Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2007:BG2183

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
04-06-2007
Datum publicatie
31-10-2008
Zaaknummer
156 HLAR 30/06
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekennen van een Mobile Country Code (MCC).

1) Toekennen van een MCC door de directeur Telecommunicatiezaken met toepassing van een hem ingevolge een concessie toekomende bevoegdheid is op enig rechtsgevolg gericht. Beschikking in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Lar.

2) Geen sprake van nova.

Aangevallen uitspraak bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

156 HLAR 30/06

Datum uitspraak: 4 juni 2007

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de naamloze vennootschap "New Millenium Telecom Services N.V." h.o.d.n. Digicel, gevestigd in Aruba,

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 5 juli 2006 in het geding tussen:

appellante

en

de directeur van de Directie Telecommunicatiezaken.

1. Procesverloop

Bij brief van 13 mei 2002 heeft appellante de directeur van de Directie Telecommunicatiezaken (hierna: de directeur) verzocht haar een Mobile Country Code (hierna: MCC), een Mobile Network Code (hierna: MNC) en een Network Colour Code (hierna: NNC) toe te kennen.

Bij brief van 9 oktober 2002 heeft de directeur aan appellante bericht dat aan haar de MCC van Aruba 363, de MNC 20 en de NCC 2 zijn toegekend.

Bij brief van 11 mei 2004 heeft appellante de directeur verzocht om haar ontheffing te verlenen van de verplichting om de MCC van Aruba te gebruiken en vergunning te verlenen om de MCC 338 van Jamaica te gebuiken.

Bij brief van 27 september 2004 heeft de directeur appellante medegedeeld dat voor een ontheffing, als door haar verzocht, geen wettelijke grondslag bestaat en haar verder verwezen naar artikel 15 van de aan haar verleende concessie.

Bij beschikking van 26 april 2005 heeft de directeur het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 juli 2006 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 12 augustus 2006, bij het Gerecht ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Bij brief van19 september 2006 heeft de directeur van antwoord gediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A.C.G. Bikker, advocaat, en de directeur, vertegenwoordigd door K. Vis, S. Tromp en T. Correa, werkzaam aldaar, bijgestaan door mr. A.J. Swaen, advocaat, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellante betoogt dat – samengevat weergegeven – het Gerecht voormelde brief van 9 oktober 2002, nu deze slechts een mededeling van informatieve aard bevat, ten onrechte als inhoudend een beschikking in de zin van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) heeft aangemerkt en aldus heeft miskend dat de brief van appellante van 11 mei 2004 geen verzoek om heroverweging was en de directeur ten onrechte niet op dat verzoek heeft beslist.

2.1.1. Ingevolge artikel 2 van de Telegraaf- en Telefoonverordening (hierna: de Ttv), voor zover thans van belang, is een bij landsbesluit verleende concessie vereist voor het aanleggen en in werking brengen van telegrafen en telefonen, voor zover zulks door anderen dan het Land geschiedt.

Bij Landbesluit van 5 juli 2002, no. 1 heeft de Minister van Algemene Zaken aan appellante concessie verleend voor de aanleg, instandhouding en exploitatie van een mobiel openbaar telefoonnetwerk in Aruba (hierna: de concessie).

Ingevolge artikel 14 van de aldus verleende concessie dient het mobiel openbaar telefoonnetwerk van appellante te voldoen aan de door internationale organisaties vastgestelde normen, standaarden en specificaties en de voor GSM gestelde kwaliteitseisen.

Ingevolge artikel 15 dient appellante ervoor zorg te dragen dat het mobiele openbare telefoonnetwerk zich met behulp van de door de directeur gegeven richtlijnen en nummercodes identificeert.

2.1.2. Het betoog faalt. De directeur heeft bij de brief van 9 oktober 2002 toepassing gegeven aan de hem ingevolge artikel 15 van de concessie toekomende bevoegdheid om aan appellante onder meer een MCC toe te kennen. De brief van 9 oktober 2002 behelst aldus een op enig rechtsgevolg gerichte beschikking in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Lar.

2.2. Appellante betoogt subsidiair dat het Gerecht in elk geval heeft miskend dat de directeur in het aangevoerde ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om van de beschikking van 9 oktober 2002 terug te komen.

2.2.1. Anders dan appellante betoogt, is de omstandigheid dat de directeur appellante heeft aangeschreven het gebruik door haar van de MCC van Jamaica te staken, omdat dat gebruik niet strookt met de haar verleende concessie, geen nieuw feit of veranderde omstandigheid waarin de directeur aanleiding moest vinden om van die beschikking terug te komen, maar louter een maatregel tot handhaving van die beschikking.

Voor zover appellante in dit verband verwijst naar de uitspraak van het Hof van 25 februari 2004 in de zaken nos. 146 en 154/2002, wordt overwogen dat in die zaken geen toekenning van een MCC aan de orde was. Dat het Hof in die uitspraak heeft overwogen dat de concessietermijn bij de nieuw vast te stellen concessievoorwaarden met zes maanden dient te worden verlengd, is evenmin een omstandigheid die de directeur aanleiding diende te geven om van de beschikking van 9 oktober 2002 terug te komen. Dat, naar appellante stelt, in enkele landen wel van een MCC van een ander land gebruik wordt gemaakt, is dat ook niet. Het gestelde geeft geen grond voor het oordeel dat de directeur niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan het beleidsuitgangspunt dat geen andere MCC wordt toegekend, dan volgens de internationale afspraken aan het land is toebedacht.

Het betoog faalt evenzeer.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling biedt de Lar geen mogelijkheid.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Martinez, griffier.

w.g. Ter Berg

Voorzitter w.g. Martinez

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2007