Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2008:BD9075

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
31-07-2008
Zaaknummer
KG 3455/06; H-136/07
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 54, tweede lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: Lar) kan [WERKNEMER] als belanghebbende de bestuursrechter verzoeken een voorlopige voorziening te treffen ter voorkoming van een voor haar onevenredig nadeel als gevolg van de weigering [WERKNEMER] toelating tot Aruba te verlenen. Ook de bestuursrechter zou op korte termijn een oordeel kunnen geven over de gevraagde voorziening. [WERKNEMER] had derhalve de bestuursrechter kunnen verzoeken de in dit kort geding gevorderde voorziening te treffen. [WERKNEMER] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat in redelijkheid niet van haar kan worden verlangd gebruik te maken van de hiervoor bedoelde (met voldoende waarborgen omklede) bestuursrechtelijke rechtsgang. Het Hof heeft daarbij mede in overweging genomen dat [WERKNEMER] ermee bekend was, athans behoorde te zijn, dat zij toestemming nodig had om na terugkomst uit Santa Domingo Aruba weer binnen te kunnen komen, aangezien zij nog niet over een verblijfsvergunning beschikte en dat zij alle gelegenheid heeft gehad om een bewijs van terugkeer aan te vragen en tegen een eventuele (fictieve) weigering bezwaar te maken en bij de bestuursrechter een voorlopige voorziening te vragen. Het was haar immers in ieder geval op 26 augustus 2006 bekend wanneer zij Aruba weer wilde binnen komen. Zij heeft van die mogelijkheid evenwel geen gebruik gemaakt, maar eerst op 28 november 2006 het inleidende verzoekschrift ter griffie van het gerecht ingediend. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is [WERKNEMER] niet-ontvankelijk in haar verzoek.

Hetgeen in rechtsoverweging 2.4 is overwogen geldt evenwel niet voor [WERKGEVER], nu bij de (fictieve) weigering [WERKNEMER] tot Aruba toe te laten slechts het rechtstreekse belang van [WERKNEMER] is betrokken. [WERKGEVER] heeft een afgeleid belang en kan niet beschouwd worden als belanghebbende in de zin van artikel 7, eerste lid, Lar. De omstandigheid dat [WERKGEVER] als (beoogd) werkgever van [WERKNEMER] de vergunning tot tijdelijk verblijf heeft aangevraagd, maakt dat niet anders, aangezien de vergunning blijkens het bepaalde in artikel 7, lid 8, van de Landsverordening Toelating en Uitzetting namens [WERKNEMER] is aangevraagd. Voor [WERKGEVER] stond derhalve geen bestuursrechtelijke rechtsgang open, zodat hij in zijn verzoek kan worden ontvangen en het Hof dient te onderzoeken of het Land onrechtmatig jegens [WERKGEVER] heeft gehandeld door aan [WERKNEMER] geen bewijs van terugkeer te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Burgerlijke zaken 2008

Alg. Reg. No: KG 3455/06; H-136/07

Uitspraak: 15 april 2008

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Vonnis

in het kort geding van:

de openbare rechtspersoon

HET LAND ARUBA,

zetelende in Aruba,

oorspronkelijk gedaagde,

thans appellant,

gemachtigde: mr. M.B. Boyce (DWJZ),

tegen

[Werkgever],

en

[Werknemer],

beiden wonende in Aruba,

oorspronkelijk eisers,

thans geïntimeerden,

gemachtigde: de advocaat mr. A.A.D.A. Carlo.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba, hierna: het gerecht, wordt verwezen naar het tussen partijen onder KG nr. 3455 van 2006 gewezen en op 14 december 2006 in kort geding uitgesproken vonnis.] De inhoud van dat vonnis geldt als hier ingevoegd.

1.2. Appellant is in hoger beroep gekomen van voormeld vonnis door indiening op 22 december 2006 van een daartoe strekkende akte ter griffie van het gerecht. Op 4 januari 2007 heeft appellant een memorie van grieven ingediend, waarin zes grieven zijn aangevoerd en toegelicht. De conclusie van appellant strekt ertoe dat het bestreden vonnis wordt vernietigd, geïntimeerden in hun vordering niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, althans deze zal worden afgewezen met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van de procedure in beide instanties.

1.3. Geïntimeerden hebben vervolgens een memorie van antwoord ingediend, waarbij zij het hoger beroep hebben bestreden. Hun conclusie strekt ertoe dat het bestreden vonnis zal worden bevestigd en dat appellant zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

1.4. Op de daartoe bepaalde dag hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities overgelegd (aan de notities van de gemachtigde van geïntimeerden is één productie gehecht), waarna partijen vonnis is aangezegd. De uitspraak daarvan is nader bepaald op heden.

2. De beoordeling

2.1. Het gaat in deze zaak om het volgende. Geïntimideerde [WERKGEVER], hierna te noemen: [WERKGEVER], draagt de zorg voor zijn bij hem inwonende geestelijk gehandicapte zus [Werknemer] Geïntimeerde [WERKNEMER] verder aan te duiden als: [WERKNEMER], die de Dominicaanse nationaliteit heeft, is sinds 1 juni 2002 als inwonende dienstbode bij [WERKGEVER] in dienst en verzorgt als zodanig de hiervoor bedoelde zus [Werknemer] In verband met het overlijden van haar vader is [WERKNEMER] op 26 augustus 2006 naar de Dominicaanse Republiek gegaan. Het Land weigert haar de toelating tot Aruba. De strekking van de vordering in het inleidende verzoekschrift is dat het Land wordt bevolen er aan mee te werken dat [WERKNEMER] toelating tot Aruba wordt verleend, met veroordeling van het Land in de kosten van het geding.

