Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2008:BF1201

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
29-08-2008
Datum publicatie
18-09-2008
Zaaknummer
AR 336/05-H-244/07
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Twee werknemer stellen dat zij gedurende hun dienstverband stelselmatig hebben overgewerkt. De eerste werknemer stond in de winkel waar hij volgens de arbeidsregeling maximaal 40 per week mag werken in periode van vier weken. Het Hof stelt vast dat hij 14 uur per week overwerk heeft verricht. Ten aanzien van huishoudelijk personeel geldt een maximum van 55 uur. Het Hof stelt vast dat zij 15 uur per week is overgewerkt. Beiden mogen nog bewijs leveren dat zij nog meer overwerk hebben verricht, zoals zij stellen. Ook over geschil over ingevulde kwitantie wordt niet beslist maar mag werknemer nog bewijs proberen te leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0596
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK: 29 augustus 2008

ZAAKNR.: AR 336/05-H-244/07

HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE

NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Vonnis in de zaak van:

1. [naam werknemer],

2. [naam werkneemster],

beiden wonend op Sint Maarten,

voorheen eisers,

thans appellanten,

gemachtigde: mr. E. Moenir-Alam,

tegen

1. de naamloze vennootschap [naam N.V. van werkgever],

2. [naam werkgever],

gevestigd respectievelijk wonend op Sint Maarten,

voorheen gedaagden,

thans geïntimeerden,

gemachtigde: mr. E.Y. Knoppel.

Appellanten worden hierna [werknemer] en [werkneemster], en gezamenlijk [werknemer en werkneemster], genoemd.

Geïntimeerden sub 2 wordt hierna [werkgever] genoemd. Geïntimeerden gezamenlijk worden [werkgever] c.s. genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten (verder: GEA), wordt verwezen naar het tussen partijen in deze zaak gewezen eindvonnis van 16 januari 2007 (in de kop van dat vonnis staat abusievelijk 15 januari 2007 als uitspraakdatum vermeld) en het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 26 september 2006. De inhoud van dat vonnis geldt als hier ingevoegd.

1.2 [werknemer en werkneemster] zijn in hoger beroep gekomen van gemeld eindvonnis door indiening op 18 januari 2007 van een daartoe strekkende akte ter griffie van het GEA. Bij gelijktijdig ingediende memorie van grieven hebben zij acht grieven aangevoerd en toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en hun vordering alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [werkgever] c.s. in de kosten van de procedure.

1.3 [werkgever] c.s. hebben bij memorie van antwoord de grieven bestreden. Hun conclusie strekt ertoe (naar het Hof begrijpt) dat het Hof het bestreden vonnis bevestigt, met veroordeling van [werknemer en werkneemster] in de kosten van het hoger beroep.

1.4 Op de daarvoor bepaalde dag heeft de gemachtigde van [werknemer en werkneemster] pleitnotities overgelegd. [werkgever] c.s. hebben daarvan afgezien. Vervolgens is vonnis gevraagd, waarvan de uitspraak nader is bepaald op heden.

2. Ontvankelijkheid

[werknemer en werkneemster] zijn tijdig en op de juiste wijze in beroep gekomen van het vonnis van 16 januari 2007, zodat zij daarin kunnen worden ontvangen.

3. Grieven

Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. Beoordeling

4.1 Het Hof neemt over de (onbestreden) overwegingen van het GEA dat [werkgever] c.s. beide als werkgever van [werknemer] moeten worden aangemerkt en [werkgever] als werkgever van [werkneemster]. Ook neemt het Hof over de onbestreden vaststelling dat het dienstverband van [werknemer] vanaf 5 september 2004 tot 15 december 2005 heeft geduurd.

Het dienstverband van [werkneemster] heeft van 4 april 2004 tot 1 december 2005 geduurd. Het Hof volgt het GEA in diens overweging onder 3.1 van het tussenvonnis betreffende het einde van die arbeidsrelatie.

4.2 De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.3 [werknemer] en [werkneemster] stellen – door overgelegde verklaringen van bekenden van hen geadstrueerd – dat zij gedurende hun dienstverband stelselmatig hebben overgewerkt. Deze stelling is door [werkgever] c.s. betwist.

4.4 Ingevolge artikel 8 lid 1 van de Arbeidsregeling 2000 (hierna te noemen: de Arbeidsregeling) mocht de arbeidsduur van [werknemer], berekend over een periode van vier weken, niet meer dan 40 uur per week bedragen.

[werkgever] c.s. hebben erkend, dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist, dat [werknemer] (in ieder geval) 54 uur per week werkte. Bij hun conclusie van antwoord hebben zij immers gesteld dat hij 6 dagen per week, overeenkomstig de vigerende winkelsluitingstijden, werkte. Bij hun pleitnota in eerste aanleg hebben zij dat nader ingevuld door te stellen dat de winkel van 10.00 ’s ochtends tot 19.00 ’s avonds open is.

Vast staat dan ook dat [werknemer] in de periode van 5 september 2004 tot 15 december 2005 tenminste 14 uur per week overwerk heeft verricht. Daarvan dient telkens 1 dag als rusttijd in de zin van artikel 9 lid c van de Arbeidsregeling te worden beschouwd. In artikel 15 lid 1 en lid 2 van de Arbeidsregeling is bepaald dat ter compensatie voor verricht overwerk naast het geldende uurloon een overwerktoeslag van 50% van het uurloon dient te worden uitgekeerd en daarenboven een overwerktoeslag van 25% van het uurloon voor overwerk verricht gedurende de rusttijd als bedoeld in artikel 9 lid 1 onder c.

