Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2008:BD8931

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
04-08-2008
Zaaknummer
HAR 340/07
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingevolge artikel 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (RwNed) hebben verzoekers het Hof verzocht vast te stellen dat hun kind sedert de datum van geboorte, dan wel de datum van erkenning, dan wel met ingang van een door het Hof vast te stellen datum de Nederlandse nationaliteit bezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Registratienr. HAR 340/07

Uitspraak: 15 april 2008

BESCHIKKING GEGEVEN DOOR HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

In de zaak van:

1. [vader],

de vader,

wonende in Aruba,

2. [moeder],

de moeder,

wonende in Aruba,

handelend in hoedanigheid van ouders van het minderjarige kind [kind], geboren op [geboortedatum] 2007 in Aruba, hierna ook te noemen: het kind,

verzoekers,

gemachtigde: mr. Esther Schwengle.

Belanghebbenden:

3. de Minister van Justitie van Aruba,

4. het Openbaar Ministerie van Aruba,

5. het Hoofd Bureau Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister van Aruba.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Bij op 4 december 2007 ingekomen verzoekschrift ingevolge artikel 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna ook: RwNed), met producties, hebben verzoekers het Hof verzocht vast te stellen dat het kind sedert de datum van geboorte, dan wel de datum van erkenning, dan wel met ingang van een door het Hof vast te stellen datum de Nederlandse nationaliteit bezit.

1.2. Namens de Advocaat-Generaal van Aruba is op 10 maart 2008 een schriftelijke Conclusie ex art. 18 van de Rijkswet op het Nederlanderschap gefaxt naar het Hof.

1.3. Op 11 maart 2008 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn de ouders, vergezeld van hun gemachtigde, en de waarnemend Advocaat-Generaal.

1.4. Een heden uit te spreken beschikking is aangezegd.

2. Beoordeling

2.1. In een vergelijkbare Arubaanse zaak heeft de Hoge Raad op 26 januari 2007 (R05/125HR, NJ 2007, 73) het volgende overwogen:

‘4.3 Vooropgesteld zij dat het in deze zaak gaat om een kind van een niet-Nederlandse moeder dat na zijn geboorte door een Nederlander is erkend en dat derhalve, anders dan wanneer het reeds voor zijn geboorte zou zijn erkend (zie art. 3 lid 1 van de Rijkswet), als vreemdeling is geboren. De op 1 april 2003 in werking getreden Rijkswet van 21 december 2000, Stb. 618 heeft de tot die datum in art. 4 van de Rijkswet neergelegde bepaling, die onder meer inhield dat een minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt erkend van rechtswege Nederlander wordt, doen vervallen. Blijkens de Memorie van Toelichting bij het voorstel dat geleid heeft tot de Rijkswet van 21 december 2000 beoogde de Rijkswetgever daarmee een dam op te werpen tegen de gebleken praktijk van oneigenlijke erkenningen, waarbij het instituut van de erkenning uitsluitend werd gebruikt om minderjarige vreemdelingen het Nederlanderschap van rechtswege te doen verkrijgen, zodat zij aan de werking van het vreemdelingenrecht werden onttrokken en een onaantastbaar verblijfsrecht deelachtig werden. In de bedoelde gevallen werd geen feitelijk gezins- of familieverband aangegaan en werd dat ook niet beoogd. Menigmaal kenden erkenner en erkende persoon elkaar zelfs niet (Kamerstukken II 1997-1998, 25 891 (R 1609), nr. 3, blz. 4 en blz. 7).

4.4 Sedert 1 april 2003 wordt ingevolge het huidige art. 4 lid 1 van de Rijkswet wèl Nederlander - zij het niet met terugwerkende kracht - de minderjarige vreemdeling die het kind is van een Nederlander wiens vaderschap gerechtelijk wordt vastgesteld (zie art. 1:207 van het Nederlandse BW; het Arubaanse burgerlijk recht kent geen vergelijkbare procedure). Klaarblijkelijk heeft de Rijkswetgever in de door art. 1:207 BW gestelde eis van het verwekkerschap voldoende waarborg gelegen geacht tegen eventueel gebruik van de procedure van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap teneinde op oneigenlijke gronden een minderjarige vreemdeling Nederlander te laten worden.

