Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2005:BG0985

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
21-11-2005
Datum publicatie
21-10-2008
Zaaknummer
95 HLAR 15/05
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mededeling dat de machtiging wordt ingetrokken, omdat de frequenties niet in gebruik zijn genomen.

Geen procesbelang Minister. De enkele gestelde wens om een oordeel te verkrijgen over de betekenis en strekking van artikel 26 van de ministeriële beschikking, levert zodanig belang niet op.

Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

95 HLAR 15/05.

Datum uitspraak: 21 november 2005

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Verkeer en Vervoer,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 27 april 2005 in het geding tussen:

de naamloze vennootschap Curanet N.V., gevestigd op Curaçao,

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij beschikking van 2 december 2004 heeft appellant (hierna: de Minister) de naamloze vennootschap Curanet N.V. (hierna: Curanet) bericht, als hierna onder 2.2. vermeld.

Bij uitspraak van 27 april 2005 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (hierna: het Gerecht), voor zover thans van belang, het daartegen door Curanet ingestelde beroep gegrond verklaard, die beschikking kennelijk vernietigd en de Minister opgedragen om binnen twee maanden een nieuwe beschikking te geven met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de Minister bij brief van 3 juni 2005, ingekomen op diezelfde dag, hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Bij brief van 11 juli 2005 heeft Curanet van antwoord gediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 september 2005, waar de Minister, vertegenwoordigd door mr. A.C. Small, advocaat, mr. J. van Schendel, werkzaam bij de Directie Wetgeving en Juridische Zaken, en mr. C. Sandries, werkzaam bij het Bureau Telecommunicatie en Post (hierna: BTeP), en Curanet, vertegenwoordigd door mr. S.M. Saleh, advocaat, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Landsverordening op de telecommunicatievoorzieningen (hierna: LTV) is het verboden, anders dan krachtens concessie, radio-elektrische zendinrichtingen aan te leggen, aanwezig te hebben of te gebruiken, dan wel te exploiteren, tenzij met machtiging van de Minister.

Bij ministeriële beschikking van 29 juni 2001 (hierna: de ministeriële beschikking) heeft de Minister aan Curanet machtiging verleend om, voor zover thans van belang, gebruik te maken van de "sub-channel centre frequencies" 3.41175 GHz en 3.46175 GHz, elk met een bandbreedte van 3.5 MHz (hierna: de machtiging).

Ingevolge artikel 26, aanhef en onder a, van deze machtiging kan zij na voorafgaande waarschuwing bij een met redenen omklede ministeriële beschikking, de machtiginghoudster gehoord, voorlopig of definitief worden ingetrokken, indien een of meer voorschriften bij of krachtens de LTV of het Landsbesluit radio-elektrische inrichtingen (hierna: het Lbri) of daarvan afgeleide voorschriften gegeven, niet of niet voldoende worden nageleefd.

Ingevolge artikel 13, vierde lid, van het Lbri trekt de Minister de verleende machtiging in, indien de houder daarvan deze niet binnen een periode van twaalf maanden gebruikt, behoudens ingeval zulks naar het oordeel van de Minister als onredelijk is aan te merken. In dat geval bepaalt de Minister een termijn waarbinnen de machtiging alsnog gebruikt dient te worden. Geschiedt zulks niet binnen die termijn, dan trekt de Minister de machtiging in.

2.2. Bij brief van 3 december 2003 heeft de directeur van het BTeP aan Curanet medegedeeld dat de machtiging wordt ingetrokken, omdat de desbetreffende frequenties niet in gebruik zijn genomen. Curanet heeft hiertegen op 5 januari 2004 beroep ingesteld. Bij gelegenheid van de behandeling ter zitting van dat beroep door het Gerecht op 13 mei 2004 heeft de Minister verklaard dat de brief van 3 december 2003 als waarschuwing moet worden aangemerkt en dat eerst na het horen van Curanet mogelijk een beschikking zal worden gegeven.

Curanet heeft het beroep daarop ingetrokken.

