le Poole.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als Bush Road, [appellant] en Roda. Appellanten gezamenlijk zullen als [appellant en Bush Road N.V.] worden aangeduid.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Op 18 juli 2006 (in het vrijwaringsincident) en op 13 maart 2007 (in de hoofdzaak) heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, (hierna te noemen “GEA”) tussen partijen vonnis gewezen. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, de procesgang aldaar en de overwegingen en beslissingen van het GEA wordt verwezen naar die vonnissen.

1.2 [appellant en Bush Road N.V.] zijn tegen voornoemde vonnissen in hoger beroep gekomen door op 28 maart 2007 een akte van hoger beroep in te dienen. Bij gelijktijdige memorie van grieven hebben [appellant en Bush Road N.V.] tien grieven aangevoerd en toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof de bestreden vonnissen vernietigt en de vorderingen van Roda afwijst, met veroordeling van Roda in de proceskosten van beide instanties.

1.3 Roda heeft bij memorie van antwoord het hoger beroep bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat de bestreden vonnissen worden bevestigd, met veroordeling van [appellant en Bush Road N.V.] in de kosten van het hoger beroep.

1.4 Op de (nader) voor pleidooi bepaalde dag hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities overgelegd. Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.

2. De beoordeling

2.1 [appellant en Bush Road N.V.] hebben hun hoger beroep allereerst gericht tegen het vonnis van 18 juli 2006 waarbij hun vordering tot oproeping in vrijwaring van Shell Antilles and Guianas Ltd. (hierna: Shell) en Sol Antilles N.V. (hierna: Sol) is afgewezen.

2.2 Een oproeping tot vrijwaring is in beginsel toelaatbaar indien de waarborg krachtens zijn rechtsverhouding tot de gewaarborgde verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling in de hoofdzaak te dragen, ook al is die rechtsverhouding van geheel andere aard dan die waarop de vordering in de hoofdzaak is gegrond. Dit betekent dat in het onderhavige geval moet worden beoordeeld of door [appellant en Bush Road N.V.] een rechtsverhouding tussen (een van) hen enerzijds en Shell en/of SOL anderzijds is gesteld op grond waarvan Shell en/of SOL gehouden zouden kunnen zijn om [appellant en Bush Road N.V.] vrij te houden van de nadelige gevolgen van een verklaring van recht dat – kort gezegd – er geen huurrelatie bestaat tussen Bush Road en Roda of van een veroordeling tot ontruiming. [appellant en Bush Road N.V.] hebben daartoe gesteld dat bij een gedwongen ontruiming van het perceel Shell en/of haar rechtsopvolger SOL ongerechtvaardigd zouden worden verrijkt als gevolg van de door Barrot op het perceel gedane investeringen. Ter nadere onderbouwing daarvan hebben [appellant en Bush Road N.V.] aangevoerd dat met Shell een exploitatieovereenkomst voor de duur van 30 jaar is aangegaan en dat bij ontruiming de waarborgen de exploitatie zonder enige investering kunnen voortzetten.

2.3 Uit deze stellingen van [appellant en Bush Road N.V.] leidt het Hof af dat [appellant en Bush Road N.V.] zich op het standpunt stellen dat zij bij een veroordeling in de hoofdzaak tot ontruiming schade lijden als gevolg van het gemis van het genot van door hen gedane investeringen en dat Shell en/of Sol op grond van ongerechtvaardigde verrijking gehouden zijn deze schade te vergoeden. Daarmee is door [appellant en Bush Road N.V.] een voldoende grondslag voor de oproeping tot vrijwaring gesteld. Of deze grondslag ook feitelijk juist is en tot toewijzing van de door [appellant en Bush Road N.V.] in de vrijwaring beoogde vordering zal leiden, dient in de vrijwaringsprocedure te worden beoordeeld.

2.4 Zonder nadere motivering – die ontbreekt - valt niet in te zien dat ten tijde van de beslissing in eerste aanleg op de vordering tot vrijwaring sprake was van misbruik van procesrecht of dat bij een afweging van belangen, waaronder het belang van het voorkomen van een onredelijke vertraging van de procedure in de hoofdzaak, het belang van Roda bij afwijzing van de incidentele vordering zwaarder moest wegen. Dit leidt tot de conclusie dat het GEA de vordering tot oproeping in vrijwaring ten onrechte heeft afgewezen.