4.5 Dit een en ander brengt mee dat de wijziging van de Rijkswet waardoor een minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt erkend niet langer van rechtswege Nederlander wordt, haar doel voorbijschiet in gevallen waarin de erkenner in rechte aantoont dat hij de verwekker van het kind is, en dat de Rijkswet ten aanzien van de nationaliteitsgevolgen een niet te rechtvaardigen verschil in behandeling maakt tussen een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap en een postnatale erkenning met gerechtelijk bewijs van verwekkerschap.

4.6 Terecht heeft het hof dan ook onder verwijzing naar art. 26 IVBPR een postnatale erkenning in combinatie met gerechtelijk bewijs van het verwekkerschap met het oog op de toepassing van art. 4 van de Rijkswet gelijkgesteld met een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap en op die basis de ouders toegelaten te bewijzen dat de vader de verwekker van het kind is, en nadat dat bewijs was geleverd, vastgesteld dat het kind Nederlander wordt met ingang van de in art. 4 van de Rijkswet bedoelde datum. (...).’

2.2. In de onderhavige zaak is het kind op [geboortedatum] 2007 geboren. De vader, die de Nederlandse nationaliteit bezit, heeft het kind op 19 september 2007, aldus twee dagen na de geboorte, erkend. Door de verzoekers is een rapport, gedateerd 8 oktober 2007, overgelegd van Genelex Corporation Washington, ingeschakeld door I.L. Laboratorio Familiar N.V. Aruba, waarin wordt geconcludeerd dat uit het DNA-vaderschapsonderzoek is af te leiden dat de vader met een waarschijnlijkheid van 99.9989% de biologische vader is van het kind.

2.3. In een andere Arubaanse zaak heeft het Hof bij tussenbeschikking van 13 maart 2007 (HAR 158/06) geoordeeld dat de keten van bewijs niet afdoende is gedocumenteerd, zodat opnieuw DNA-onderzoek zal moeten worden verricht. Het Hof heeft gerefereerd aan de conclusie van de Nederlands-Antilliaanse Advocaat-Generaal in een Sint Maartense zaak HAR 333/06, waarin het volgende is gesteld:

‘Indien men in Nederland verblijft moet het onderzoek op grond van een werkinstructie van de IND [te] geschieden door het Forensisch Laboratorium van de Universiteit te Leiden. Indien men in het buitenland verblijft kan DNA materiaal worden afgenomen door tussenkomst van de Nederlandse Vertegenwoordiger om te worden onderzocht in Leiden. De betrekkelijk geringe kosten (bijna Euro 200,-) zijn voor rekening van verzoekers.’

Voorts heeft het Hof overwogen:

‘De vertegenwoordiger van het Koninkrijk in Aruba is de Gouverneur. Het komt het Hof voor dat de beste oplossing is dat verzoekers zich wenden tot het kabinet van de Gouverneur en dat het kabinet, bij voorkeur in overleg met de Advocaat-Generaal die te zijner tijd zal moeten concluderen, bepaalt op welke wijze afname van lichaamsmateriaal en verzending naar het Forensisch Laboratorium te Leiden dienen plaats te vinden’.

2.4. De feiten in de onderhavige zaak verschillen echter van die in zaak HAR 158/06. In casu is ter zitting aannemelijk geworden dat de ouders samenwoonden ten tijde van de conceptie, al waren zij niet op hetzelfde adres ingeschreven, en heeft de vader het kind twee dagen na de geboorte erkend.

2.5. Er zijn geen aanwijzingen dat de moeder ten tijde van de geboorte gehuwd was met een andere man. Het kind woont in Aruba.