Bij brief van 5 augustus 2004 heeft de directeur van het BTeP aan Curanet een afschrift verzonden van het voornemen om de machtiging in te trekken en haar de gelegenheid geboden om haar reactie hierop aan hem kenbaar te maken.

Bij brief van 16 augustus 2004 heeft Curanet van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Bij beschikking van 14 september 2004 heeft de Minister, voor zover thans van belang, de machtiging ingetrokken.

Tegen die beschikking heeft Curanet op 26 oktober 2004 beroep ingesteld.

Bij beschikking van 2 december 2004 heeft de Minister, voor zover thans van belang, de beschikking van 14 september 2004 ingetrokken, omdat daarin niet gemotiveerd was ingegaan op de door Curanet in de brief van 16 augustus 2004 aangevoerde argumenten en voorts de machtiging ingetrokken met terugwerkende kracht tot en met 14 september 2004. Tegen die beschikking heeft Curanet op 21 december 2004 beroep ingesteld.

In de uitspraak van 27 april 2005, voor zover thans van belang, heeft het Gerecht zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het door Curanet tegen de beschikking van 14 september 2004 ingestelde beroep en voorts het door Curanet tegen de beschikking van 2 december 2004 ingestelde beroep gegrond verklaard.

Blijkens een ter zitting bij het Hof buiten bezwaar van partijen overgelegde brief van de directeur van het BTeP van 23 juni 2005 is op die dag een nieuwe beschikking gegeven, waarbij, voor zover thans van belang, de beschikking van 2 december 2004 is ingetrokken.

2.3. De Minister klaagt dat het Gerecht ten onrechte heeft overwogen dat de beschikking van 2 december 2004 niet in overeenstemming met artikel 26 van de ministeriële beschikking is totstandgekomen. Nu Curanet in de gelegenheid is geweest om schriftelijk haar reactie op het voornemen om de machtiging in te trekken te geven, is voldaan aan het vereiste dat de machtiginghoudster wordt gehoord, aldus de Minister.

2.4. Volgens de uitspraak van het Gerecht van 27 april 2005 mocht de Minister geen nieuwe beschikking geven zonder Curanet alsnog in de gelegenheid te stellen haar standpunt mondeling nader toe te lichten.

Volgens voormelde brief van 23 juni 2005 is Curanet tijdens een hoorzitting op 21 juni 2005 gehoord en heeft zij bij die gelegenheid verklaard niet langer bezwaar te maken tegen intrekking van de machtiging om gebruik te maken van de 3.4 GHz frequentiebanden, indien in plaats daarvan aan haar machtiging wordt verleend om gebruik te maken van de 5.7 GHz frequentiebanden. Curanet heeft dat niet betwist.

In de beschikking van 23 juni 2005 heeft de directeur van het BTeP te kennen gegeven dat geen bezwaar bestaat tegen het gebruik door Curanet van de 5.7 GHz frequentiebanden en dat dit na ontvangst van de daartoe vereiste stukken door middel van een aanpassing van de ministeriële beschikking zal worden bekrachtigd. Voorts is de beschikking van 2 december 2004 daarbij ingetrokken.

Tegen de beschikking van 23 juni 2005 is geen rechtsmiddel aangewend, zodat deze in rechte onaantastbaar is.

2.5. Onder voormelde omstandigheden heeft de Minister geen belang bij het hoger beroep. De enkele gestelde wens om een oordeel te verkrijgen over de betekenis en strekking van artikel 26 van de ministeriële beschikking, levert zodanig belang, wat verder van het betoog van de Minister terzake zij, niet op.

2.6. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

2.7. De Minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II. veroordeelt de Minister van Verkeer en Vervoer tot vergoeding van de bij de naamloze vennootschap Curanet N.V. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Naf. 1400,00 (zegge: duizend vierhonderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Minister van Verkeer en Vervoer aan de naamloze vennootschap Curanet N.V. te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Martinez, griffier.

w.g. Ter Berg

Voorzitter w.g. Martinez

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2005.