4.5 Ten aanzien van huishoudelijk personeel is in artikel 25 lid 1 van de Arbeidsregeling onder meer bepaald dat de arbeidsduur per week ten hoogste 55 uren bedraagt, de werknemer in iedere periode van 7 dagen zijn wekelijkse rustdag geniet, de arbeidstijd in beginsel tussen 6.00 en 22.00 uur ligt, tenzij de dienstbetrekking uitsluitend of hoofdzakelijk ziet op de verzorging van de natuurlijke persoon of één of meer van diens huisgenoten en deze verzorging uitsluitend of hoofdzakelijk dient plaats te vinden buiten die tijdstippen, en de werknemer gedurende feestdagen is vrijgesteld van dienst met behoud van loon. Gesteld noch gebleken is dat vorengenoemde uitzonderingssituatie ten aanzien van de arbeidstijd zich voordeed.

[werkgever] heeft erkend, dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist, dat [werkneemster] alle dagen kookte en schoonmaakte. Dat valt immers te lezen in de verklaring die hij op 4 februari 2006 ten overstaan van de politie heeft afgelegd en waarnaar hij, bij wege van verweer, heeft verwezen. Hij heeft daarbij ook verklaard dat zijn familie om uiterlijk 21.30 uur klaar was met het avondeten, waarna het de taak van [werkneemster] was om af te wassen en de keuken op te ruimen. Daaruit leidt het Hof af dat het ook moet zijn voorgekomen dat [werkneemster] pas na 22.00 uur klaar was met werken. Het Hof bepaalt het aantal dagen dat zij (tenminste) tot 23.00 uur heeft gewerkt, schattenderwijs op 3 per week.

Ten aanzien van de werkzaamheden van [werkneemster] heeft [werkgever] – kort gezegd – verklaard dat [werkneemster] na het opstaan begon met het koken van de lunch – welke voor 12.00 uur werd opgehaald om in de winkel te nuttigen –, een dutje deed wanneer de kinderen uit school kwamen, vervolgens het huis moest opruimen en schoonmaken en (één maal per week) de was moest doen en strijken, om vervolgens het avondeten te koken en daarna af te wassen en de keuken op te ruimen. Daaruit leidt het Hof af dat [werkneemster] in de visie van [werkgever] tenminste 10 uur per dag werkte (voor zover [werkgever] zich op het standpunt wil stellen dat [werkneemster] minder dan 10 uur per dag bezig was, heeft hij dat onvoldoende gemotiveerd gedaan), hetgeen neerkomt op 70 uur per week; 15 uur meer dan wettelijk toegestaan.

Die overwerkuren dienen, evenals de uren na 22.00 uur, beloond te worden met een toeslag van 50% van het loon, terwijl de arbeid verricht op rust- en feestdagen dient te worden beloond met een toeslag van 100% van het loon.

4.6 [werknemer] en [werkneemster] hebben beiden gesteld nog veel meer overwerk te hebben verricht. Nu dat gemotiveerd is betwist, is het aan hen daarvan bewijs te leveren. Zij zullen daartoe, overeenkomstig hun uitdrukkelijk aanbod, in de gelegenheid worden gesteld. Indien zij dat bewijs mede wensen te leveren door een verklaring van henzelf ten overstaan van een Nederlandse consulaire ambtenaar, dienen zij het Hof bij akte hun woonplaatsen (en volledige adresgegevens) mee te delen, zodat bezien kan worden onder welk Nederlands consulaat die woonplaats valt en de Nederlandse consulaire ambtenaar in staat zal zijn hen op te roepen voor verhoor.

4.7 [werknemer] heeft voorts betwist dat hij maandelijks US$ 750,- aan salaris heeft ontvangen. Hij had blanco kwitanties ondertekend, waar dat bedrag later op ingevuld is. Volgens hem ontving hij in werkelijkheid slechts US$ 200,-. Het is aan [werknemer] om te bewijzen dat de kwitanties vals zijn, in die zin dat de tekst later boven de handtekeningen is geplaatst. [werknemer] heeft nog verzocht de originele kwitanties door een schriftkundige te doen onderzoeken. Dat onderzoek is er blijkens de stellingen van [werknemer] slechts op gericht vast te stellen dat alle handtekeningen op hetzelfde moment zijn gezet, kennelijk door de inkt te laten onderzoeken. Nu ook het gebruik van dezelfde inkt niet uitsluit dat de kwitanties op verschillende momenten zijn ondertekend, en een dergelijk onderzoek niet tot de door schriftkundigen te doen gebruikelijke onderzoeken behoort, ziet het Hof geen aanleiding een deskundigenbericht als voorgesteld te doen gelasten. Het staat [werknemer] echter vrij in het kader van de bewijslevering zelf een schriftkundige in te schakelen. [werknemer] zal in de gelegenheid worden gesteld bij akte aan te geven of, en zo ja hoe, hij ter zake bewijs wenst te leveren.

4.8 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

BESLISSING:

Het Hof:

verwijst de zaak naar de rol van 31 oktober 2008 voor akte als bedoeld in rov. 4.6 en 4.7 aan de zijde van [werknemer] en [werkneemster];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.E.M. Polkamp, L.J. de Kerpel-van de Poel en F.J.P. Lock, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof op Sint Maarten uitgesproken op 29 augustus 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.