Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2006:BG1608

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
27-11-2006
Datum publicatie
27-10-2008
Zaaknummer
134 HLAR 08/06
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In rekening brengen van deviezenprovisie wegens betalingen aan het buitenland.

Uit de Landsverordening deviezenprovisie, noch uit de Lar volgt dat een beschikking in een of meer der talen van het Land moet zijn gesteld om geldig te zijn. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de Bank uit een oogpunt van doelmatigheid niet mocht kiezen voor een taal die appellanten als voertaal gebruiken. Dat het controlebeleid van de Bank gericht is op ingezetenen die hun betalingen aan het buitenland via aangemelde buitenlandse bankrekeningen uitvoeren en als gevolg daarvan mogelijk niet wordt vastgesteld dat niet aan de verplichting om deviezenprovisie te betalen wordt voldaan, betekent niet dat de heffing in geval dat wel wordt vastgesteld om die reden in strijd is met het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur.

Aangevallen uitspraak bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

134 HLAR 08/06

Datum uitspraak: 27 november 2006

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de naamloze vennootschappen "Valero Refining Company-Aruba N.V." en "Valero Marketing & Supply-Aruba N.V.", beide gevestigd in Aruba,

appellanten,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 8 maart 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

de Centrale Bank van Aruba.

1. Procesverloop

Bij beschikkingen van 8 april 2004 heeft de Centrale Bank van Aruba (hierna: de Bank) appellanten deviezenprovisie wegens betalingen aan het buitenland gedurende het derde kwartaal van 2003 in rekening gebracht.

Daartegen hebben appellanten bij brief van 7 mei 2004 bezwaar gemaakt.

Tegen het uitblijven van een beslissing op het aldus gemaakte bezwaar hebben zij bij brief, ingekomen op 10 november 2004, beroep ingesteld bij het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht).

Bij beschikking van 6 januari 2005 heeft de Bank het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 17 februari 2005 hebben appellanten tegen deze beschikking beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 8 maart 2006 heeft het Gerecht het beroep, voor zover gericht tegen het uitblijven van een beslissing op het gemaakte bezwaar, niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij het Gerecht ingekomen op 19 april 2006, hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Bij brief, bij het Hof ingekomen op 12 juni 2006, heeft de Bank van antwoord gediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door mrs. H.S. Croes en R.L.H. IJzerman, beiden advocaat, mr. P.J. Tchong, belastingadviseur, en K. Norwood, financial controller, en de Bank, vertegenwoordigd door mr. J.P. Sjiem Fat, advocaat, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten klagen allereerst dat het Gerecht het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het door hen gemaakte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.1.1. Dit betoog faalt. Het Gerecht heeft met juistheid overwogen dat appellanten geen belang meer hadden bij dat beroep, nu de Bank op 6 januari 2005 alsnog op het gemaakte bezwaar heeft beslist en appellanten tegen die beslissing beroep hebben ingesteld.

2.2. Ingevolge artikel 11 van de Landsverordening deviezenverkeer (hierna: Ldv) dienen, behoudens ontheffing, betalingen aan niet-ingezetenen in ongeacht welke buitenlandse geldsoort te geschieden, hetzij ten laste van een rekening ten name van de Bank of ten name van een deviezenbank luidende in die geldsoort hetzij ten gunste van een rekening ten name van de niet-ingezetene in de boeken van de Bank of van een deviezenbank luidende in die geldsoort.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, zijn, indien ingezetenen de aan hen toebehorende buitenlandse geldswaardige papieren of buitenlandse vorderingen niet hebben verkocht of ter inning hebben afgegeven en overgedragen aan een deviezenbank, zij gehouden onverwijld tot inning over te gaan van de hun toebehorende buitenlandse geldswaardige papieren of buitenlandse vorderingen, zodra een geldswaardig papier betaalbaar of een vordering opeisbaar is.

Ingevolge het tweede lid dient de inning, bedoeld in het eerste lid, te geschieden, hetzij door het te vorderen bedrag te doen storten op een rekening in het buitenland ten name van de Bank of ten name van een deviezenbank hetzij door het te vorderen bedrag te doen betalen ten laste van een tegoed van een niet-ingezetene van de Bank of van een deviezenbank.

Ingevolge het derde lid is, indien de inning van een buitenlands geldswaardig papier of van een buitenlandse vordering plaatsvindt op een wijze, bedoeld in het tweede lid, creditering van het desbetreffende bedrag op een in een buitenlandse geldsoort luidende rekening ten name van de ingezetene bij de Bank of bij een deviezenbank toegestaan.

