Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2006:BG1179

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
05-06-2006
Datum publicatie
22-10-2008
Zaaknummer
116 HLAR 38/05
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schriftelijke mededeling dat appellant, naar aanleiding van een daartoe strekkende uitspraak van het college van beroep, bedoeld in artikel 10 (oud) van de Landsverordening Ongevallenverzekering van 15 november 2002, met ingang van 17 november 1999 wederom ongevallengeld wordt toegekend, dat het verschuldigde ongevallengeld rechtstreeks aan zijn werkgever zal worden uitbetaald en dat het ongevallengeld met een openstaande premieschuld van deze werkgever zal worden verrekend.

Betaling en verrekening van ongevallengeld zijn niet gericht op enig rechtsgevolg, zodat mededelingen daaromtrent geen beschikking in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Lar.

Behalve tegen deze mededelingen richtte het beroep van appellant zich echter ook tegen de aan die mededelingen ten grondslag liggende beschikkingen en besluiten.

Aangevallen uitspraak vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

116 HLAR 38/05

Datum uitspraak: 5 juni 2006

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant sub 1] de naamloze vennootschap "Humeco Project Coordination & Material Research N.V.", wonend, onderscheidenlijk gevestigd op [woonplaats/vestigingsplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Bonaire, van 15 juni 2005 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

de Sociale Verzekeringsbank.

1. Procesverloop

Bij brief van 17 maart 2003, no. Bon-03/03/07, heeft de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB) aan [appellant sub 1] (hierna: [appellant sub 1]) medegedeeld, als hierna onder 2.3.1. vermeld.

Bij uitspraak van 15 juni 2005 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Bonaire (hierna: het Gerecht), zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het daartegen door [appellant sub 1] ingestelde beroep.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en de naamloze vennootschap Humeco Project Coordination & Material Research N.V. (hierna: Humeco) bij brief, ingekomen bij het Gerecht op 29 juli 2005, hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Bij brief, ingekomen bij het Hof op 28 september 2005, heeft de SVB van antwoord gediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2006, waar [appellant sub 1], in persoon, Humeco, vertegenwoordigd door [appellant sub 1], en de SVB, vertegenwoordigd door mr. M.F. Bonafasia en drs. M.A. Maria, beiden werkzaam bij de SVB, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna te noemen: de Lar) wordt in deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen onder beschikking verstaan: een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, kunnen natuurlijke personen of rechtspersonen, die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen, daartegen beroep instellen bij het Gerecht.

Ingevolge artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder b, houdt het beroepschrift in een duidelijke omschrijving van de beschikking waartegen het beroep is gericht.

Ingevolge artikel 75, eerste lid, voor zover thans van belang, staat voor alle partijen tegen de uitspraak van het Gerecht, bedoeld in artikel 49, hoger beroep open op het Hof.

2.2. Voor zover het hoger beroep mede door Humeco is ingesteld, wordt overwogen dat Humeco geen partij was bij het geding in eerste aanleg. Ingevolge artikel 75, eerste lid, van de Lar, dient het hoger beroep, voor zover door haar ingesteld, reeds daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.3. [appellant sub 1] klaagt dat het Gerecht, door zich onbevoegd te verklaren om van zijn beroep kennis te nemen, heeft miskend dat de brief van 17 maart 2003 een op rechtsgevolg gerichte beschikking behelst.

2.3.1. Dit betoog faalt. Bij die brief heeft de SVB aan [appellant sub 1] medegedeeld dat hem, naar aanleiding van een daartoe strekkende uitspraak van het college van beroep, bedoeld in artikel 10 (oud) van de Landsverordening Ongevallenverzekering van 15 november 2002, met ingang van 17 november 1999 wederom ongevallengeld wordt toegekend en voorts dat het verschuldigde ongevallengeld rechtstreeks aan zijn werkgever, Humeco, zal worden uitbetaald. Verder heeft de SVB bij die brief aan [appellant sub 1] medegedeeld dat het ongevallengeld met een openstaande premieschuld van Humeco zal worden verrekend.

Het Gerecht heeft terecht en op goede gronden de betaling, onderscheidenlijk verrekening, van ongevallengeld geen op enig rechtsgevolg gerichte beschikkingen geacht en mededelingen daaromtrent en omtrent een mogelijk nog te geven beschikking, zoals vervat in voormelde brief, evenmin.

2.4. Voorts klaagt [appellant sub 1] dat het Gerecht heeft miskend dat zijn beroep mede gericht was tegen de beschikkingen en besluiten die aan de brief van 17 maart 2003 ten grondslag liggen.

2.4.1. Dit betoog slaagt. Bij het beroepschrift is onder meer een aan [appellant sub 1] gerichte beschikking van 19 maart 2003 gevoegd, waarmee is beoogd uitvoering te geven aan voormelde uitspraak van het college van beroep van 15 november 2002. Het beroep van [appellant sub 1] was aldus mede gericht tegen die beschikking. Hij heeft bedoeld te betogen dat met deze beschikking niet op juiste wijze aan voormelde uitspraak uitvoering is gegeven.

2.5. Het hoger beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt vernietigd. De zaak wordt naar het Gerecht teruggewezen om door hem te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.6. Niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door Humeco Project Coordination & Material Research N.V., niet-ontvankelijk

II. verklaart het voor het overige gegrond;

III. vernietigt de aangevallen uitspraak;

IV. wijst de zaak naar het Gerecht terug;

V. gelast dat de SVB aan H.H.J.M. [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Naf. 300,00 (zegge: driehonderd gulden) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Martinez, griffier.

w.g. Ter Berg

Voorzitter

w.g. Martinez

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2006

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,