2.5 Toch zal ook in hoger beroep de incidentele vordering niet worden toegewezen. Inmiddels bevindt de hoofdzaak zich in staat van wijzen in hoger beroep. Het belang van Roda bij de gevorderde - en in eerste aanleg uitvoerbaar bij voorraad toegewezen - ontruiming en een vlot verloop van (en uitspraak in) de procedure in de hoofdzaak is evident. Gezamenlijke behandeling van de hoofdzaak en de zaak tot vrijwaring is, mede gelet op de uiteenlopende grondslagen daarvan, niet noodzakelijk. Voor tegenstrijdige uitspraken indien de vordering tegen Shell en Sol afzonderlijk en mogelijk door een andere rechter wordt beoordeeld, valt niet te vrezen. Toewijzing van de vordering tot oproeping in vrijwaring zal in dit stadium tot een onredelijke vertraging van het geding leiden. Het belang van Roda bij een vlot verloop van de hoofdprocedure en een vonnis in het hoger beroep in de hoofdzaak dient onder de gegeven omstandigheden daarom zwaarder te wegen dan het belang van [appellant en Bush Road N.V.] om tegelijk met de uitslag in de hoofdzaak duidelijkheid te hebben over de vraag of Shell en/of Sol als gevolg van de ontruiming uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking gehouden zijn tot schadevergoeding aan [appellant en Bush Road N.V.].

2.6 Dat betekent dat ook in hoger beroep de vordering tot oproeping in vrijwaring zal worden afgewezen. Het bestreden vonnis zal in zoverre worden bevestigd. Wel zal, gelet op hetgeen onder 2.4 is overwogen, de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling in het incident worden vernietigd. Voor een afzonderlijke proceskostenveroordeling in hoger beroep ter zake van het incident ziet het Hof geen aanleiding.

2.7 De overige grieven, die het geschil in de hoofdzaak in volle omvang aan het Hof voorleggen, lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Bij de beoordeling dienen de onder 1. van het vonnis van 13 maart 2007 weergegeven feiten (en daarbij gehanteerde aanduidingen) tot uitgangspunt. Tegen de vaststelling van deze feiten is in hoger beroep niet gegriefd en het Hof acht deze ook juist.

2.8 [appellant] heeft allereerst het verweer gevoerd dat hij ten onrechte in het geding is betrokken. Dit verweer wordt verworpen. [appellant] was rechthebbende op en, in ieder geval gedurende enige tijd, feitelijk gebruiker van het perceel. Daarnaast heeft [appellant] zich op het standpunt gesteld dat de erfpacht is verhuurd aan Bush Road en dat de feitelijke exploitatie van het tankstation op het perceel op enig moment door Bush Road is overgenomen. Het bestaan van deze huurovereenkomst is door Roda betwist. Tussen [appellant] en Bush Road bestaat voorts een nauw verband aangezien [appellant] enig aandeelhouder en directeur van Bush Road is. Onder die omstandigheden heeft Roda er belang bij om zowel van [appellant] als van Bush Road ontruiming te vorderen.

2.9 Voorts hebben [appellant en Bush Road N.V.] het verweer gevoerd dat de veiling niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden en - naar het Hof het verweer begrijpt - Roda dus geen eigenaar van de erfpacht is geworden. Daartoe hebben [appellant en Bush Road N.V.] aangevoerd dat de hoogte van de schuld onjuist is vastgesteld en dat de lening op het moment van de veiling nog niet opeisbaar was. Verder hebben zij aangevoerd dat [naam van man die met Roda te vereenzelvigen zou zijn] en Roda te vereenzelvigen zijn en de erfpacht mitsdien door [naam van man die met Roda te vereenzelvigen zou zijn] aan zichzelf is verkocht. Ook dit verweer wordt verworpen. Het enkele feit dat, zoals [appellant en Bush Road N.V.] hebben gesteld, Roda en [naam van man die met Roda te vereenzelvigen zou zijn] aan elkaar zijn gelieerd is onvoldoende om de vennootschappen met elkaar te vereenzelvigen. Ook uit de door [appellant en Bush Road N.V.] overgelegde cessie-overeenkomst (waarin overigens niet Roda maar Roda Holdings Limited als partij staat genoemd) volgt dat niet. Er moet dan ook vanuit worden gegaan dat Roda en [naam van man die met Roda te vereenzelvigen zou zijn] afzonderlijke, van elkaar te onderscheiden rechtspersonen zijn zodat reeds om die reden niet kan worden geconcludeerd dat [naam van man die met Roda te vereenzelvigen zou zijn] “aan zichzelf heeft verkocht”. De door [appellant en Bush Road N.V.] geuite bezwaren ten aanzien van de hoogte van de schuld en de opeisbaarheid van de lening kunnen - wat daar verder ook van zij - Roda als koper niet worden tegengeworpen. Door [appellant en Bush Road N.V.] is onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat Roda ter zake van de verkrijging van de erfpacht niet te goeder trouw is geweest. Voor opschorting van de procedure, zoals door [appellant en Bush Road N.V.] gesuggereerd, totdat in een procedure tussen [naam van man die met Roda te vereenzelvigen zou zijn] en [appellant] vonnis is gewezen aangaande een vordering van [appellant] tot nietigverklaring van de hypothecaire geldleningsovereenkomst die aan de veiling van de erfpacht ten grondslag ligt, ziet het Hof geen aanleiding. Gesteld noch gebleken is dat zich een van de in artikel 185 Rv bedoelde gevallen voordoet.