2.2. Bij het bestreden vonnis heeft het gerecht het land bevolen [WERKNEMER] tot Aruba toe te laten en is het Land veroordeeld in de kosten van de procedure. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.3. De eerste grief richt zich tegen het oordeel van het gerecht dat het bevoegd is van de vordering in kort geding kennis te nemen omdat, hoewel het hier een bestuursrechterlijk geschil betreft, de gestelde en aannemelijk geachte spoed met zich brengt dat in redelijkheid niet van geïntimeerden kan worden verlangd de bestuursrechtelijke weg te bewandelen. De grief slaagt in die zin dat het gerecht ten onrechte heeft aangenomen dat dit een bevoegdheidskwestie betreft. Het gaat in deze om de vraag of geïntimeerden kunnen worden ontvangen in hun vordering bij de burgerlijke (kort geding) rechter. Met betrekking tot deze vraag wordt het volgende overwogen.

2.4. Op grond van artikel 54, tweede lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: Lar) kan [WERKNEMER] als belanghebbende de bestuursrechter verzoeken een voorlopige voorziening te treffen ter voorkoming van een voor haar onevenredig nadeel als gevolg van de weigering [WERKNEMER] toelating tot Aruba te verlenen. Ook de bestuursrechter zou op korte termijn een oordeel kunnen geven over de gevraagde voorziening. [WERKNEMER] had derhalve de bestuursrechter kunnen verzoeken de in dit kort geding gevorderde voorziening te treffen. [WERKNEMER] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat in redelijkheid niet van haar kan worden verlangd gebruik te maken van de hiervoor bedoelde (met voldoende waarborgen omklede) bestuursrechtelijke rechtsgang. Het Hof heeft daarbij mede in overweging genomen dat [WERKNEMER] ermee bekend was, athans behoorde te zijn, dat zij toestemming nodig had om na terugkomst uit Santa Domingo Aruba weer binnen te kunnen komen, aangezien zij nog niet over een verblijfsvergunning beschikte en dat zij alle gelegenheid heeft gehad om een bewijs van terugkeer aan te vragen en tegen een eventuele (fictieve) weigering bezwaar te maken en bij de bestuursrechter een voorlopige voorziening te vragen. Het was haar immers in ieder geval op 26 augustus 2006 bekend wanneer zij Aruba weer wilde binnen komen. Zij heeft van die mogelijkheid evenwel geen gebruik gemaakt, maar eerst op 28 november 2006 het inleidende verzoekschrift ter griffie van het gerecht ingediend. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is [WERKNEMER] niet-ontvankelijk in haar verzoek.

2.5. Hetgeen in rechtsoverweging 2.4 is overwogen geldt evenwel niet voor [WERKGEVER], nu bij de (fictieve) weigering [WERKNEMER] tot Aruba toe te laten slechts het rechtstreekse belang van [WERKNEMER] is betrokken. [WERKGEVER] heeft een afgeleid belang en kan niet beschouwd worden als belanghebbende in de zin van artikel 7, eerste lid, Lar. De omstandigheid dat [WERKGEVER] als (beoogd) werkgever van [WERKNEMER] de vergunning tot tijdelijk verblijf heeft aangevraagd, maakt dat niet anders, aangezien de vergunning blijkens het bepaalde in artikel 7, lid 8, van de Landsverordening Toelating en Uitzetting namens [WERKNEMER] is aangevraagd. Voor [WERKGEVER] stond derhalve geen bestuursrechtelijke rechtsgang open, zodat hij in zijn verzoek kan worden ontvangen en het Hof dient te onderzoeken of het Land onrechtmatig jegens [WERKGEVER] heeft gehandeld door aan [WERKNEMER] geen bewijs van terugkeer te verstrekken.

2.6. Nu geen feiten en (bijzondere) omstandigheden zijn gesteld waaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat het Land specifiek jegens [WERKGEVER] onrechtmatig heeft gehandeld door aan [WERKNEMER] geen toestemming te verlenen naar Aruba terug te keren, dient de vordering van [WERKGEVER] reeds om die reden te worden afgewezen.

2.7. De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd, [WERKNEMER] in haar vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard en de vordering van [WERKGEVER] zal worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij dienen [WERKNEMER] en [WERKGEVER] de kosten van de procedure in beide instanties te dragen. Het salaris van de gemachtigde van het Land zal worden begroot op nihil, aangezien hij als ambtenaar in dienst is van het Land.

3. De beslissing

Het Hof:

Vernietigt het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoende:

Verklaart [WERKNEMER] niet-ontvankelijk in haar vordering;

Wijst de vordering van [WERKGEVER] af;

Veroordeelt [WERKNEMER] en [WERKGEVER] in de kosten van de procedure in beide instanties, tot op heden aan de zijde van het Land begroot op Afl. 198,-- wegens verschotten en voor gemachtigdensalaris op nihil.

Aldus gewezen door mr Polkamp, De Kerpel-van de Poel en Lock, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, en op 15 april 2008 ter openbare terechtzitting in Aruba uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.