Ingevolge het vierde lid kan van de bepalingen van dit artikel ontheffing worden verleend.

Ingevolge artikel 19 (oud), voor zover thans van belang, kan de Bank verklaren dat ten aanzien van het betalingsverkeer de buitengaatse onderneming als een niet-ingezetene wordt aangemerkt.

2.2.1. Ingevolge artikel IX, tweede lid, van de Invoeringsverordening Landsverordening dividendbelasting en imputatiebetaling, voor zover thans van belang, blijven voor vennootschappen die ingevolge het eerste lid een beroep doen op toepassing van de artikelen 8a, 8b, 14, 14a, 15, derde en vierde lid, van de Landsverordening winstbelasting en de Garantieverordening winstbelasting, de bepalingen van die landsverordeningen, alsmede de Ldv, zoals deze op 31 december 2002 luiden, van kracht gedurende het tijdvak, eindigend op de laatste dag van het boekjaar dat aangevangen is voor 1 juli 2007.

2.2.2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder b, van de Landsverordening deviezenprovisie (hierna: de Landsverordening), voor zover thans van belang, worden onder ingezetenen verstaan: rechtspersonen die in Aruba zijn gevestigd.

Ingevolge het tweede lid, onder d, voor zover thans van belang, worden onder niet-ingezetenen verstaan: de door de Bank als niet-ingezetenen aangemerkte rechtspersonen, naamloze vennootschappen en andere instellingen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, zijn ingezetenen ter zake van een betaling aan het buitenland onder de naam "deviezenprovisie" een commissie aan het Land verschuldigd.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, dragen ingezetenen de door hen verschuldigde deviezenprovisie aan de Bank af, hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van een door de Bank aangewezen instelling.

Ingevolge het tweede lid geschiedt de afdracht op aangifte volgens door de Bank te stellen richtlijnen.

Ingevolge artikel 5 heeft de Bank het heffen en innen van de deviezenprovisie overeenkomstig de voorschriften van de Landsverordening tot taak.

Ingevolge artikel 7, derde lid, kan de Bank bij het vaststellen van de hoogte van de verschuldigde deviezenprovisie gebruikmaken van gegevens die haar bij de uitoefening van haar andere wettelijke taken bekend zijn geworden. Artikel 4, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, kan de Bank, indien een ingezetene ontvangsten uit het buitenland heeft, waartegenover hij naar het oordeel van de Bank gelijksoortige betalingen aan het buitenland verricht, aan de betrokkene machtiging verlenen de ontvangsten en de betalingen gedurende een in de machtiging genoemde periode met elkaar te verrekenen en over het saldo deviezenprovisie af te dragen, voor zover dit saldo resulteert in een betaling aan het buitenland, als bedoeld in artikel 2.

Ingevolge het tweede lid wordt een betaling beschouwd als gelijksoortig aan een ontvangst in de zin van het eerste lid, indien de aard van de transactie, ter zake waarvan de ontvangst en betaling plaatsvinden, naar het oordeel van de Bank als gelijksoortig kan worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 11 kan, de Bank gehoord, bij Landsbesluit, houdende algemene maatregelen aan bepaalde instellingen of groepen van personen vrijstelling worden verleend van de verplichting tot betaling van deviezenprovisie, bedoeld in artikel 4.

2.2.3. Ingevolge het krachtens die bepaling vastgestelde Landsbesluit regeling deviezenprovisievrijstelling (hierna: Lbdpv) zijn van de verplichting tot betaling van deviezenprovisie vrijgesteld:

a. het Land en de in Aruba gevestigde publiekrechtelijke rechtspersonen;

b. naamloze vennootschappen, waarvan de aandelen direct of indirect en geheel of nagenoeg geheel worden gehouden door het Land;

c. in Aruba gevestigde spaarfondsen, pensioenfondsen en levensverzekeringsmaatschappijen ter zake van transacties die uitsluitend ten doel hebben de bij de transacties betrokken gelden te beleggen in het buitenland;

d. de in Aruba gevestigde luchtvaartonderneming die bij landsbesluit als nationale luchtvaartmaatschappij is aangewezen;

e. die luchtvaartmaatschappijen, die zijn aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 3 van de op 7 november 1986 te Washington tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika gesloten overeenkomst inzake het luchtvervoer tussen Aruba en de Verenigde Staten van Amerika;

f. in Aruba gevestigde deviezenbanken ten behoeve van betalingen in het kader van beleggings- en financieringsactiviteiten die voor rekening en risico van die banken zelf worden aangegaan.

