Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2005:BF7472

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
30-05-2005
Datum publicatie
09-10-2008
Zaaknummer
65 HLAR 34/04
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering vttv voor verblijf bij zogenoemde gegratieerde moeder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

65 HLAR 34/04

Datum uitspraak: 30 mei 2005

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [kind sub 1] en [kind sub 2], allen wonend op [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 17 augustus 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

de Gezaghebber van het Eilandgebied Curaçao, namens de Minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij beschikkingen van 23 december 2003, nrs. 6001040231/1 en 6001040229/1, heeft de Gezaghebber van het Eilandgebied Curaçao (hierna: de Gezaghebber) geweigerd appellanten een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen.

Tegen deze beschikking hebben appellanten bij brief, bij het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (hierna: het Gerecht) ingekomen op 18 maart 2004, beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 17 augustus 2004 heeft het Gerecht het beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij het Hof ingekomen op 24 september 2004, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 11 maart 2005 heeft de Gezaghebber van antwoord gediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 april 2005, waar appellanten, bijgestaan door mr. drs. B.W. Scheperboer, advocaat, en de Gezaghebber, vertegenwoordigd door mr. J.G. Ricardo, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Landsverordening Toelating en Uitzetting Nederlandse Antillen (hierna: de LTU) kan de vergunning tot tijdelijk verblijf door of namens de Minister van Justitie worden geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen.

2.2. Volgens het door de Gezaghebber met betrekking tot zogenoemde gegratieerde vreemdelingen gevoerde beleid kunnen deze, gezien het tijdelijke karakter van hun verblijf en mede met het oog op de openbare orde en het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen, geen aanspraak maken op toelating van familieleden in het kader van gezinshereniging.

2.2.1. Dit beleid heeft de Gezaghebber ten grondslag gelegd aan de weigering van 23 december 2003.

2.3. Appellanten klagen dat het Gerecht heeft miskend dat het door de Gezaghebber met betrekking tot gegratieerde vreemdelingen gevoerde beleid niet consistent wordt toegepast. Zij hebben in dit verband gewezen op toelating van studerende kinderen van zekere [vreemdeling].

2.3.1. Niet in geschil is dat aan de moeder van appellanten in de zogenoemde gratieperiode een vergunning tot tijdelijk verblijf is verstrekt, geldig tot 11 september 2004, en dat het voormelde beleid inzake gegratieerde vreemdelingen in zoverre op haar van toepassing is.

Appellanten stellen dat de Gezaghebber in een vergelijkbaar geval, in afwijking van het beleid gezinshereniging heeft toegestaan aan een vreemdeling, die op grond van de gratieregeling een tijdelijke verblijfsvergunning heeft gekregen en betogen dat de beleidsregel hun om deze reden niet mag worden tegengeworpen. Het Hof overweegt dat, voorzover al sprake is van vergelijkbare gevallen, waarvan voorshands niet is gebleken, dit er niet toe kan leiden dat de Gezaghebber gehouden is een vergunning tot verblijf te verlenen in afwijking van het gevoerde beleid. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat volgens de Gezaghebber het mogelijk is dat wegens het grote aantal zogenoemde gratieaanvragen, door een administratieve vergissing een begunstigende beschikking is afgegeven waar dat eigenlijk niet had mogen gebeuren.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, griffier.

Voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2005.

Verzonden: