Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2007:BG1004

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
04-06-2007
Datum publicatie
21-10-2008
Zaaknummer
106 HLAR 22/05
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekennen van een Public Land Mobile Network-Code.

De directeur BT&P heeft in redelijkheid kunnen besluiten tot het voeren van het beleid dat bij het toekennen van een MCC krachtens artikel 13, eerste lid, van de concessie, de in het "Complement to ITU-T Recommendation E.212 List of Mobile Country of Geographical Area Codes" van de ITU neergelegde aanbevelingen in beginsel worden gevolgd. Geen sprake van bijzondere omstandigheden die de directeur noopten tot afwijking van dit beleid.

Aangevallen uitspraak bevestigd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

106 HLAR 22/05

Datum uitspraak: 4 juni 2007

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de naamloze vennootschap "Communication Systems Curaçao N.V.", gevestigd te Curaçao,

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 9 mei 2005 in het geding tussen:

appellante

en

de Directeur van het Bureau Telecommunicatie en Post.

1. Procesverloop

Bij beschikking van 20 juli 2004, nr. BT2004/DIR-300, voor zover thans van belang, heeft de Directeur van het Bureau Telecommunicatie en Post (hierna: de directeur) aan appellante de Public Land Mobile Network-Code (hierna: NC) 36263, bestaande uit de Mobile Country Code (hierna: MCC) voor de Nederlandse Antillen 362 en de Mobile Network Code (hierna: MNC) 63, toegewezen.

Bij uitspraak van 9 mei 2005 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (hierna: het Gerecht), voor zover thans van belang, het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, die beschikking vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij het Hof ingekomen op 20 juni 2005, hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Bij brief van 18 augustus 2005 heeft de directeur van antwoord gediend.

Het Hof heeft de zaak, nadat dat eerder op verzoek van appellante was uitgesteld, ter zitting behandeld op 27 maart 2007, waar de directeur, vertegenwoordigd door mr. J. van Schendel, werkzaam bij de Directie Wetgeving en Juridische Zaken, en mr. C. Sandries, werkzaam bij het Bureau Telecommunicatie en Post, bijgestaan door mr. A.C. Small, advocaat, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij Landsbesluit van 17 december 2002, no. 2, is aan appellante concessie verleend voor het aanleggen, in stand houden en exploiteren van een openbare mobiele telecommunicatie-infrastructuur ten behoeve van mobiele telecommunicatie binnen haar verzorgingsgebied (hierna: de concessie).

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de aldus verleende concessie identificeert appellante haar GSM mobiele telecommunicatie-infrastructuur met behulp van een door de directeur toegewezen NC, bestaande uit de MCC en een National Destination Code (hierna: MNC) en de mobiele toestellen van de contractanten met behulp van een door de directeur toegewezen MSISDN, bestaande uit de MCC, MNC en abonneenummer, conform het E.164 nummerplan.

2.2. Het Gerecht heeft de beschikking van 20 juli 2004 vernietigd, omdat daarin de keuze voor het volgen van de aanbeveling van de International Telecommunication Union (hierna: ITU) bij het toekennen van de NC niet toereikend is gemotiveerd, nu daaruit niet blijkt dat daaraan een belangenafweging ten grondslag ligt. Het heeft de rechtsgevolgen van de beschikking echter in stand gelaten, omdat hangende beroep alsnog een op een belangenafweging gegronde dragende motivering voor de beschikking is gegeven.

2.3. Appellante klaagt dat het Gerecht zijn oordeel over de alsnog gegeven motivering ten onrechte uitsluitend heeft gebaseerd op het door de directeur in de procedure gebrachte rapport van J. van Rees van 11 juni 2004 (hierna: het rapport) met voorbijgaan aan door haar daartegen ingebrachte argumenten en bescheiden en aldus het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden.

2.3.1. Dat betoog faalt. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het rapport zodanige gebreken of tekortkomingen vertoont, dat het Gerecht dit rapport in verband daarmee niet bij de beoordeling van die beschikking heeft mogen betrekken. Voorts betekent de omstandigheid dat het Gerecht met instemming uit het rapport heeft geciteerd niet dat het geen kennis heeft genomen van de door appellante overgelegde bescheiden of daarmee geen rekening heeft gehouden. Ook anderszins bestaat geen reden om dat aan te nemen.

2.4. Appellante betoogt evenzeer tevergeefs dat het Gerecht heeft miskend dat aan de hangende beroep gegeven nadere motivering van de directeur evenmin een behoorlijke belangenafweging ten grondslag ligt als aan de vernietigde beschikking. De wijziging van de aan haar toegekende NC die appellante heeft verzocht betreft zowel de MCC, als de MNC. Ten tijde van de beschikking van 20 juli 2004 was het in artikel 13, eerste lid, van de concessie bedoelde nummerplan niet vastgesteld. Bij het toekennen van een MCC krachtens artikel 13, eerste lid, van de concessie heeft de directeur toepassing gegeven aan het gevoerde beleid dat de in het "Complement to ITU-T Recommendation E.212 List of Mobile Country of Geographical Area Codes" van de ITU neergelegde aanbevelingen in beginsel worden gevolgd. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, heeft het Gerecht terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de directeur niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten dit beleid te voeren. Dat de aanbevelingen van het ITU niet verplichtend zijn, betekent niet dat de directeur deze niet in beginsel mag volgen. Voorts is niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden, dat de directeur in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren om appellante in verband daarmee in afwijking van het gevoerde beleid tegemoet te komen, als door haar verzocht.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Martinez, griffier.

w.g. Ter Berg

Voorzitter w.g. Martinez

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2007