2.10 Roda heeft gesteld bij de koop van de erfpacht te zijn afgegaan op de in de hypotheekakte opgenomen verklaring van [appellant] dat de erfpacht niet was verhuurd (verder te noemen: de verklaring). Met het GEA is het Hof van oordeel dat Roda onder de gegeven omstandigheden - een uitdrukkelijke verklaring in een notariële akte - er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat de erfpacht ten tijde van het vestigen van de hypotheek niet was verhuurd. Dat de verklaring deel uitmaakt van een standaardakte die [appellant] nimmer heeft gelezen, zoals hij stelt, doet - wat daarvan verder ook zij - daaraan niet af. [appellant] heeft zelf (bij conclusie van antwoord) gesteld dat hij, zoals ook in de overgelegde akte door de notaris is verklaard, de akte heeft ondertekend. De betwisting naderhand dat hij de verklaring zou hebben afgelegd, zonder daarbij te betwisten de akte te hebben ondertekend, wordt daarom gepasseerd. Dat zijn wil mogelijk niet met de verklaring overeenstemde, doet er niet aan af dat Roda op de juistheid van de verklaring mocht afgaan en ook in redelijk vertrouwen daarop heeft gehandeld door de erfpacht op de openbare veiling te kopen. Nu reeds is geoordeeld dat Roda niet met [naam van man die met Roda te vereenzelvigen zou zijn] kan worden vereenzelvigd, kan Roda, anders dan [appellant en Bush Road N.V.] hebben gesteld, als derde in de zin van artikel 3:36 BW worden aangemerkt. Door [appellant en Bush Road N.V.] is ook onvoldoende gesteld om eventuele wetenschap van [naam van man die met Roda te vereenzelvigen zou zijn] aangaande het gebruik of de huur van het perceel door Bush Road aan Roda toe te rekenen. Hun stelling dat Roda wist dat Bush Road het tankstation op het perceel exploiteert, hebben [appellant en Bush Road N.V.] niet nader geconcretiseerd of onderbouwd, ook niet na de betwisting daarvan door Roda, zodat deze stelling als onvoldoende gemotiveerd wordt gepasseerd. De stelling kan niet worden aangemerkt als een feit van algemene bekendheid. Gelet op de duidelijke bewoordingen en het ondubbelzinnige karakter van de verklaring, kunnen [appellant en Bush Road N.V.] Roda evenmin tegenwerpen dat zij onderzoek had dienen te doen naar een eventuele huurovereenkomst tussen [appellant] en Bush Road. [appellant] kan op grond van artikel 3:36 BW jegens Roda dan ook geen beroep doen op de door hem gestelde ten tijde van het afleggen van de verklaring reeds bestaande huurverhouding met Bush Road.

2.11 Vast staat dat [appellant], ook ten tijde van het afleggen van de verklaring, enig aandeelhouder en directeur van Bush Road is. De verklaring is dus afgelegd door de verhurende eigenaar van de erfpacht die tegelijkertijd enig aandeelhouder en directeur van de hurende vennootschap is. Gelet op deze verwevenheid tussen [appellant] en Bush Road is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Bush Road aan Roda tegenwerpt dat zij is uitgegaan van een onjuiste veronderstelling. De bescherming die Roda op grond van artikel 3:36 BW geniet voor de door haar in goed vertrouwen gedane koop van de erfpacht in de veronderstelling dat de erfpacht vrij was van huur, strekt zich onder de gegeven omstandigheden ook uit tot Bush Road.

2.12 Gelet op het voorgaande kan in het midden blijven of de huurovereenkomst tussen [appellant] en Bush Road daadwerkelijk bestaat of dat er sprake is van een schijnovereenkomst. Wat daarvan ook zij, Bush Road kan Roda geen recht uit een huurovereenkomst aangaande het perceel tegenwerpen of een dergelijk recht jegens Roda inroepen. Tussen Roda en Bush Road is bij de overdracht van de erfpacht aan Roda mitsdien ook geen huurrelatie ontstaan. Het GEA heeft de gevorderde verklaring van recht dan ook terecht toegewezen.

2.13 Nu er vanuit dient te worden gegaan dat Roda eigenaar is van de erfpacht en dat [appellant en Bush Road N.V.] geen rechten ten aanzien van het perceel jegens Roda kunnen inroepen, heeft Roda recht en belang bij haar vordering tot ontruiming zodat ook die vordering terecht door het GEA is toegewezen.

2.14 Het voorgaande betekent dat de bestreden vonnissen zullen worden bevestigd. [appellant en Bush Road N.V.] zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen, worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

BESLISSING:

Het Hof:

vernietigt het vonnis d.d. 16 juli 2006 voor zover daarbij [appellant en Bush Road N.V.] in de proceskosten in het incident zijn veroordeeld;

bevestigt de bestreden vonnissen voor het overige;

veroordeelt [appellant en Bush Road N.V.] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Roda gevallen en tot op heden begroot op NAF. 395,00 aan verschotten en NAF. 5.100,00 aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Van Unen, Lewin en Lock, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof op Sint Maarten uitgesproken op 29 augustus 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.