2.3. De klacht van appellanten dat het Gerecht heeft miskend dat artikel 4 van de Landsverordening een heffing, als door de Bank aan hen opgelegd, niet toelaat, faalt. Het Gerecht heeft uit artikel 4, eerste lid, van de Landsverordening terecht afgeleid dat met afdracht van verschuldigde deviezenprovisie, zowel rechtstreekse betaling daarvan door de ingezetene, als voldoening door tussenkomst van een door de Bank aangewezen instelling is bedoeld. De wijze van voldoening of afdracht van deviezenprovisie op aangifte door ingezetenen is geregeld bij de krachtens het tweede lid vastgestelde richtlijnen. Ingevolge die richtlijnen stelt de Bank binnen één maand na ontvangst van het aangifteformulier een definitieve heffingsnota op, waarin het door de ingezetene, houder van een buitenlandse bankrekening, nog te betalen, onderscheidenlijk te ontvangen bedrag aan deviezenprovisie wordt vermeld.

Het Gerecht heeft met juistheid overwogen dat artikel 4, tweede lid, van de Landsverordening en de krachtens die bepaling gestelde richtlijnen grondslag bieden voor de aan appellanten opgelegde heffingsnota's.

2.4. Appellanten klagen verder dat het Gerecht heeft miskend dat kwartaalrapportageformulieren niet geschikt zijn voor gebruik als aangifteformulier voor deviezenprovisie, omdat die hun regeling in de Ldv vinden en niet in de Landsverordening.

2.4.1. Ook deze klacht faalt. Het Gerecht heeft met juistheid overwogen dat het oordeel over de geschiktheid van het kwartaalrapportageformulier voor gebruik als aangifteformulier voor deviezenprovisie aan de Bank is en zij ingevolge artikel 7, derde lid, van de Landsverordening bij het vaststellen van de hoogte van de verschuldigde deviezenprovisie gebruik mag maken van gegevens die haar bij de uitoefening van haar andere wettelijke taken bekend zijn geworden.

2.5. Appellanten klagen voorts dat het Gerecht heeft miskend dat de krachtens artikel 4, tweede lid, van de Landsverordening door de Bank vastgestelde richtlijnen op hen niet van toepassing zijn, aangezien zij de buitenlandse bankrekeningen, waar de heffingsnota's betrekking op hebben, niet bij de Bank hebben aangemeld en evenmin voor die bankrekeningen ontheffing hebben verkregen van het bepaalde in de artikelen 11 en 12 van de Ldv.

2.5.1. In de omstandigheid dat de rekeningen die appellanten bij Bankers Trust aanhielden in de periode, waarop de heffing betrekking heeft, naar gesteld, niet bij de Bank zijn aangemeld, zodat daarvoor geen ontheffing van de artikelen 11 en 12 van de Ldv is verleend, heeft het Gerecht terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de krachtens artikel 4, tweede lid, van de Landsverordening vastgestelde richtlijnen daarop niet van toepassing zijn. De Landsverordening bepaalt niet dat de bevoegdheid van de Bank om deviezenprovisie te heffen afhankelijk is van het aangemeld zijn van de desbetreffende buitenlandse bankrekeningen, dan wel van de omstandigheid of voor die rekeningen ontheffing van het bepaalde in de artikelen 11 en 12 van de Ldv is verleend. Er is ook anderszins geen reden om dat aan te nemen.

Het betoog faalt.

2.6. Het betoog van appellanten dat het Gerecht heeft miskend dat de heffingsnota's nietig zijn, omdat deze in het Engels zijn gesteld, faalt evenzeer. Uit de Landsverordening, noch uit de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) volgt dat een beschikking in een of meer der talen van het Land moet zijn gesteld om geldig te zijn. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de bank uit een oogpunt van doelmatigheid niet mocht kiezen voor een taal die appellanten als voertaal gebruiken.

2.7. Appellanten klagen ook dat het Gerecht heeft miskend dat zij er, gelet op de tussen het Land Aruba en hun rechtsvoorgangster The Coastal Corporation gesloten overeenkomst van 19 oktober 1989, op mochten vertrouwen dat zij van heffing van deviezenprovisie zouden zijn vrijgesteld. Voorts betogen zij dat het Gerecht heeft miskend dat door de sedert 2004 met het Land gevoerde onderhandelingen rechtens te honoreren verwachtingen zijn gewekt dat hun geen heffing van deviezenprovisie zou worden opgelegd.

