Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2008:BE8652

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
12-08-2008
Datum publicatie
19-08-2008
Zaaknummer
EJ 408/07 - H 97/08
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De betrokkene heeft geen uitdrukkelijke voorkeur voor de benoeming van een bepaalde persoon als bewindvoerder. In het algemeen wordt bij voorkeur een ouder, broer, kind of zus benoemd. Nu echter vijf zusters ernstige bezwaren hebben tegen benoeming van appellant ziet het Hof aanleiding daarvan af te wijken. In hoeverre de bezwaren objectief gerechtvaardigd zijn kan daarbij in het midden blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienummer: EJ 408/07 - H 97/08

Uitspraak: 12 augustus 2008

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Beschikking in de zaak van:

[Naam vader van betrokkene],

wonende op Curaçao,

oorspronkelijk verzoeker,

thans appellant,

gemachtigde: mr. E.A. Arrindell,

- tegen -

1. [naam betrokkene],

wonende op Curaçao,

2. [naam eerste zus],

wonende in Nederland,

3. [naam tweede zus],

wonende op Curaçao,

4. [naam derde zus],

wonende op Curaçao,

5. [naam vierde zus],

wonende in Nederland,

6. [naam vijfde zus],

wonende in Nederland,

7. [naam bewindvoerdster],

wonende op Curaçao,

belanghebbenden.

Belanghebbende sub 1 wordt hierna aangeduid als "de betrokkene" en belanghebbende sub 7 als "de bewindvoerster".

1. Het verdere verloop van de procedure

Overeenkomstig het Hof bij beschikking van 17 juni 2008 heeft bepaald, is de behandeling van de zaak op 1 juli 2008 ten huize van de betrokkene voortgezet ten overstaan van mr. L.J. de Kerpel-van de Poel, waarbij de betrokkene in de gelegenheid is gesteld zijn mening kenbaar te maken. Beschikking is aangezegd tegen heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Het Hof is van oordeel dat de betrokkene, die meerderjarig is, als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen en dat het GEA daarom terecht ter bescherming van de betrokkene een bewind heeft ingesteld over zijn goederen. De betrokkene heeft hierover geen duidelijk standpunt ingenomen. Alle overige verschenen belanghebbenden zijn het op zichzelf met de onderbewindstelling eens.

2.2 De betrokkene heeft tegenover het lid van het Hof geen uitdrukkelijke voorkeur voor de benoeming van een bepaalde persoon als bewindvoerder uitgesproken. Ingevolge

art. 1:435 lid 4 BW wordt, nu de betrokkene niet is gehuwd en geen andere levensgezel heeft, in het algemeen bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot

bewindvoerder benoemd. In het onderhavige geval ziet het Hof echter aanleiding om daarvan af te wijken, nu de vijf zusters ernstige bezwaren hebben tegen de benoeming van appellant en zij zelf niet beschikbaar zijn. In hoeverre de bezwaren van de zusters objectief gerechtvaardigd zijn, kan daarbij in het midden blijven.

2.3 Appellant heeft bij de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat hij alle vertrouwen heeft verloren in de door het GEA benoemde bewindvoerster, omdat zij de gelden van de betrokkene had geblokkeerd. De bewindvoerster heeft verklaard dat zij dit voorlopig had gedaan in afwachting van een op te stellen stappenplan en zij heeft toegezegd onverwijld ervoor te zullen zorgen dat gelden periodiek beschikbaar komen om te voorzien in het levensonderhoud van de betrokkene. Gelet hierop acht het Hof dit bezwaar van appellant tegen de bewindvoerster onvoldoende zwaarwegend. Andere bezwaren zijn niet naar voren gekomen.

2.4 Op grond van het voorgaande verenigt het Hof zich met de keuze van het GEA voor de bewindvoerster. De bestreden beschikking zal daarom worden bevestigd.

BESLISSING:

Het Hof bevestigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.M. Mezas, G.C.C. Lewin en L.J. de Kerpel-van de Poel, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao uitgesproken op 12 augustus 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.