Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2005:BF9969

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
30-05-2005
Datum publicatie
16-10-2008
Zaaknummer
79 HLAR 49/04
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beschikking tot verwijdering.

Termijnoverschrijding met het verzoek terug te komen op de eerdere, in rechte onaantastbaar geworden verwijderingsbeschikking.

Aangevallen uitspraak vernietigd, voor het overige bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

79 HLAR 49/04.

Datum uitspraak: 30 mei 2005

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante],

verblijvend in [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 22 oktober 2004 in het geding tussen:

appellante,

en

de Gezaghebber van het Eilandgebied Curaçao, mede namens de Minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij brief van 27 februari 2004 heeft appellante de Gezaghebber van het Eilandgebied Curaçao (hierna: de Gezaghebber) verzocht een beschikking van 29 oktober 2003 tot weigering haar een verblijfsvergunning te verlenen en een beschikking van 19 december 2003, onder meer strekkende tot haar verwijdering uit de Nederlandse Antillen, op te schorten.

Bij brief van 7 juli 2004 is aan appellante te kennen gegeven dat zij uiterlijk op 7 september 2004 uit de Nederlandse Antillen wordt verwijderd en dat haar de toegang voor de duur van drie jaar wordt ontzegd. Voorts is zij bij beschikking, vermeld in die brief, opnieuw in bewaring gesteld.

Appellante heeft bij brief, ingekomen op 14 juli 2004, bij het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (hierna: het Gerecht) tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek van 27 februari 2004 en tegen de beschikking van 7 juli 2004 beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 22 oktober 2004 heeft het Gerecht het beroep, voor zover gericht tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek van 27 februari 2004, niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, ingekomen op 6 december 2004, hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Bij brief, ingekomen op 24 maart 2005, is van antwoord gediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 april 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. W.E. Fortin, advocaat, en de Gezaghebber, vertegenwoordigd door mr. J.G. Ricardo, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak (hierna: de LAR) wordt onder beschikking verstaan: een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is.

Ingevolge het tweede lid wordt een weigering om een beschikking te geven met een beschikking gelijkgesteld.

Wanneer de voor het geven van een beschikking gestelde termijn is verstreken, zonder dat een beschikking is gegeven of - bij het ontbreken van zulk een termijn - wanneer niet binnen een redelijke tijd een beschikking is gegeven, geldt dat ingevolge het derde lid als het weigeren van het geven van een beschikking.

2.2. Appellante klaagt dat het Gerecht haar beroep, voor zover gericht tegen het uitblijven van een beschikking op het verzoek van 27 februari 2004, ten onrechte als te laat ingesteld niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Zij klaagt voorts dat het Gerecht de beschikking van 7 juli 2004 ten onrechte niet in volle omvang heeft getoetst.

2.2.1. De Gezaghebber heeft bij beschikking van 19 december 2003 beslist tot verwijdering van appellante en haar bewaring ter fine daarvan. Tegen die beschikking is geen rechtsmiddel aangewend, zodat deze in rechte onaantastbaar is. Appellante heeft met haar brief van 27 februari 2004 beoogd de Gezaghebber te doen terugkomen op die beschikking. Voor het nemen van een beslissing op een verzoek om op een eerdere, in rechte onaantastbaar geworden, beschikking terug te komen is geen termijn gesteld. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de LAR dient zodanige beslissing binnen een redelijke termijn te worden genomen. Door in dit geval uit te gaan van omstreeks acht weken, heeft het Gerecht, mede gelet op de aard van het verzoek, geen onjuiste toepassing aan die bepaling gegeven. Aldus nam de termijn voor het instellen van beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek omstreeks eind april 2004 een aanvang en kon appellante tot uiterlijk medio juni 2004 daartegen beroep instellen. Het Gerecht heeft het op 14 juli 2004 ingekomen beroep tegen het uitblijven van een beschikking op het verzoek van 27 februari 2004 dan ook terecht te laat ingesteld geacht.

De beslissing van 7 juli 2004 is na de beschikking van 19 december 2003 niet op enig zelfstandig rechtsgevolg gericht, voor zover daarmee een nieuwe uiterste verwijderdatum is bepaald. Voor zover het beroep van appellante zich tegen dat laatste richt, heeft appellante daarbij geen belang, nu zij daardoor meer respijt heeft gekregen dan haar bij de beschikking van 19 december 2003 was gegeven.

In zoverre falen de grieven van appellante.

2.2.2. Appellante is, na op 21 december 2003 op vrije voeten te zijn gekomen, bij de beschikking van 7 juli 2004 opnieuw in bewaring gesteld. In zoverre diende die beschikking inhoudelijk te worden getoetst aan de hand van de daartegen voorgedragen beroepsgronden. Dat is niet gebeurd.

2.3. Het hoger beroep is in zoverre gegrond. De uitspraak van het Gerecht dient in zoverre te worden vernietigd.

2.4. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, overweegt het Hof dienaangaande als volgt.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Landsverordening Toelating en Uitzetting, kan betrokkene, indien hij naar het oordeel van de Gezaghebber gevaar oplevert voor de openbare orde, de publieke rust of veiligheid of de goede zeden, dan wel indien naar diens oordeel gegronde vrees bestaat dat betrokkene zal trachten zich aan zijn verwijdering te onttrekken, op bevel van de Gezaghebber ter verzekering van zijn verwijdering in bewaring worden gesteld.

2.4.1. Appellante heeft aangevoerd dat geen reden bestond voor haar hernieuwde bewaring met ingang van 7 juli 2004.

2.4.2. De Gezaghebber heeft de bewaring van appellante bevolen, teneinde zeker te stellen dat haar verwijdering geëffectueerd zal worden. Mede in aanmerking genomen dat appellante de Nederlandse Antillen ten onrechte niet uiterlijk op 28 februari 2004 heeft verlaten, na de beschikking van 19 december 2003, levert hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond op voor het oordeel dat hij zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er reden was om aan te nemen dat appellante zich aan haar verwijdering zou onttrekken en derhalve evenmin voor het oordeel dat de Gezaghebber niet in redelijkheid tot de hernieuwde bewaring van appellante heeft kunnen besluiten.

Het bij het Gerecht ingestelde beroep tegen de beschikking van 7 juli 2004 is ongegrond.

2.5. De uitspraak van het Gerecht dient voor het overige te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond, voor zover gericht tegen het niet in volle omvang toetsen van de inbewaringstelling van 7 juli 2004;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht van 22 oktober 2004, in zaak LAR 2004/141, in zoverre;

III. verklaart het bij het Gerecht daartegen ingestelde beroep ongegrond;

IV. bevestigt de uitspraak voor het overige;

V. verstaat dat de griffier aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van NAF. 300,00 (zegge: driehonderd gulden) teruggeeft.

Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, mr. R.W.L. Loeb, en mr. M.R. Wijnholt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, griffier.

Voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2005.