2.6. De Advocaat-Generaal stelt dat het bewijs van vaderschap van verzoeker sub 2 alleen geleverd kan worden geacht indien voldaan wordt aan bepaalde kwaliteitseisen. Om deze reden verzoekt hij het Hof om eisen te stellen aan forensische bewijsvoering inzake biologische afstamming. Het Hof heeft geen aanleiding te veronderstellen dat in casu bij de afname van lichaamsmateriaal van verzoeker sub 1 en het kind en de verzending daarvan fraude of onnauwkeurigheden hebben plaatsgevonden.

2.7. Weliswaar heeft het Hof recentelijk in andere zaken geoordeeld dat ten aanzien van verzoeken tot vaststelling van het Nederlanderschap van na 1 oktober 2007 de eis om onderzoeken tot vaststelling van het vaderschap via tussenkomst van het Landslaboratorium door het Forensisch Laboratorium van de Universiteit te Leiden te laten verrichten in beginsel zal worden gesteld, maar in casu heeft de gemachtigde van verzoekers verklaard daarvan niet te hebben geweten. Bovendien is, naar moet worden aangenomen, de opdracht tot vaderschapsonderzoek aan I.L. Laboratorio Familiar N.V. Aruba gedaan vóór 1 oktober 2007.

2.8. In het onderhavige geval zal het Hof daarom voormelde eis niet aanleggen. In het onderhavige geval twijfelt het Hof – ermee rekening houdende dat in het kader van artikel 17 RwNed aan het bewijs strengere eisen gesteld behoren te worden dan in een privaatrechtelijke zaak – niet aan het verwekkerschap van verzoeker sub 1.

2.9. Nu de vader binnen de wettelijke termijn van aangifte van geboorte van het kind dit erkend heeft, is geen beletsel dat hij ten tijde van de erkenning (nog) gehuwd was met een andere vrouw dan de moeder (artikel 1: 204 onder e BW). Bovendien is aannemelijk dat hij de biologische vader is.

2.10. Het verzoek als bedoeld in artikel 17 RwNed zal daarom worden toegewezen, met dien verstande dat bij de vaststelling van de datum van ingang van het Nederlanderschap aansluiting wordt gezocht bij artikel 4 lid 1 RwNed, aangezien de postnatale erkenning met gerechtelijk bewijs van vaderschap in dit verband wordt gelijkgesteld met de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Dit artikel 4 lid 1 RwNed luidt:

‘In afwijking van artikel 3 wordt Nederlander het kind van een persoon wiens vaderschap gerechtelijk wordt vastgesteld, indien het kind op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig was en de vader op de in de volgende zin bedoelde dag Nederlander is, of, indien deze is overleden, op de dag van overlijden Nederlander was. Betreft het een Nederlandse uitspraak dan verkrijgt het kind het Nederlanderschap op de eerste dag na een periode van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in eerste aanleg of, indien binnen deze periode hoger beroep is ingesteld, van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in hoger beroep, dan wel, indien binnen deze laatste periode beroep in cassatie is ingesteld, op de dag van de uitspraak in cassatie. Betreft het een buitenlandse rechterlijke uitspraak dan verkrijgt het kind het Nederlanderschap op de dag waarop deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen.’

2.11. De onderhavige uitspraak geldt voor de toepassing van deze bepaling als ‘Nederlandse uitspraak’. Het nederlanderschap is een rijksaangelegenheid en niet aannemelijk is dat bedoeld is verschil te maken tussen uitspraken van gerechten in Nederland en die in andere landen van het Koninkrijk. Van de onderhavige uitspraak staat ingevolge de Cassatieregeling Nederlandse Antillen en Aruba cassatieberoep open.

2.12. Uit het voorgaande volgt dat de gevraagde terugwerkende kracht niet aan deze beschikking kan worden verbonden.

3. Beslissing

Het Hof:

- stelt vast dat [kind], geboren op [geboortedatum] 2007 in Aruba, Nederlander wordt met ingang van de in artikel 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap bedoelde [d]atum;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.M. Mezas, J. de Boer en F.J.P. Lock, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2008 in Aruba, in tegenwoordigheid van de griffier.