Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2005:BG1000

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
21-11-2005
Datum publicatie
21-10-2008
Zaaknummer
103 HLAR 24/05
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitstel voor het in gebruik nemen van de bij ministeriële beschikking verleende zendmachtiging en intrekking hiervan.

Niet in geschil is dat appellant de hem op 17 januari 2000 verleende machtiging niet binnen twaalf maanden heeft benut. Het in beroep aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de Minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de intrekking van de machtiging deswege niet als onredelijk is aan te merken.

Aangevallen uitspraak vernietigd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

103 HLAR 24/05

Datum uitspraak: 21 november 2005

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

wonend op [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 8 juni 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Verkeer en Vervoer.

1. Procesverloop

Bij beschikking van 10 augustus 2004 heeft de Minister van Verkeer en Vervoer (hierna: de Minister) een verzoek van appellant om uitstel voor het in gebruik nemen van de hem bij ministeriële beschikking van 17 januari 2000 verleende zendmachtiging afgewezen en deze ingetrokken.

Bij beschikking van 18 januari 2005 heeft de Minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 juni 2005 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (hierna: het Gerecht), het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, die beschikking vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, ingekomen op 1 juli 2005, hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Bij brief, ingekomen op 15 augustus 2005, heeft de Minister van antwoord gediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 september 2005, waar appellant, in persoon, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. A.C. Small, advocaat, mr. J. van Schendel, werkzaam bij de Directie Wetgeving en Juridische Zaken, en mr. C. Sandries, werkzaam bij het Bureau Telecommunicatie en Post, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de LAR) kunnen natuurlijke personen, die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen daartegen beroep instellen bij het Gerecht.

Ingevolge artikel 55 zijn de personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, bevoegd een bezwaarschrift in te dienen bij het bestuursorgaan dat de beschikking heeft gegeven en het beroep pas in te stellen, nadat het bestuursorgaan op het bezwaarschrift heeft beslist.

2.2. Het Hof overweegt ambtshalve het volgende.

Het Gerecht heeft de beschikking van 10 augustus 2004 beschouwd als gegeven op het door appellant op 29 augustus 2003 gemaakte bezwaar, overwogen dat de Minister het tegen deze beschikking gerichte bezwaarschrift ten onrechte niet niet-ontvankelijk heeft verklaard en naar het Gerecht ter behandeling als beroepschrift heeft doorgezonden.

De beschikking van 10 augustus 2004 behelst echter geen beslissing op dat bezwaar, doch een reactie op voormeld verzoek. Tegen die beschikking stond ingevolge artikel 55, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, van de LAR bezwaar open. De Minister heeft het bezwaarschrift van

15 september 2004 terecht als zodanig in behandeling genomen en hierop beslist. Het Gerecht heeft het beroep ten onrechte gegrond verklaard en de beschikking van 18 januari 2005 ten onrechte vernietigd, als het heeft gedaan.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van het Gerecht van 8 juni 2005 wordt vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, beoordeelt het Hof de beschikking van 18 januari 2005 aan de hand van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden.

2.3.1. Appellant klaagt dat die beschikking onredelijk is, omdat hij aanspraak heeft op schadevergoeding door de overheid en het uitblijven van de vergoeding het tijdig in gebruik nemen van de machtiging voor hem onmogelijk heeft gemaakt.

2.3.2. Ingevolge artikel 13, vierde lid, van het Landsbesluit radio-elektrische inrichtingen (hierna: het Landsbesluit) trekt de Minister een zendmachtiging in, indien de houder ervan deze niet binnen een periode van twaalf maanden gebruikt, behoudens in geval zulks naar het oordeel van de Minister als onredelijk is aan te merken. In dat geval bepaalt de Minister een termijn, waarbinnen de machtiging alsnog gebruikt dient te worden. Geschiedt zulks niet binnen die termijn, dan trekt de Minister de machtiging in.

2.3.3. Niet in geschil is dat appellant de hem op 17 januari 2000 verleende machtiging niet binnen twaalf maanden heeft benut.

Het in beroep aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de Minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de intrekking van de machtiging deswege niet als onredelijk is aan te merken. Appellant heeft zijn stelling dat hij aanspraak op schadevergoeding van de overheid heeft en de machtiging uitsluitend niet in gebruik heeft genomen, omdat de overheid een verplichting om die schadevergoeding uit te betalen niet is nagekomen, niet aannemelijk gemaakt. Reeds om die reden kan het gestelde niet tot dat oordeel leiden.

2.4. Het bij het Gerecht tegen de beschikking van 18 januari 2005 ingestelde beroep is, gelet op het vorenstaande, ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 8 juni 2005 in zaak no. Lar 2005/20;

III. verklaart het bij het Gerecht in die zaak ingestelde beroep tegen de beschikking van de Minister van Verkeer en Vervoer van 18 januari 2005 ongegrond;

IV. gelast dat het Land de Nederlandse Antillen aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Naf. 300,00 (zegge: driehonderd gulden) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Martinez, griffier.

w.g. Ter Berg

Voorzitter w.g. Martinez

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2005