2.7.1. Ook dat betoog faalt. Het Gerecht heeft met juistheid overwogen dat de door appellanten bedoelde overeenkomst geen ongeclausuleerde toezegging bevat dat de bepalingen met betrekking tot deviezenprovisieheffing niet op The Coastal Corporation zouden worden toegepast, nog daargelaten welke betekenis zodanige toezegging zou hebben, als zij was gedaan. Appellanten hebben voorts gesteld noch aannemelijk gemaakt dat hun bij onderhandelingen met het Land is toegezegd dat zij van de heffing van deviezenprovisie gevrijwaard zouden zijn, waarbij het Hof opnieuw in het midden laat, welke betekenis zodanige toezegging zou hebben, als zij was gedaan.

2.8. Appellanten betogen dat het Gerecht heeft miskend dat zij, nu zij als buitengaatse onderneming of offshore vennootschap dienen te worden aangemerkt, als zodanig op grond van het 'offshore regime' van deviezenprovisieheffing zijn vrijgesteld.

2.8.1. Nu de in artikel 19 (oud) van de Ldv, gelezen in samenhang met artikel 1, tweede lid, onder d, van de Landsverordening, geregelde mogelijkheid om aan buitengaatse ondernemingen vrijstelling van deviezenprovisieheffing te verlenen - door appellanten aangeduid als het offshore regime - op 1 januari 2003 is vervallen en geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken, in verband waarmee artikel IX, eerste lid, van de Invoeringsverordening Landsverordening dividendbelasting en imputatiebetaling op appellanten van toepassing moet worden geacht, faalt het betoog dat het Gerecht heeft miskend dat zij aan die bepalingen aanspraak ontlenen op vrijstelling van deviezenprovisieheffing reeds om die reden.

2.9. Het Gerecht heeft voorts in het in beroep aangevoerde terecht evenmin aanleiding gezien voor het oordeel dat appellanten, zoals zij betogen, als zogenoemde imputatie N.V. aangemerkt dienen te worden, nu zij met betrekking tot het boekjaar waarop de heffing betrekking heeft niet voor deze status hebben gekozen.

Dit betoog faalt evenzeer.

2.10. Appellanten klagen voorts dat het Gerecht heeft miskend dat de wijze waarop de Bank ten aanzien van hen bij het heffen van deviezenprovisie aan de Landsverordening uitvoering geeft willekeurig is en een ongeoorloofde ongelijke behandeling van hen oplevert ten opzichte van ingezetenen die overboekingen naar derden via niet bij de Bank aangemelde buitenlandse bankrekeningen uitvoeren.

2.10.1. Zoals het Hof eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 juni 2006 in zaak no. 107 HLAR 27/05), is in zoverre van gelijke gevallen of vergelijkbare gevallen die ten onrechte verschillend worden behandeld geen sprake. Dat sommige ingezetenen, naar gesteld, in strijd met de Landsverordening geen deviezenprovisie betalen, doet aan de verplichtingen van appellanten niet af. Dat het controlebeleid van de Bank gericht is op ingezetenen die hun betalingen aan het buitenland via aangemelde buitenlandse bankrekeningen uitvoeren en als gevolg daarvan mogelijk niet wordt vastgesteld dat niet aan de verplichting om deviezenprovisie te betalen wordt voldaan, betekent niet dat heffing in geval dat wel wordt vastgesteld om die reden in strijd is met het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur. Appellanten hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat, zoals zij ter zitting hebben gesteld, de Bank haar controlebeleid met opzet zo heeft ingericht, dat ongelijkheid bij de heffing ontstaat.

Het betoog faalt.

2.11. Appellanten betogen evenzeer tevergeefs dat het Gerecht heeft miskend dat de heffing tevens een ongeoorloofde ongelijke behandeling van hen oplevert ten opzichte van onder meer het voormalige Wickland Oil, vrije zone-N.V.'s en militair personeel, die door de Bank van betaling van deviezenprovisie zijn vrijgesteld.

Gesteld noch gebleken is dat appellanten de Bank om vrijstelling van de verplichting om deviezenprovisie te betalen hebben verzocht. Er ligt ook geen weigering om zodanige vrijstelling te verlenen ter toets voor.

2.12. Appellanten klagen ook dat het Gerecht heeft miskend dat zij ten onrechte niet bij het Lbdpv, of op gelijke gronden als de daarin vermelde categorieën van ingezetenen, van betaling van deviezenprovisie zijn vrijgesteld.

2.12.1. Deze klacht faalt. Appellanten vallen niet onder de in artikel 1, aanhef en onder a tot en met f, van het Lbdpv vermelde categorieën van ingezetenen. De besluitgever is in beginsel vrij de categoriale vrijstelling te regelen. Slechts als geoordeeld moet worden dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen, kan het Landsbesluit deswege onverbindend zijn. Voorts kan het Landsbesluit strijdig zijn met artikel 26 van het Internationale Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (hierna: IVBPR) als voor het gemaakte onderscheid geen redelijke objectieve grond bestaat. Voor geen van beide oordelen is voldoende gesteld en gebleken.

2.13. Appellanten voeren nog aan dat het Gerecht heeft miskend dat betalingen in US dollars van de verplichting om deviezenprovisie te betalen vrijgesteld dienen te zijn, nu betalingen in Nederlands-Antilliaanse guldens dat zijn.

2.13.1. Ook dat betoog faalt. Het Gerecht heeft in dit verband terecht overwogen dat voor de vrijstelling van betalingen in Nederlands-Antilliaanse guldens een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Deze vrijstelling vindt haar oorsprong in de bedoeling dat burgers van de Nederlandse Antillen en Aruba zo min mogelijk hinder van de status aparte van het Land Aruba ondervinden, hetgeen voor betalingen in US dollars geen rol speelt.

2.14. Appellanten klagen verder dat het Gerecht heeft miskend dat de feitelijke grondslag van de heffing onduidelijk is en de compensatieregeling van artikel 9 van de Landsverordening ten aanzien van Valero Refining Company-Aruba N.V. onjuist is toegepast.

2.14.1. Ook deze klacht faalt. De heffing is gebaseerd op de door appellanten ingediende kwartaalrapportages. In de heffingsnota's wordt de geheven deviezenprovisie aan de belaste betalingen aan het buitenland gerelateerd. Nadat haar gebleken was dat de kwartaalrapportages niet volledig, dan wel niet volledig juist waren, heeft de Bank oorspronkelijk opgelegde heffingsnota's ingetrokken en de hiervoor onder 1. vermelde opgelegd. Dat is gemotiveerd, onder meer door verwijzing naar artikel 9 van de Landsverordening dat ziet op verrekening van betalingen aan het buitenland met ontvangsten uit het buitenland. Op betalingen aan het buitenland wegens aankoop van ruwe olie, bestemd om tot geraffineerd product voor de lokale markt te worden verwerkt, is deze bepaling niet van toepassing. De in artikel 9 neergelegde regeling wordt toegepast aan de hand van door appellanten in de kwartaalrapportages beschikbaar gestelde gegevens. Appellanten hebben niet gesteld dat de door hen overgelegde kwartaalrapportages niet juist waren. Gelet hierop, heeft het Gerecht in hetgeen appellanten in beroep hebben aangevoerd terecht geen grond gevonden de feitelijke grondslag van de heffing onvoldoende duidelijk, dan wel de compensatieregeling daarbij onjuist toegepast te achten.

2.15. Appellanten betogen dat het Gerecht heeft miskend dat de Bank de deviezenprovisie ten onrechte met terugwerkende kracht heeft geheven.

2.15.1. Ook dat betoog faalt. Het Gerecht heeft met juistheid overwogen dat appellanten ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Landsverordening met ingang van 3 juni 2003, de dag van inwerkingtreding van de Landsverordening, deviezenprovisie zijn verschuldigd en dat het feit dat de richtlijnen, aan de hand waarvan de heffing geschiedt, eerst op 25 juli 2003 zijn vastgesteld en, naar onweersproken is gesteld, eerst op 5 augustus 2003 aan hen bekend zijn geworden, hieraan niet afdoet, aangezien de verschuldigdheid ter zake waarvan is geheven rechtstreeks uit de Landsverordening voortvloeit.

2.16. Het voor het eerst ter zitting door appellanten gevoerde betoog dat de in de Landsverordening neergelegde regeling inzake deviezenprovisieheffing onverbindend is wegens strijd met artikel VIII, derde lid, van de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds, alsmede met artikel 26 van het IVBPR, slaagt ten slotte evenmin, reeds omdat het Gerecht zich daarover niet heeft uitgesproken en zich daarover ook niet heeft kunnen uitspreken, nu geen sprake is van een toetsing die het ambtshalve had behoren uit te voeren.

2.17. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van het Gerecht dient, zij het met enige verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Martinez, griffier.

w.g. Ter Berg

Voorzitter w.g. Martinez

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2006